Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:11965

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-08-2016
Datum publicatie
02-11-2016
Zaaknummer
09/857163-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich, naar aanleiding van een inbraak in de winkel van een van zijn zoons, schuldig gemaakt aan diverse ernstige strafbare feiten. Hij heeft allereerst vanuit het niets samen met twee zoons een vermeende dader van deze inbraak tegen zijn gezicht geschopt en geslagen, en vervolgens heeft hij deze jongen met een mes in zijn bovenlichaam gestoken. Door aldus te handelen heeft de verdachte blijk gegeven van een volstrekt gebrek aan respect voor de gezondheid en het leven van een ander. Dat het slachtoffer niet is komen te overlijden, is een omstandigheid die niet aan de verdachte te danken is. Dit alles heeft zich bovendien afgespeeld op straat ten overstaan van omstanders. Ook bij hen zal dit gevoelens van onveiligheid hebben opgeroepen.

Op dezelfde dag heeft de verdachte samen met zijn zoons een andere jongen, die door hen ook werd verdacht van de winkelinbraak, van zijn vrijheid beroofd en afgeperst. Daarbij is niet alleen gedreigd met geweld (onder meer met een vuurwapen of een daarop gelijkend voorwerp), maar er is ook daadwerkelijk geweld gebruikt: het slachtoffer is in zijn gezicht geslagen en is bij de ballen gegrepen. In de weken hierna heeft de verdachte samen met twee zoons ook nog een jonge vrouw, de zus van een derde vermeende inbreker, afgeperst. Uit angst heeft deze vrouw uiteindelijk € 500,00 afgegeven. De verdachte heeft een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van de slachtoffers en heeft er blijk van gegeven geen respect te hebben voor de eigendommen van anderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 09/857163-16

Datum uitspraak: 31 augustus 2016

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1967 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

BRP-adres: [adres] ,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting “Alphen aan den Rijn”, locatie Maatschapslaan te Alphen aan den Rijn.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 1 juli 2016 (pro forma) en 17 augustus 2016 (inhoudelijk).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. C.A.M. Eijgenraam en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. J. Verschuren, advocaat te Den Haag, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting van 17 augustus 2016 - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 25 februari 2016 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven opzettelijk met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp meermalen, althans één maal heeft gestoken in het (boven)lichaam van die [slachtoffer] (waardoor onder meer de lever en/of een long en/of het middenrif en/of de borstholte (met bloedverlies in de borstholte tot gevolg) van die [slachtoffer] werd(en) geraakt), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 25 februari 2016 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, op of aan de openbare weg, te weten de [adres] , in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] , welk geweld bestond uit het:

- geven van een (of meer) (vuist)slag(en) tegen het gezicht en/of het lichaam van die [slachtoffer] en/of

- één maal of meermalen schoppen tegen het gezicht en/of het lichaam van die [slachtoffer] en/of

- geven van één of meer kopsto(o)t(en) tegen (het hoofd van) die [slachtoffer] ;

3.

hij op of omstreeks 25 februari 2016 te 's-Gravenhage en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon, genaamd [aangever 1] , wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd heeft gehouden, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s):

- die [aangever 1] (achter)in een (twee deurs)auto laten stappen en/of

- ( vervolgens) met die auto met daarin die [aangever 1] rondgereden en/of

- die [aangever 1] in die auto bedreigd en/of geslagen en/of een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, getoond en/of

- ( vervolgens) die [aangever 1] meegenomen naar een pand (gelegen aan de [adres] te 's-Gravenhage) en/of

- ( vervolgens) die [aangever 1] (vast)gehouden in een pand (gelegen aan de [adres] te 's-Gravenhage) en/of

- ( vervolgens) die [aangever 1] in dat pand geslagen en/of gestompt en/of getrapt en/of (opnieuw) een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, getoond en/of

- die [aangever 1] (nogmaals) (achter)in een (twee deurs)auto laten stappen en/of met die [aangever 1] rondgereden;

4.

hij op of omstreeks 25 februari 2016, te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een of meer geldbedrag(en), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 1] en/of ' [aangever 2] ' en/of ' [aangever 3] ' in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s):

- die [aangever 1] wederrechtelijk van zijn vrijheid heeft/hebben beroofd en/of gehouden en/of

- ( vervolgens) tegen die [aangever 1] heeft/hebben gezegd dat hij aan hem/hun en/of zijn mededader(s) geld moest betalen en/of

- die [aangever 1] heeft/hebben mishandeld door hem (meermalen) te slaan en/of te stompen en/of

- dreigend tegen die [aangever 1] heeft/hebben gezegd: "Als je niet betaalt, gaat er voor elke duizend euro een vinger van je af", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- die [aangever 1] een vuurwapen heeft/hebben getoond (toen die [aangever 1] zich op de achterbank van een tweedeurs auto bevond) en/of

- ( op een ander moment) bij die [aangever 1] - de loop van - een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, in diens mond heeft/hebben gestopt en/of

- die [aangever 1] een mes heeft/hebben getoond en/of

- die [aangever 1] onder druk heeft/hebben gezet om (een) ander(en) te bellen om geld te regelen en/of

- ( dreigend) tegen die [aangever 1] heeft/hebben gezegd: "Ik heb een garage. Ik ga je daar laten zitten, net zo lang totdat ik het geld heb.", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- die [aangever 1] heeft/hebben beetgepakt bij en/of heeft/hebben getrokken aan diens ballen waardoor die [aangever 1] en/of die ' [aangever 2] ' en/of die ' [aangever 3] ' en/of (een) ander(en) werd(en) bewogen tot bovengenoemde afgifte(n);

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

(als eerste alternatief/cumulatief van het subsidiair tenlastegelegde)

hij op of omstreeks 25 februari 2016 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon (te weten [aangever 1] ) (meermalen) op/tegen het lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of getrapt, waardoor voornoemde [aangever 1] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

en/of (als tweede alternatief/cumulatief van het subsidiair tenlastegelegde)

hij op of omstreeks 25 februari 2016 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een persoon genaamd [aangever 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het

leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk:

- dreigend een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan die [aangever 1] getoond en/of

- ( de loop van) dat vuurwapen, althans (de loop van) dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp, in de mond van die [aangever 1] gestopt en/of

- die [aangever 1] een mes getoond en/of

- ( dreigend) tegen die [aangever 1] gezegd dat voor elke duizend euro er een vinger van zijn hand afgehakt zou gaan worden, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

5.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 25 februari 2016 tot en met 24 maart 2016 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangeefster] en/of [aangever 5] heeft gedwongen tot de afgifte van een of meer geldbedrag(en), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangeefster] en/of die [aangever 5] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het mededelen aan [aangeefster] en/of [aangever 5] dat:

- haar broer/haar zoon zijnde [aangever 4] door verdachte en/of zijn mededader(s) werd verdacht van het stelen van sigaretten en geld uit de winkel van verdachte en/of zijn mededader(s) en/of

- verdachte ( [verdachte] ) 10.000,- euro beloning gezet had op [aangever 4] en/of

- hij/ze [aangever 4] al had(den) gezocht maar dat hij hem/hen steeds was ontkomen en/of

- verdachte en/of zijn mededader(s)een andere vermeende medepleger van [aangever 4] al hadden ontvoerd en geslagen en dat nog een andere vermeende medepleger van [aangever 4] nu in het ziekenhuis lag en/of

- [aangever 4] hen/hem 3.000,- moest betalen (ter vergoeding van de schade van de diefstal van de sigaretten en/of het geld uit de winkel) en/of

- hij en/of zijn mededader(s) [aangever 4] dood wens(t)/(en) en dat hij/zij [aangever 4] moet(en) pakken van hun vader en daar naar luisteren en/of

- hij/zij alles weet/ weten over A. [aangeefster] en [aangever 4] en dat als hij/zij [aangever 4] te pakken krijgt/krijgen dat hij (zijnde [aangever 4] ) dan een zak over zijn hoofd krijgt en/of dat hij dan in een kofferbak wordt gestopt en/of dat hij ergens zal worden gebracht en dat ze niet weten hoe dat zal eindigen en/of

- [aangever 4] gewoon dood moet.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

De verdachte wordt ervan verdacht dat hij op 25 februari 2016 te Den Haag [slachtoffer] met een mes in zijn bovenlichaam heeft gestoken en dat hij samen met anderen [slachtoffer] tegen zijn gezicht en lichaam heeft gestompt en geschopt en hem een kopstoot heeft gegeven. Deze handelingen zijn ten laste gelegd als poging tot doodslag op (feit 1) en het openlijk in vereniging geweld plegen tegen [slachtoffer] (feit 2). Daarnaast wordt de verdachte ervan verdacht dat hij diezelfde dag samen met anderen [aangever 1] wederrechtelijk van zijn vrijheid heeft beroofd (feit 3) en heeft afgeperst (feit 4 primair) dan wel heeft mishandeld en/of bedreigd (feit 4 subsidiair). Tot slot wordt de verdachte ervan verdacht dat hij zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan afpersing van [aangeefster] en [aangever 5] (feit 5).

