Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:12038

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-10-2016
Datum publicatie
20-12-2016
Zaaknummer
SGR 16/1911
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

artikel 4:6 Awb, herzieningsverzoek

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:6, geldigheid: 2005-09-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 16/1911

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 oktober 2016 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J.W. Landman),

en

de Raad van bestuur van het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder

(gemachtigde: mr. C. Beckers).

Procesverloop

Bij besluit van 14 oktober 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat hij geen reden heeft gezien zijn besluit van 18 februari 2011 te herzien.

Bij besluit van 10 februari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 september 2016.
Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Eiser was per 1 september 2009 onvrijwillig werkloos. Bij besluit van 19 oktober 2009 heeft verweerder eiser een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW-uitkering) toegekend met ingang van 1 oktober 2009 tot en met 31 december 2009.

1.2

Bij besluit van 22 april 2010 heeft verweerder het bezwaar tegen het besluit van 19 oktober 2009 gegrond verklaard. Het besluit van 19 oktober 2009 is herroepen in die zin dat eiser een WW-uitkering ontvangt tot en met 30 november 2012. Daardoor herleefde eisers WW-uitkering.

1.3

In december 2010 is geconstateerd dat eiser voltijd werkzaam was als zelfstandige. Om het starten van een eigen bedrijf vanuit een WW-situatie mogelijk te maken heeft verweerder de uitkering 26 weken op voorschotbasis uitbetaald. Die periode liep van 23 november 2009 tot en met 23 mei 2010. Ook na afloop van die periode heeft eiser zijn werkzaamheden voortgezet. Eiser en zijn werkcoach [persoon 1] hebben deze situatie besproken. Hun gesprek is neergelegd in een rapportage van 28 december 2010. Daarbij is eiser ervan op de hoogte gesteld dat hij vanaf 24 mei 2010 ten onrechte WW-uitkering heeft ontvangen en dat hij deze zal terug dienen te betalen. Voorts heeft er op 13 januari 2011 een gesprek plaatsgevonden in het kader van hoor-en wederhoor tussen eiser en genoemde werkcoach. De inhoud van dit gesprek is neergelegd in een rapportage van 1 februari 2011.

1.4

Bij besluit van 8 februari 2011 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat de WW-uitkering met ingang van 24 mei 2010 wordt beëindigd, nu hij vanaf die datum geen recht meer had op een WW-uitkering. Bij besluit van 18 februari 2011 heeft verweerder de over de periode van 24 mei 2010 tot en met 12 december 2010 ten onrechte door eiser ontvangen WW-uitkering ten bedrage van € 17.626,34 bruto teruggevorderd. Tegen deze besluiten heeft eiser geen bezwaar gemaakt.

1.5

Bij brief van 24 juli 2015 heeft eiser verweerder verzocht het besluit van 18 februari 2011 over de terugvordering van ten onrechte uitbetaalde WW-uitkering te herzien.

1.6

Bij primair besluit van 14 oktober 2015 heeft verweerder eiser meegedeeld dat hij de brief van 24 juli 2015 heeft aangemerkt als verzoek om terug te komen van het besluit van 18 februari 2011 en dat hij geen aanleiding ziet om van dit besluit terug te komen, omdat eiser geen nieuwe feiten of veranderende omstandigheden heeft aangevoerd. Dit besluit is ook na bezwaar gehandhaafd.

2.1

Eiser voert in beroep aan dat sprake is van een nieuw feit. Hem is pas recentelijk duidelijk geworden dat zijn nieuwe werkcoach [persoon 1] in 2010 niet bekend was met het besluit van 22 april 2010, waarin is neergelegd dat zijn uitkering na 31 december 2009 ‘herleefde’. Daardoor heeft [persoon 1] hem niet adequaat kunnen begeleiden en hem niet kunnen waarschuwen dat hij na zes maanden (na afloop van de ‘startersregeling’) niet kon doorgaan met zijn werkzaamheden als zelfstandige, ten minste als hij zijn uitkering zou willen behouden. Dat er na het vertrek van eisers vorige werkcoach geen opvolger aan eiser was gekoppeld was een fout van het UWV.