De verdachte wordt een viertal feiten verweten met als pleegdatum 25 februari 2016. Om herhalingen te voorkomen zal de rechtbank deze feiten hieronder gezamenlijk bespreken. Nu de verdachte en zijn medeverdachten familie van elkaar zijn, dezelfde achternaam hebben en er bij een aantal verdachten ook sprake is van dezelfde voorletters, zal de rechtbank de verdachten voor de leesbaarheid aanduiden met hun voornaam.

3.2

Feit 1, 2, 3 en 4

3.2.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1, 2, 3 en 4 primair ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

3.2.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van de ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken wegens onvoldoende overtuigend en betrouwbaar bewijs. De raadsman heeft hiertoe onder meer aangevoerd dat de verklaringen van de aangever [slachtoffer] onbetrouwbaar zijn en derhalve van het bewijs dienen te worden uitgesloten. De raadsman heeft in het verlengde hiervan eveneens verzocht de resultaten van de zogenoemde FOSLO-confrontatie wegens (groot gevaar van) onbetrouwbaarheid uit te sluiten van het bewijs. Specifiek ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman aangevoerd dat er te veel twijfels zijn over wie er heeft gestoken. De raadsman heeft voorts betoogd dat ook de verklaringen van [aangever 1] en [medeverdachte 3] van het bewijs dienen te worden uitgesloten vanwege grote onbetrouwbaarheid door discrepanties in de verklaringen en groot gevaar voor onderlinge besmetting van de verklaringen en beïnvloeding door de verhorende verbalisanten. [aangever 1] heeft inconsistent verklaard en zijn verklaring vindt geen steun in objectieve bewijsmiddelen, in elk geval niet voor wat het gebruikte geweld betreft. De verklaring van [medeverdachte 3] voldoet niet aan de eisen die gesteld mogen worden aan een getuigenverklaring.

3.2.4

De beoordeling van de tenlastelegging1

De verklaringen van de aangevers [aangever 1] en [slachtoffer]

De aangever [aangever 1] (geboren in 1995) heeft tweemaal een verklaring afgelegd over de gebeurtenissen op 25 februari 2016. Hij heeft verklaard dat hij op 25 februari 2016 werd gebeld door [betrokkene 1] en dat ze hadden afgesproken bij het Puntpark in Molenwijk. Hij zou daar naartoe gaan om wat te drinken met [betrokkene 1] en een andere jongen, genaamd [betrokkene 2] . Hij kent [betrokkene 2] via [betrokkene 1] en [betrokkene 2] rijdt in een Renault Clio. Toen hij bij het Puntpark aankwam zag hij die auto staan. Daarin zat een Marokkaanse jongen, van wie hij weet dat hij [medeverdachte 3] heet. [betrokkene 1] zat achter in de auto. [medeverdachte 4] zat achter het stuur; hij stelde zich met deze (voor)naam voor. [aangever 1] ging naast [betrokkene 1] zitten en de auto reed weg. Na ongeveer 15 of 20 meter stopte de auto en moest [betrokkene 1] uitstappen. Nadat [betrokkene 1] was uitgestapt, kwam er een Turkse jongen bij de auto. [medeverdachte 3] ging naast [aangever 1] zitten en de Turkse jongen ging op de bijrijdersstoel zitten. Het was het broertje van [medeverdachte 4] , hij zei namelijk: ‘Wij zijn twee broers van elkaar’. Het broertje laadde een wapen en richtte dit op [aangever 1] . Hierop werd hij beschuldigd van diefstal van sigaretten. Toen [aangever 1] zei dat hij niet wist waarover hij, het broertje, het had, kreeg hij een klap in zijn gezicht. Ze vroegen of hij geld bij zich had en onder bedreiging van het pistool heeft hij ongeveer 300 euro afgegeven aan de broer van [medeverdachte 4] . Ze reden rond in Den Haag, waarbij er een donkerblauwe Ford Focus achter hen reed. Deze was er ook al bij toen de broer van [medeverdachte 4] instapte. Via een omweg reden zij naar de [adres] naar de zaak ‘ [winkel] ’, die nu [winkel] heet. Via het poortje met het hek kwamen ze op een terrein achter de zaak. [aangever 1] kon niet weg, want hij zat achterin de tweedeursauto en het broertje van [medeverdachte 4] had een pistool. Via de achteringang van de zaak werd hij meegenomen naar een soort kantoortje met een bureau en een bankstel. Toen ze binnenkwamen riepen [medeverdachte 4] en zijn broertje direct hun vader, die in de zaak aanwezig was. Er was ook een vrouw die bang was en de zaak wilde sluiten. De vader had kort stekelig grijs haar en was rond de 50 jaar oud. [aangever 1] zat op de bank toen de vader het kantoortje binnenkwam. Ze beschuldigden hem opnieuw van de diefstal. [medeverdachte 4] gaf hem toen klappen in zijn gezicht, waardoor hij een zwelling in zijn gezicht had opgelopen. Toen kwam de vader naar hem toe. Hij pakte een mes en klapte dit open. De vader kwam voor hem staan en zei: ‘Als je niet betaalt, gaat er voor elke duizend euro een vinger van je af.’ [aangever 1] bleef ontkennen, waarop de vader hem met een platte hand een klap in zijn gezicht gaf. Hierop pakte de vader hem bij zijn ballen, waardoor hij pijn voelde. Toen gaf [medeverdachte 4] hem ook een klap en ook zijn broertje en een neef gaven hem klappen en trappen. Toen pakte het broertje van [medeverdachte 4] het pistool weer en gaf het aan [medeverdachte 4] . [medeverdachte 4] stopte het pistool in zijn mond en zei ‘je gaat 3300 euro betalen’. Toen [aangever 1] zei dat hij geen geld had, zei de vader: ‘Ik heb een garage. Ik ga je daar laten zitten, net zo lang tot ik het geld heb’. Ook zei de vader dat hij naar de vader en moeder van [aangever 1] zou gaan om het geld te regelen. Omdat [aangever 1] bang was dat zijn vader en moeder iets zou worden aangedaan, heeft hij zijn vriend [aangever 3] (of [aangever 2] ) gebeld. [aangever 3] zou hem 500 euro lenen en het komen brengen bij de Paleistuin. Vanaf ‘ [winkel] ’ (de rechtbank begrijpt daar waar ‘ [winkel] ’ wordt genoemd steeds ‘ [winkel] ’) ging hij daar met de Renault naartoe. Hij moest in de auto stappen, samen met [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en de vader. [medeverdachte 4] reed, [medeverdachte 3] zat naast hem achterin en de vader zat op de passagiersstoel. Ook nu reed de Ford Focus achter hen aan. In die auto zaten in elk geval ook nog twee neven, aldus [aangever 1] . De bestuurder van de auto was een wat jongere man van in de twintig. Hij had donker gedekt haar, was vrij lang, had een smal gezicht en geen gezichtsbeharing. Deze man heeft hem niet geslagen. De andere neef was iets ouder, ergens in de dertig, had zwart/grijs haar en was wat kalend. Bij de Paleistuin ontmoetten zij [aangever 3] . [aangever 1] moest in de auto blijven zitten en [medeverdachte 3] en de vader van [medeverdachte 4] stapten uit en spraken met [aangever 3] . [medeverdachte 4] bleef bij hem in de auto. [aangever 3] heeft toen 500 euro aan de vader van [medeverdachte 4] gegeven. De vader van [medeverdachte 4] zei toen tegen [aangever 1] dat hij nog meer geld moest betalen, waarop [aangever 1] een andere vriend heeft gebeld. Van hem kon [aangever 1] 750 euro lenen en zij zouden afspreken bij ‘ [winkel] ’ De vader van [medeverdachte 4] is daarna in de Ford Focus gestapt. Zij reden weer terug naar ‘De Wereld’ en reden over de [adres] . [aangever 1] zat samen met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] in de auto.

Op de [adres] wees [medeverdachte 3] naar de Volkswagen Caddy die vlakbij [supermarkt] geparkeerd stond. Dit was de auto van [slachtoffer] (de rechtbank begrijpt [slachtoffer] ), die daar liep. [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] stapten uit. [medeverdachte 4] riep [slachtoffer] en [slachtoffer] kwam naar de auto toe. Toen hij bij de auto kwam werd [medeverdachte 4] wat hardhandig. Hij gaf [slachtoffer] onder andere een vuist. [slachtoffer] verdedigde zich door [medeverdachte 4] ook een vuist te geven. Toen [slachtoffer] [medeverdachte 4] die klap terug gaf, kwamen de vader en de twee neven uit de Ford Focus en begonnen zij [slachtoffer] te slaan en te schoppen. [aangever 1] zag dat [slachtoffer] allemaal klappen kreeg. Hij zag ook dat iemand op een gegeven moment een soort stekende beweging maakte. [slachtoffer] is weggerend. [medeverdachte 4] en de oudere neef stapten in de Renault, [medeverdachte 4] reed. Ze reden de straat bij [supermarkt] in en vervolgens de eerste straat rechts. Vlak voor de kruising met de [adres] stopte [medeverdachte 4] en stapte hij uit. De oudere neef reed naar de zaak ‘ [winkel] ’. Kort daarop kwam ook de Ford Focus daar weer aan. [aangever 1] kreeg zijn eerder afgenomen legitimatiebewijs terug van de jongere neef uit de Ford Focus. Daarna is hij met [betrokkene 1] en [betrokkene 2] weggereden.2

Van de hem getoonde foto’s heeft [aangever 1] [medeverdachte 4] en [verdachte] herkend.3

De aangever [slachtoffer] heeft meermalen een verklaring afgelegd over de gebeurtenissen op 25 februari 2016. Hij heeft verklaard dat hij op 25 februari 2016 tussen 17:00 en 18:00 uur zijn Volkswagen Caddy had geparkeerd ter hoogte van de [supermarkt] aan de [adres] . Hij was samen met [getuige 1] . Hij liep naar de supermarkt en zag vervolgens een kleine blauwe Renault Clio aan komen rijden. Hij hoorde zijn voornaam en liep op de personen af die buiten de auto stonden. Hij zag een mollige jongen met een kort/licht baardje. Deze man zei gelijk dat hij hem al zijn geld moest geven en gaf hem een vuist in zijn gezicht. Uit reactie duwde hij hem weg en ze vielen allebei op de grond. Van anderen heeft hij gehoord dat deze jongen “ [medeverdachte 4] ” (fonetisch) heette. “ [medeverdachte 4] ” heeft nog een dikkere en grotere broer, maar die zag hij daar niet. Toen hij wilde opstaan zag hij vijf andere mannen. Hij zag een man met zwart witte haren (bijna kaal) met een mes op hem af komen lopen. Na de eerste steek zag hij dat deze man hem vaker wilde steken en hem wilde doodmaken. Hij kon wegkomen en is naar de supermarkt toegerend. De man die hem neerstak zei dat hij een dief was. [slachtoffer] heeft het volgende signalement van deze man gegeven: een beetje bruin gezicht, onverzorgde tanden, bijna kaal hoofd, zwart/wit haar met inhammen, lichte baardgroei, sportief type, ongeveer 1.80 meter en hij sprak Turks.4

Van de hem getoonde foto’s heeft [slachtoffer] [aangever 1] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] herkend. [medeverdachte 4] sprak hem als eerste aan, [medeverdachte 3] zat als bijrijder in de auto en [aangever 1] zat achterin de auto.5

Op 30 maart 2016 heeft een sequentiële fotobewijsconfrontatie (een zogenaamde FOSLO-confrontatie) met [slachtoffer] plaatsgevonden. Hij heeft twaalf foto’s gezien, waarbij hij na afloop aangaf dat de persoon op foto 8 hem heeft gestoken. De foto van [verdachte] stond in de selectie op plaats 8. Voorts heeft hij verklaard dat hij dat gezicht niet meer vergeet en nog steeds het beeld voor zich heeft dat deze persoon hem stak en achter hem aanrende om het af te maken.6

Op 6 april 2016 heeft nogmaals een FOSLO-confrontatie met [slachtoffer] plaatsgevonden. Hij heeft tien foto’s gezien, waarbij hij na afloop aangaf dat hij de persoon op foto 6 herkende als een van de personen die erbij waren op het moment dat hij werd gestoken. De foto van [medeverdachte 2] stond in de selectie op plaats 6. Voorts heeft hij verklaard dat hij door alle jongens die daar waren is mishandeld. Hij heeft van iedereen wel een klap gekregen. Alle vier de personen die daar stonden, trapten tegen zijn hoofd.7

Letsel van [slachtoffer]

Het letsel van [slachtoffer] bestond uit een relatief smalle steekwond rechts in de bovenbuik van ten minste 1.5 cm lang en 0.2 cm breed. In relatie met dit huidletsel was er een bloedende verwonding aan de voor- en bovenzijde van de lever van circa 8 cm en een letsel van het middenrif, met daaraan gerelateerd bloedverlies in de rechterborstholte. De steekwond wordt door de forensisch arts gekwalificeerd als levensbedreigend. De kans op de dood door een steek met een mes in de buik, zoals werd vastgesteld bij [slachtoffer] , is aanmerkelijk. Er is een spoedoperatie uitgevoerd waarbij de buikholte werd geopend en het letsel van de lever en van het middenrif werd overhecht.8

In de geneeskundige verklaring van de behandelend arts van [slachtoffer] wordt naast de steekverwonding aan de voorzijde van het lichaam vermeld dat er bloeduitstortingen in het gezicht zijn waargenomen.9