2.2

Voorts heeft eiser – kort samengevat – nog het volgende aangevoerd. Hij heeft geen inkomsten gegenereerd uit de werkzaamheden. De uitkering is hem dus niet onverschuldigd betaald. Hij had deze inkomsten nodig om in zijn levensonderhoud te voorzien. Nu hij niets heeft verdiend had de belangenafweging in zijn voordeel moeten uitvallen en had van terugvordering moeten worden afgezien. Indien hij had geweten dat zijn handelswijze ongeoorloofd was dan was hij onmiddellijk gestopt met zijn werkzaamheden. Op grond van de mededeling van de vorige werkcoach mevrouw [persoon 2] is eiser ervan uitgegaan dat de startersperiode zou worden verlengd. Daarom dient het besluit van 18 februari 2011 in het kader van een herbeoordeling alsnog te worden herzien.

3. Ter beoordeling ligt voor of verweerder op goede gronden heeft besloten om niet terug te komen van het inmiddels onaantastbaar geworden besluit van 18 februari 2011.

4. Bij deze beoordeling is van belang artikel 4:6 van de Awb, dat als volgt luidt:

1. Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.
2. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

5. Uit vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep – zie bijvoorbeeld de uitspraak van 5 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO3257 – volgt dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is een verzoek van een belanghebbende om van een eerder (ambtshalve) genomen besluit terug te komen, inhoudelijk te behandelen en daarbij de oorspronkelijke beslissing in volle omvang te heroverwegen. Bewoording en strekking van artikel 4:6 van de Awb staan daaraan niet in de weg. Indien een bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid het eerdere besluit handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijke termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De bestuursrechter dient dan ook het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen en zich – analoog aan hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van de Awb – in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

6. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en daarom behoorden te worden aangevoerd, evenals bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en daarom behoorden te worden overgelegd.

7.1

In de kern komt eisers betoog hierop neer, dat verweerder het besluit om de duur van de WW-uitkering te verlengen tot en met 30 november 2012, ten onrechte slechts heeft doorgegeven aan de “uitkeringstak” van het UWV, en niet aan het werkbedrijf. Daardoor zou eisers nieuwe werkcoach [persoon 1] niet op de hoogte zijn gesteld.

7.2

Hetgeen eiser naar voren heeft gebracht ter onderbouwing van zijn verzoek bevat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Het bezwaar tegen de terugvordering van na 24 mei 2010 ontvangen WW-uitkering had in een bezwaarprocedure tegen verweerders besluiten van 8 februari 2011 en 18 februari 2011 aangevoerd kunnen en moeten worden. Eiser heeft de rechtbank niet duidelijk kunnen maken waarom hij dat toen niet heeft gedaan. De redenen die eiser in het bezwaar tegen verweerders besluit van 14 oktober 2015 heeft opgegeven, namelijk dat hij destijds al een dure procedure achter de rug had en geen geld meer had om een advocaat te betalen, volstaan in elk geval niet. Voor een bezwaar- en beroepsprocedure in het bestuursrecht is procesvertegenwoordiging immers niet verplicht. Indien eiser destijds tijdig bezwaar had gemaakt had verweerder alle relevante stukken moeten overleggen. Aan de hand van de dossierstukken (waaronder met name de gespreksverslagen en memo’s van eisers werkcoach) had eiser, voor zover hem een en ander nog niet duidelijk was, zich (in ieder geval) in bezwaar tegen de beweerdelijke omissie van verweerder kunnen keren. Overigens blijkt uit het gespreksverslag van 1 februari 2011 dat eisers werkcoach [persoon 1] wel degelijk op de hoogte was van het feit dat eiser gebruik maakte van de startersregeling. Ook is toen gesproken over de (on)mogelijkheid om de periode van de startersregeling te verlengen.

7.3

Dat eiser geen inkomsten had uit de starterswerkzaamheden is evenmin een nieuw feit. Ook dat argument had eiser destijds in een bezwaarprocedure tegen de terugvorderingsbeslissing naar voren kunnen brengen.

8 Nu geen nova aan eisers herzieningsverzoek ten grondslag lagen, bestonden er geen gronden om een terugkomen van het oorspronkelijk genomen besluit te rechtvaardigen. Gelet hierop heeft verweerder de afwijzing van het verzoek van eiser terecht gehandhaafd.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van mr. L.B.J. Leunissen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.