De verklaringen van de getuigen/medeverdachten

Op 2 maart 2016 heeft [getuige 1] een verklaring afgelegd. Hij heeft verklaard dat hij zich op 25 februari 2016 tussen 17:00 en 18:00 uur met zijn vriend [slachtoffer] , die hij “ [slachtoffer] ” noemt, op de [adres] te Den Haag bevond. Oer is toen uitgestapt en wilde wat te drinken halen bij de [supermarkt] . Er waren kort daarvoor een blauwe Renault Clio en een donkerblauwe Ford Focus gestopt. De bestuurder van de Renault Clio was een jongen die ze [medeverdachte 4] noemen en de bijrijder was een jongen met krullend haar. [slachtoffer] werd geroepen door [medeverdachte 4] , waarop [slachtoffer] naar hem toe liep. [getuige 1] zag dat [medeverdachte 4] met [slachtoffer] begon te vechten, waarbij [slachtoffer] op de grond kwam te liggen. Het begon tussen [slachtoffer] en [medeverdachte 4] , maar vrijwel direct kwamen er minimaal drie of vier mannen bij. Die kwamen uit de Ford Focus en kwamen ook bij [slachtoffer] en [medeverdachte 4] staan. Eén van de mannen uit de Ford Focus had kort geschoren grijs haar en was een beetje kalend, had inhammen en was tussen de 40 en 50 jaar oud. [getuige 1] heeft gehoord dat dit de vader van [medeverdachte 4] is. Er zat ook nog een dikke Turk met een baard van enkele weken in de Ford Focus, hij was rond de 40 à 45 jaar oud, had een bierbuik, was ook kalend en had donker haar. Er was nog een man uit de Ford Focus gestapt. [getuige 1] denkt dat het een broertje van [medeverdachte 4] is, want hij lijkt sprekend op [medeverdachte 4] . Hij heeft opgeschoren haar. [medeverdachte 4] , zijn broertje en de vader van [medeverdachte 4] begonnen met [slachtoffer] te vechten. [slachtoffer] lag op de grond en werd door de mannen geslagen en geschopt. Hij zag dat de vader van [medeverdachte 4] een mes in zijn handen hield. Hij heeft niet gezien of de vader [slachtoffer] heeft gestoken. Op een gegeven moment zag hij [slachtoffer] naar [supermarkt] rennen. Hij liep naar [slachtoffer] toe, zag een groot gat en hoorde dat [slachtoffer] zei: “Ik ga dood.” De Renault Clio en de Ford Focus reden weg, vanaf de [adres] in.10

Op 30 maart 2016 heeft [aangever 4] een verklaring afgelegd. Hij heeft verklaard dat hij door [aangever 1] , de jongen die is ontvoerd, is gebeld en dat hij naar hem toe is gegaan. Hij heeft gezien dat de rechterkant van zijn gezicht helemaal opgezwollen was en dat hij een klein sneetje bij zijn oog had, boven zijn wenkbrauw.11

Op 29 juli 2016 heeft [getuige 2] een verklaring afgelegd. Hij heeft verklaard dat hij heeft gezien dat [aangever 1] een opgeblazen kop had.12

[getuige 3] heeft tweemaal een verklaring afgelegd. Zij heeft verklaard dat zij in de [winkel] werkt en [medeverdachte 1] de eigenaar is. Zij weet dat er sigaretten waren gestolen bij een inbraak, dat er een ruit was ingegooid en dat er iemand was neergestoken. Op 25 februari 2016 was zij vanaf 16:00 uur aan het werk. Ongeveer 10 minuten later zei de vader dat zij de winkel moest sluiten. De vader zei dat ze de persoon hadden die de tip had gegeven dat de sigaretten in de keuken lagen. Die zat achterin, in het kantoor, en daar moest mee worden gesproken. De vader had een ijzeren stick in zijn handen vast. [getuige 3] was bang en moest huilen en heeft de winkel gesloten. [medeverdachte 1] , zijn twee broers, zijn neef en een aantal Marokkaanse jongens waren er ook. De jongste broer heeft donker haar en is de allerdunste van de drie broers. De middelste broer is het kortste van hen en ook een beetje steviger. De neef was kort, een beetje dik en kalend, minstens 30 jaar oud en had een bierbuik. [medeverdachte 1] zei dat zij niet bang hoefde te zijn en de winkel gewoon weer kon openen. Oktay zei dat ze achter in de winkel met hem aan het praten waren. [getuige 3] heeft met opzet de radio harder gezet, zodat zij niet zou horen wat er in het kantoor gebeurde. [medeverdachte 1] , de vader en één van de broers hebben lang in het kantoor gezeten, aldus [getuige 3] . Zij denkt ongeveer twee uur. De rest zat in het achterste gedeelte van de winkel en in de winkel zelf. De persoon die kennelijk de tip heeft gegeven, heeft zij niet gezien; hij was via het hek naast de winkel met de auto naar de parkeerplaats gebracht en door de achterdeur naar binnen gekomen. Rond 18:00 uur rende iedereen ineens de winkel en het kantoor uit. Zij hoorde auto’s wegrijden vanuit het hek naast de winkeldeur.

Zij heeft op de haar getoonde foto’s [medeverdachte 1] herkend, [verdachte] herkend als de vader, [medeverdachte 4] als de middelste broer, [medeverdachte 2] als de jongste broer en Okan als de neef. In het kantoortje waren [medeverdachte 1] , zijn vader en de middelste broer. Buiten het kantoor hingen twee Marokkanen, de neef en die jongste broer.13

[medeverdachte 3] heeft tweemaal een verklaring afgelegd. Hij heeft verklaard dat hij op 25 februari 2016 was vrijgekomen en naar de [winkel] ging. Daar was een Turkse meneer, een vader. Deze vader zei dat er mensen waren die zeiden dat hij bij hen had ingebroken. [medeverdachte 3] ontkende, want hij had vastgezeten. Toen belden ze met [aangever 4] , die zei dat ze [aangever 1] (de rechtbank begrijpt de aangever [aangever 1] ) moesten hebben. Hij heeft toen het nummer van [aangever 1] aan de familie [verdachte] gegeven, maar [betrokkene 1] heeft hem gebeld. Toen zijn ze naar het Puntplein gegaan. [aangever 1] wist niet dat [medeverdachte 3] ook zou komen. [aangever 1] stapte in de auto en ging achterin naast hem zitten. [medeverdachte 1] ging met [aangever 1] praten en [medeverdachte 4] zat ook in de auto. [medeverdachte 1] zei dat ze naar hun winkel zouden rijden en rustig achterin de winkel in het kantoortje konden praten en dat zijn vader er dan ook bij was. In de auto is ook een wapen getoond. In de winkel zat de vader in het kantoortje. [aangever 1] heeft daar de inbraak bekend en heeft daar ook de namen genoemd van de anderen die er bij waren en gezegd dat de Caddy van [slachtoffer] was gebruikt. [aangever 1] kreeg klappen van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] had het wapen. Het wapen werd in zijn, [aangever 1] mond gedaan. [aangever 1] werd ook bij zijn ballen gepakt en er werd aan getrokken. Toen zei [aangever 1] dat hij een vriend zou bellen en geld zou regelen. [medeverdachte 3] was met [aangever 1] meegegaan in de auto. Ze gingen naar een vriend van hem en hebben daar geld gekregen. Hij reed in de Renault met [aangever 1] en [medeverdachte 4] . De vader zat achter hen in de andere auto. Toen zouden ze weer naar de [adres] gaan. Toevallig stond [slachtoffer] bij [supermarkt] . [aangever 1] zei: ‘dat is die Caddy’. [medeverdachte 4] stapte uit de auto en rende op [slachtoffer] af. [slachtoffer] en [medeverdachte 4] begonnen met elkaar te vechten. Toen [slachtoffer] op de grond lag, zag hij vier mensen uit een donkere auto achter hen stappen en hij zag een klein mesje. [slachtoffer] rende naar de [supermarkt] . Hij dacht dat [slachtoffer] alleen klappen had gekregen, maar toen zag hij dat hij was gestoken.14

Camerabeelden

Tijdens het onderzoek zijn camerabeelden van 25 februari 2016 bekeken. Deze camerabeelden zijn afkomstig van camera’s van het Team Technisch Toezicht en deze camera’s waren gericht op de [winkel] en op de [supermarkt] . Uit deze camerabeelden blijkt dat [winkel] om 16:14 uur werd gesloten door [getuige 3] . Verder blijkt dat er om 16:19 uur een Ford Focus met [kenteken] de poort naast [winkel] binnen kwam rijden. Om 16:24 uur kwam er een Renault Clio met kenteken [kenteken] de poort binnenrijden. Om 16:27 uur werd [winkel] geopend. Om 17:14 uur reden de Renault Clio en de Ford Focus achter elkaar de poort uit. Om 18:05 is [slachtoffer] te zien die achterna werd gezeten door een man met iets in zijn hand en dat hij de [supermarkt] invluchtte, waarop de andere man samen met een andere man wegliep. Vervolgens is te zien dat er een Renault Clio en een Ford Focus voor [supermarkt] langsreden, de [adres] inreden en rechtsaf sloegen richting de [adres] . Om 18:07 uur kwam de Renault Clio aan bij [winkel] en reed de poort naast de winkel binnen. Om 18:07 uur kwam een man aanrennen, die de winkel binnengaat. Deze man is door [slachtoffer] herkend als [medeverdachte 4] (p. 156 t/m 158, met bijlage (p. 160 en 161)). Om 18:08 uur kwam de Ford Focus aanrijden en ging de poort naast [winkel] binnen. Om 18:10 uur kwamen twee mannen aanlopen die de winkel [winkel] inliepen. Vervolgens liepen er verschillende personen de winkel en de poort in en uit en om 18:14 reden de Ford Focus en de Renault Clio achter elkaar de poort uit.15

Overige bevindingen

Op 19 februari 2016 heeft [aangever 6] aangifte gedaan van diefstal van sigaretten ter waarde van € 18.000,00 uit de [winkel] aan de [adres] , gepleegd in de periode 18 tot en met 19 februari 2016.16

[medeverdachte 1] heeft op 24 februari 2016 tegen de wijkagent gezegd dat zij een beloning van € 10.000,00 hadden uitgeloofd voor degene die de gouden tip zou geven die naar de dader zou leiden.17 Op 26 februari 2016 heeft [medeverdachte 1] tegen de wijkagent gezegd dat hij “ [aangever 1] ” (fonetisch) inmiddels had gesproken en dat hij op het identiteitsbewijs van “ [aangever 1] ” had gezien dat hij uit het geboortejaar 1995 komt.18

Op 25 februari 2016 omstreeks 18.06 uur kwam er bij de meldkamer van de politie een melding binnen. Door de melder werd verteld dat er iemand werd ontvoerd door een paar Turkse mannen met de naam [verdachte] , eigenaren van zaak ‘ [winkel] ’, en dat ze met die jongen rondreden in een blauwe Clio in de omgeving van de [adres] .19

Op 12 maart 2016 te 13:57:00 vond er een telefoongesprek plaats tussen [verdachte] en een man genaamd [medeverdachte 4] , volgens de politie een broer van de moeder van [getuige 1] . Hierin werd gesproken over de betrokkenheid van [getuige 1] bij de inbraak in de sigarenzaak en dat er een vergoeding moest worden betaald. [medeverdachte 1] nam op een gegeven moment het gesprek van [verdachte] over en zei dat hij een jongen heeft gesproken die bij de inbraak betrokken is geweest. Ook zei hij dat er een jongen stoer ging doen en dat daar een incident uit is gekomen. [medeverdachte 1] zei eveneens dat hij die jongen te pakken heeft gekregen en dat die jongen toen heeft toegegeven dat hij de inbraak heeft gepleegd en wie daar nog meer bij betrokken waren.20

De historische gegevens van de telefoon die volgens de verbalisanten van [medeverdachte 2] is, zijn onderzocht. Hieruit blijkt dat deze telefoon op 25 februari 2016 tussen ongeveer 13:30 uur en 13:46 uur een mast heeft aangestraald waarvan het dekkingsgebied een groot gedeelte van de Molenwijk omvat. Tussen ongeveer 16:28 uur en 17:23 uur heeft de telefoon een mast aangestraald met een dekkingsgebied waarin de [adres] valt. Tussen ongeveer 17:26 uur en 17:58 uur heeft de telefoon een mast aangestraald met een dekkingsgebied waarin de Paleistuin valt. Ten slotte heeft de telefoon tussen ongeveer 18:03 uur en 18:14 uur een mast aangestraald waarvan het dekkingsgebied de [adres] en de [adres] omvat.21

De verklaring van de verdachte

De verdachte heeft ontkend de feiten te hebben gepleegd, heeft verklaard hier niets van af te weten dan wel heeft zich beroepen op zijn zwijgrecht.

Beoordeling verklaringen

De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de verklaringen van [slachtoffer] , [aangever 1] en [medeverdachte 3] . De rechtbank acht hun verklaringen betrouwbaar en verwerpt derhalve het verweer van de verdediging dat hun verklaringen van het bewijs zouden moeten worden uitgesloten. De rechtbank verwerpt eveneens het verweer van de verdediging dat de resultaten van de FOSLO-confrontatie van het bewijs zouden moeten worden uitgesloten. De rechtbank acht deze confrontatie, die volgens de juiste procedure is uitgevoerd, betrouwbaar.

In dit verband overweegt de rechtbank dat de door haar gebruikte verklaringen ten aanzien van de wezenlijke gebeurtenissen, en ook overigens op hoofdlijnen, overeenkomstig en consistent zijn. Zo verklaren allen over de diefstal van sigaretten als aanleiding, over de broers en de vader van de familie [verdachte] van de [winkel] aan de [adres] en over een steekpartij voor de [supermarkt] . Deze verklaringen vinden bovendien steun in het geconstateerde letsel bij [slachtoffer] , de beschikbare camerabeelden en de hierboven genoemde overige bevindingen.

Voorts heeft [slachtoffer] reeds in zijn eerste verklaring, die hij op 26 februari 2016 in de ochtend na zijn operatie heeft afgelegd, verklaard wat hem op 25 februari 2016 is overkomen en heeft hij hierin een duidelijk signalement gegeven van de persoon die hem zou hebben gestoken.

Dat [aangever 1] en [medeverdachte 3] pas later een verklaring hebben afgelegd, doet naar het oordeel van de rechtbank aan de betrouwbaarheid van hun verklaringen niets af. Ten aanzien van [aangever 1] geldt dat er reeds op 25 februari 2016 omstreeks 18.06 uur, toen [aangever 1] nog in de Renault zat, een melding van een ontvoering bij de politie is gedaan. Ten aanzien van [medeverdachte 3] overweegt de rechtbank dat [medeverdachte 3] in zijn verhoor, overigens niet als getuige maar als verdachte, door de verhoorders bepaalde informatie is voorgehouden, maar ook dat hij vervolgens details heeft gegeven die hem niet waren voorgehouden. Zo heeft hij bijvoorbeeld verklaard dat [aangever 1] bij zijn ballen zou zijn gepakt, dat niet hij maar [betrokkene 1] naar [aangever 1] had gebeld en over de bekentenis van [aangever 1] in het kantoortje van [winkel] waarbij hij de andere betrokkenen zou hebben genoemd. Dit laatste wordt weer bevestigd door het telefoongesprek van 12 maart 2016 tussen [verdachte] , [medeverdachte 1] en een oom van [getuige 1] . De verklaring van [aangever 1] wordt niet alleen bevestigd door de verklaringen van [getuige 3] , [medeverdachte 3] en [slachtoffer] , maar ook door de camerabeelden, de historische gegevens van de telefoon van [medeverdachte 2] met betrekking tot de gereden route en door de verklaringen van [aangever 4] en [getuige 2] over het door hen waargenomen letsel bij [aangever 1] .

Ten aanzien van de identiteit van de verdachten geldt dat er in de door de rechtbank gebruikte verklaringen namen zijn genoemd en dat daarbij is aangegeven dat het broers, een vader en neven betrof. Ook is specifiek verklaard over de [winkel] aan de [adres] . Bovendien zijn de verdachten op getoonde foto’s herkend en zijn [verdachte] en [medeverdachte 2] door [slachtoffer] bij een FOSLO-confrontatie aangewezen. Het is derhalve niet aannemelijk dat hier sprake is van enige vergissing.

Conclusie

De rechtbank stelt op grond van voornoemde bewijsmiddelen, waarnaar in de voetnoten is verwezen, het volgende vast:

  • -

    [aangever 1] is door [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] in de Renault Clio meegenomen naar [winkel] , waarbij hij in de auto is geslagen en hem een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, is getoond, waardoor hij geld heeft afgegeven.

  • -

    In het kantoor van de winkel is hij vervolgens door [verdachte] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] geslagen en bedreigd, bij zijn ballen gepakt en is bij hem een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, in zijn mond gestopt. [medeverdachte 2] stond hierbij buiten het kantoor.

  • -

    Hierop heeft [aangever 1] zijn vriend [aangever 3] gebeld om geld te lenen en zijn [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] en [verdachte] met [aangever 1] naar de Paleistuin gereden om het geld op te halen.

  • -

    Op de terugweg kwamen zij [slachtoffer] tegen en hebben [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] en [verdachte] hem tegen zijn gezicht geschopt en geslagen.

  • -

    [verdachte] heeft ten slotte [slachtoffer] nog met een mes gestoken.

  • -

    Vervolgens zijn ze allemaal teruggegaan naar [winkel] .

De rechtbank is van oordeel dat er ten aanzien van de wederrechtelijke vrijheidsberoving en de afpersing van [aangever 1] sprake is geweest van een gezamenlijk optreden van [verdachte] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] . Zij hebben allen een wezenlijke bijdrage geleverd door bij grote delen hiervan aanwezig te zijn, zij hebben allen geweld gepleegd gericht tegen [aangever 1] dan wel hem bedreigd met geweld, en zij hebben zich nimmer gedistantieerd van de geweldshandelingen van de anderen. Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat [verdachte] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] zo bewust en nauw hebben samengewerkt dat zij ten aanzien van de wederrechtelijke vrijheidsberoving en de afpersing van [aangever 1] kunnen worden aangemerkt als medepleger.

Uit het forensisch geneeskundig onderzoek leidt de rechtbank af dat door de wijze waarop Zöhrap [slachtoffer] heeft gestoken er een aanmerkelijke kans bestond dat [slachtoffer] als gevolg hiervan zou komen te overlijden. [verdachte] heeft door zijn handelwijze deze aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] ook bewust aanvaard. Aldus is sprake van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van dodelijk letsel en kan de poging tot doodslag op [slachtoffer] bewezen worden verklaard.

Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de hem onder 1, 2, 3 en 4 primair ten laste gelegde feiten.

3.3

Feit 5

3.3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 5 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden, waarbij de officier van justitie ten aanzien van de afpersing van [aangever 5] (partiële) vrijspraak heeft gevorderd.

3.3.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het onder 5 ten laste gelegde feit vrijgesproken dient te worden. Wat er is betaald, is niet onder dwang betaald maar als schadevergoeding voor de ruit. De verdediging heeft voorts verzocht behoedzaam om te gaan met de verklaringen van [aangeefster] en [aangever 5] , nu er pas na enkele weken aangifte is gedaan en [aangeefster] een vordering tot schadevergoeding heeft ingediend waardoor zij een geldelijk belang bij de aangifte heeft.

3.3.3

De beoordeling van de tenlastelegging

De verklaring van de [aangeefster]

Op 29 maart 2016 heeft [aangeefster] verklaard dat haar broer [aangever 4] werd verdacht van een inbraak en dat er mensen op zoek waren naar hem en een beloning hadden uitgeloofd van € 10.000,00. Zij is toen, een aantal dagen na het steekincident, met haar moeder [aangever 5] naar de winkel gegaan, waarvan zij via via hadden gehoord dat ze daar moesten zijn. Dit was een winkel vlakbij het ‘Keetje’ op de [adres] . De eigenaar was er op dat moment niet, maar zij werd later teruggebeld dat zij langs konden komen. Een dikke man met een litteken boven zijn wenkbrauw zei dat [aangever 4] samen met andere jongens bij hen had ingebroken en sigaretten had gestolen. Hij wilde die jongens hebben. Zijn vader had € 10.000,00 beloning op [aangever 4] gezet. Hij zei dat hij alles doet wat zijn vader hem vraagt. Hij had aan iedereen op de [adres] een beloning beloofd. Hij kreeg tips waar [aangever 4] was, maar elke keer dat ze er waren kon [aangever 4] wegkomen. Hij zei dat alle jongens € 3000,00 schade moesten betalen. [aangever 5] zei toen dat zij dat niet konden betalen. Toen noemde hij € 1000,00 per maand als aanbetaling. Hij zou hun, [aangeefster] en [aangever 5] , een week de tijd geven. Bij een had hij het al gepakt, een ander lag in het ziekenhuis en weer een ander had een rijke vader of rijke oom. Ze hadden een jongen gepakt, in de auto gezet, ontvoerd en geslagen. [aangeefster] heeft hem toen vast € 200,00 gegeven. Zij heeft nog een keer afgesproken. Het broertje van de man was er toen ook. Deze zei onder andere tegen haar moeder: “Sorry mevrouw, ik wens [aangever 4] gewoon de dood. Wij zijn iemand die gewoon naar onze vader luistert. Van hem moeten wij [aangever 4] gewoon pakken. Er zijn hier jongens gekomen en die hebben alles gezegd. Wij weten alles van jullie, waar jullie wonen, alles. Wij moeten hem gewoon hebben. Wij hebben zoveel geld, mijn vader gaat dan onbekende mensen geld geven. Als hij dan op straat loopt dan krijgt hij een zak over zijn hoofd. En dan wordt hij in een kofferbak gestopt en ergens gebracht. Ik weet niet hoe het dan zal eindigen”, aldus [aangeefster] . Hij heeft ook gezegd dat [aangever 4] gewoon dood moet. Toen zei die dikke man dat hij met zijn vader zou praten. Vervolgens heeft hij haar gebeld en zei hij dat zij € 500,00 per maand mochten betalen. De eerste keer heeft zij € 200,00 gegeven en de tweede keer € 300,00. Zij moest nog een andere keer komen. Toen was de vader er ook; die dikke zei dat het zijn vader was. De vader zei dat zij gewoon [aangever 4] moesten hebben.

[aangeefster] heeft verder verklaard dat zij bang was en echt wel de € 3000,00 wilde betalen. Zij wilde het wel lenen, zodat zij met rust zouden worden gelaten.22

Van de getoonde foto’s heeft [aangeefster] [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] en [verdachte] herkend. [medeverdachte 4] was degene die zei “hij moet gewoon dood”. [medeverdachte 1] was degene met wie zij onderhandeld had. [verdachte] was de vader die zei dat [aangever 4] moest komen.23

Verklaring [aangever 5] en overige bevindingen

Op 19 april 2016 is [aangever 5] als getuige gehoord. Zij heeft onder meer verklaard dat zij bang was dat [aangever 4] iets zou worden aangedaan. Er zou eerst betaald moeten worden en dan zou er niets gebeuren. Maar nadat er € 500,00 was betaald, wilden ze [aangever 4] nog steeds hebben, aldus [aangever 5] . Zij was gewoon bang.24

Uit onderzoek naar de telefoon van [medeverdachte 1] is gebleken dat hij op 6 maart 2016 een sms heeft ontvangen van [aangeefster] met de tekst: “Hey, hallo. Ben de zus van [aangever 4] . Ik kom morgen overige geld brengen in sha Allah. Vandaag lukt mij niet wegens werk. Groet Ahlam.”25

Op 12 maart 2016 te 14:13:01 uur vond er een telefoongesprek plaats tussen [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] , waarin [medeverdachte 1] zegt dat hij de zus van [aangever 4] heeft geroepen en dat ze om half vijf komt om te praten, dat hij tegen haar heeft gezegd dat zij met haar broer moest gaan praten, dat hij dan hun schuld zal wegstrepen en dat haar broer moet zeggen ‘ja, we hebben het met z’n vieren gedaan’.26

Op 12 april 2016 heeft [medeverdachte 1] verklaard dat A. [aangeefster] en haar moeder inderdaad naar de zaak waren gekomen en dat zij in het kantoor zijn gaan zitten. Volgens hem hebben ze € 400,00 betaald.27

De verklaring van de verdachte

De verdachte heeft zich beroepen op zijn zwijgrecht.

Conclusie

De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van [aangeefster] , nu deze op meerdere onderdelen wordt ondersteund door de overige bewijsmiddelen. Zowel [aangeefster] als [medeverdachte 1] heeft verklaard dat zij en haar moeder in de winkel zijn geweest en dat [medeverdachte 1] geld wilde hebben. [aangeefster] heeft [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] en [verdachte] herkend en [medeverdachte 1] heeft verklaard dat er geld zou zijn betaald. Het gesprek en de schuld van [aangeefster] aan Oktay vinden bovendien bevestiging in het telefoongesprek tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] en de sms van [aangeefster] aan [medeverdachte 1] . Dat het gesprek bedreigend is geweest, volgt naar het oordeel van de rechtbank uit de verklaringen van [aangeefster] en [aangever 5] . De bedreigingen naar [aangever 4] zijn bovendien gedaan in combinatie met het noemen van reeds uitgevoerde handelingen tegenover de mededaders van de diefstal. Deze handelingen zijn hierboven reeds uitvoerig besproken en hebben daadwerkelijk plaatsgevonden. Tegen die achtergrond acht de rechtbank aannemelijk dat de betalingen door [aangeefster] en de vermeende schuld geen betrekking hadden op de door [aangever 4] vernielde ruit, maar wel op de schade als gevolg van de diefstal.

De rechtbank is van oordeel dat er ten aanzien van de afpersing van [aangeefster] sprake is geweest van een gezamenlijk optreden van [verdachte] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] . Zij hebben allen een wezenlijke bijdrage geleverd door een of meerdere keren aanwezig te zijn en zij hebben allen met geweld tegen [aangever 4] gedreigd. Bovendien volgt uit de verklaring van [aangeefster] dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] handelden in opdracht van hun vader, [verdachte] , en met hem overlegden. Gelet hierop - en gelet op de samenhang met hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen ten aanzien van de feiten op 25 februari 2016 en de rol van de verdachten en hun onderlinge samenwerking hierbij - stelt de rechtbank vast dat [verdachte] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] zo bewust en nauw hebben samengewerkt dat zij ten aanzien van de afpersing van [aangeefster] kunnen worden aangemerkt als medepleger.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het onder 5 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. De rechtbank zal, in lijn met het standpunt van de officier van justitie, de verdachte vrijspreken van de afpersing van [aangever 5] .

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van de verdachte bewezen dat:

1.

hij op 25 februari 2016 te 's-Gravenhage, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, opzettelijk met een mes heeft gestoken in het bovenlichaam van die [slachtoffer] (waardoor onder meer de lever en het middenrif van die [slachtoffer] werden geraakt, met bloedverlies in de borstholte tot gevolg), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 25 februari 2016 te 's-Gravenhage op de openbare weg, te weten de [adres] , openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] , welk geweld bestond uit het:

- geven van (vuist)slagen tegen het gezicht van die [slachtoffer] en

- schoppen tegen het gezicht van die [slachtoffer] ;

3.

hij op 25 februari 2016 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een persoon, genaamd [aangever 1] , wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededaders:

- die [aangever 1] achterin een tweedeursauto laten stappen en

- vervolgens met die auto met daarin die [aangever 1] rondgereden en

- die [aangever 1] in die auto bedreigd en geslagen en een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, getoond en

- vervolgens die [aangever 1] meegenomen naar een pand (gelegen aan de [adres] te 's-Gravenhage) en

- vervolgens die [aangever 1] vastgehouden in een pand (gelegen aan de [adres] te 's-Gravenhage) en

- vervolgens die [aangever 1] in dat pand geslagen en gestompt en getrapt en opnieuw een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, getoond en

- die [aangever 1] nogmaals achterin een tweedeursauto laten stappen en met die [aangever 1] rondgereden;

4 ( primair).

hij op 25 februari 2016, te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [aangever 1] heeft gedwongen tot de (middellijke) afgifte van (geleende) geldbedragen, toebehorende aan [aangever 1] en/of ' [aangever 2] ' of ' [aangever 3] ', welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en/of een of meer van zijn mededaders:

- die [aangever 1] wederrechtelijk van zijn vrijheid hebben beroofd en beroofd gehouden en

- vervolgens tegen die [aangever 1] heeft/hebben gezegd dat hij aan hem/hen geld moest betalen en

- die [aangever 1] hebben mishandeld door hem meermalen te slaan en te stompen en

- dreigend tegen die [aangever 1] heeft gezegd: "Als je niet betaalt, gaat er voor elke duizend euro een vinger van je af", en

- die [aangever 1] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft getoond (toen die [aangever 1] zich op de achterbank van een tweedeursauto bevond) en

- op een ander moment bij die [aangever 1] - de loop van - een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, in diens mond heeft gestopt en

- die [aangever 1] een mes heeft getoond en

- die [aangever 1] onder druk heeft/hebben gezet om (een) ander(en) te bellen om geld te regelen en

- dreigend tegen die [aangever 1] heeft gezegd: "Ik heb een garage. Ik ga je daar laten zitten, net zo lang tot ik het geld heb" en

- die [aangever 1] heeft beetgepakt bij en heeft getrokken aan diens ballen,

waardoor die [aangever 1] werd bewogen tot bovengenoemde afgiften;

5.

hij op tijdstippen in de periode van 25 februari 2016 tot en met 24 maart 2016 te ’s-Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [aangeefster] heeft gedwongen tot de afgifte van geldbedragen, toebehorende aan [aangeefster] , welke bedreiging met geweld bestond uit het mededelen aan [aangeefster] en [aangever 5] dat:

- haar broer/haar zoon zijnde [aangever 4] door verdachte en zijn mededaders werd verdacht van het stelen van sigaretten uit de winkel van verdachte en/of zijn mededaders en

- verdachte ( [verdachte] ) 10.000,- euro beloning gezet had op [aangever 4] en

- ze [aangever 4] al hadden gezocht maar dat hij hun steeds was ontkomen en

- verdachte en zijn mededaders een andere vermeende medepleger van [aangever 4] al hadden ontvoerd en geslagen en dat nog een andere vermeende medepleger van [aangever 4] nu in het ziekenhuis lag en

- [aangever 4] hun 3.000,- euro moest betalen (ter vergoeding van de schade van de diefstal van de sigaretten uit de winkel) en

- zijn mededader [aangever 4] dood wenst en dat de mededaders [aangever 4] moeten pakken van hun vader en daar naar luisteren en

- zij alles weten over [aangeefster] en [aangever 4] en dat als zij [aangever 4] te pakken krijgen dat hij (zijnde [aangever 4] ) dan een zak over zijn hoofd krijgt en dat hij dan in een kofferbak wordt gestopt en dat hij ergens zal worden gebracht en dat ze niet weten hoe dat zal eindigen en

- [aangever 4] gewoon dood moet.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

ten aanzien van feit 1:

poging tot doodslag;

ten aanzien van feit 2:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

ten aanzien van feit 3:

medeplegen van opzettelijk iemand van de vrijheid beroven en beroofd houden;

ten aanzien van feit 4 primair en feit 5:

telkens: afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het hem ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Tevens heeft de officier van justitie de gevangenhouding gevorderd ten aanzien van de feiten 1, 2, 3 en 4 en de gevangenneming ten aanzien van feit 5.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De verdachte heeft zich, naar aanleiding van een inbraak in de winkel van een van zijn zoons, schuldig gemaakt aan diverse ernstige strafbare feiten. Hij heeft allereerst vanuit het niets samen met twee zoons een vermeende dader van deze inbraak tegen zijn gezicht geschopt en geslagen, en vervolgens heeft hij deze jongen met een mes in zijn bovenlichaam gestoken. Door aldus te handelen heeft de verdachte blijk gegeven van een volstrekt gebrek aan respect voor de gezondheid en het leven van een ander. Dat het slachtoffer niet is komen te overlijden, is een omstandigheid die niet aan de verdachte te danken is. Dit alles heeft zich bovendien afgespeeld op straat ten overstaan van omstanders. Ook bij hen zal dit gevoelens van onveiligheid hebben opgeroepen.

Op dezelfde dag heeft de verdachte samen met zijn zoons een andere jongen, die door hen ook werd verdacht van de winkelinbraak, van zijn vrijheid beroofd en afgeperst. Daarbij is niet alleen gedreigd met geweld (onder meer met een vuurwapen of een daarop gelijkend voorwerp), maar er is ook daadwerkelijk geweld gebruikt: het slachtoffer is in zijn gezicht geslagen en is bij de ballen gegrepen. In de weken hierna heeft de verdachte samen met twee zoons ook nog een jonge vrouw, de zus van een derde vermeende inbreker, afgeperst. Uit angst heeft deze vrouw uiteindelijk € 500,00 afgegeven. De verdachte heeft een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van de slachtoffers en heeft er blijk van gegeven geen respect te hebben voor de eigendommen van anderen.

De rechtbank vindt het schokkend en zeer kwalijk dat de verdachte op deze manier het recht in eigen handen heeft genomen. Dat is in een rechtsstaat volstrekt ontoelaatbaar en dat dient tot uitdrukking te komen in de strafmaat.

De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel Justitiële Documentatie van 22 maart 2016, waaruit volgt dat de verdachte eerder met justitie in aanraking is geweest en dat hem in 2013 onder meer voor openlijke geweldpleging een taakstraf is opgelegd. Dit heeft de verdachte er kennelijk niet van weerhouden om zich wederom schuldig te maken aan (soortgelijke) strafbare feiten.

De rechtbank stelt voorop dat gelet op de ernst van de feiten niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van aanzienlijke duur. Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank acht geslagen op de straffen die in min of meer soortgelijke zaken zijn opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank leidt dit tot een enigszins lagere straf dan door de officier van justitie is geëist.

Ten slotte zal de rechtbank de vordering gevangenneming ten aanzien van feit 5 toewijzen (apart geminuteerd). Een bevel gevangenhouding is na vonnis niet aan de orde.

7 De vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vorderingen

[slachtoffer] heeft zich met betrekking tot feit 1 als benadeelde partij gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 21.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover. De vordering strekt tot vergoeding van materiële schade (€ 6.500,00, bestaande uit misgelopen inkomsten als zelfstandig ondernemer, het eigen risico van de zorgverzekering, kosten van kleding, reiskosten en ziekenhuisdaggeldvergoeding) en immateriële schade (€ 15.000,00).

[aangeefster] heeft zich met betrekking tot feit 5 als benadeelde partij gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.

7.2

De conclusie van de officier van justitie

De officier van justitie heeft met betrekking tot de vordering van [slachtoffer] geconcludeerd tot gehele toewijzing van de vordering voor wat betreft de materiële schade en tot toewijzing van een bedrag van € 10.000,00 aan immateriële schade (en tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij voor het overige) en tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van [aangeefster] , beide te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering. De vordering is onvoldoende onderbouwd, zowel ten aanzien van de materiële schade voor wat betreft de misgelopen inkomsten als ten aanzien van de immateriële schade. Het zou een onevenredige belasting van het strafgeding zijn om de benadeelde partij alsnog in de gelegenheid te stellen deze posten nader te onderbouwen. De voorbeelden uit de smartengeldgids ter onderbouwing van het bedrag aan immateriële schade betreffen andere gevallen.

Ten aanzien van de vordering van [aangeefster] heeft de verdediging aangevoerd dat zij immateriële schadevergoeding vordert en dat het gevorderde bedrag kennelijk niet is afgestaan door afpersing.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

De vordering van [slachtoffer]

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post ‘misgelopen inkomsten’, nu de vordering in zoverre gemotiveerd is betwist. Het zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren om de benadeelde partij in de gelegenheid te stellen dit gedeelte van de vordering alsnog nader te onderbouwen. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Voor wat betreft de overige gestelde materiële schade is de vordering voldoende onderbouwd en door de verdediging niet betwist. Dit bedrag à € 500,00 komt voor toewijzing in aanmerking.

Voor wat betreft de immateriële schade geldt dat uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde feit. Nu uit de onderbouwing kan worden afgeleid dat er nog geen sprake is van een medische eindsituatie, zal de rechtbank het gevorderde bedrag matigen en acht zij een bedrag van € 5.000,00 als vergoeding ter zake van immateriële schade naar billijkheid toewijsbaar. Voor het overige zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard. Wel kan de benadeelde partij dit deel desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal de vordering derhalve toewijzen tot een bedrag van € 5.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 25 februari 2016 (de pleegdatum van het feit).

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte tevens worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De vordering van [aangeefster]

Anders dan de verdediging begrijpt de rechtbank de vordering aldus dat deze strekt tot vergoeding van materiële schade, te weten het bedrag dat zij heeft moeten afstaan. In de toelichting staat immers vermeld: “Ik zou graag dat geld terug willen.” Nu de vordering verder niet is betwist en uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 5 bewezenverklaarde feit, is de vordering toewijsbaar.

De rechtbank zal de vordering toewijzen tot het gevorderde bedrag van € 500,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 5 augustus 2016 (de datum van indiening van de vordering).

Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte tevens worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu de verdachte de strafbare feiten ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, indien en voor zover een van de mededaders de benadeelde partij betaalt, in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting is bevrijd.

Schadevergoedingsmaatregel

Omdat de verdachte voor de onder 1 en 5 bewezen verklaarde strafbare feiten zal worden veroordeeld en hij jegens [slachtoffer] en [aangeefster] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door deze feiten is toegebracht, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat

  • -

    van een bedrag van € 5.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 25 februari 2016, ten behoeve van [slachtoffer] ;

  • -

    van een bedrag van € 500,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 5 augustus 2016, ten behoeve van [aangeefster] .

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 24c, 36f, 45, 47, 57, 141, 282, 287 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3, 4 primair en 5 tenlastegelegde feiten heeft begaan op de wijze zoals hierboven onder 3.5 is omschreven en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

poging tot doodslag;

ten aanzien van feit 2:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

ten aanzien van feit 3:

medeplegen van opzettelijk iemand van de vrijheid beroven en beroofd houden;

ten aanzien van feit 4 primair en feit 5:

telkens: afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) JAREN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

beveelt de gevangenneming van de verdachte ten aanzien van feit 5 (apart geminuteerd);

benadeelde partij [slachtoffer]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 5.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 25 februari 2016 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 5.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 25 februari 2016 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer] ;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 62 dagen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

benadeelde partij [aangeefster]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangeefster] toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 500,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 5 augustus 2016 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 500,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 5 augustus 2016 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangeefster] ;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 10 dagen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting door de verdachte en/of een van zijn mededaders aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting door de verdachte en/of zijn mededaders aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. D.A.C. Koster, voorzitter,

mr. W.N.L. Donker, rechter,

mr. M.L. Ruiter, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.A. Schaap, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 31 augustus 2016.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer 2016055855/DH1R016013 (Goncourt), van de Districtsrecherche Den Haag-Centrum, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 889).

2 Proces-verbaal van verhoor getuige [aangever 1] , p. 188 en 189; proces-verbaal van verhoor [aangever 1] , p. 192 t/m 195.

3 Proces-verbaal van verhoor [aangever 1] , p. 195 en 196, met foto bijlage (p. 197 t/m 200); proces-verbaal tbv fotobijlage, p. 388 en 389.

4 Processen-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer] , p. 145, 146, 148 en 149.

5 Proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer] , p. 156 t/m 158, met foto bijlage (p. 160 t/m 163); proces-verbaal tbv fotobijlage, p. 388 en 389.

6 Proces-verbaal Tonen selectie bij fotobewijsconfrontatie, p. 371 en 372; proces-verbaal van meervoudige fotobewijsconfrontatie met één getuige, p. 373 t/m 376; proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer] , p. 384.

7 Proces-verbaal Tonen selectie bij fotobewijsconfrontatie, p. 377 t/m 379; proces-verbaal van meervoudige fotobewijsconfrontatie met een getuige, p. 738 t/m 741; proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer] , p. 380 en 381.

8 Een geschrift, te weten een rapport ‘Forensisch geneeskundig onderzoek naar aanleiding van een geweldsincident op 25-02-2016 in Den Haag’ van het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 2 juni 2016, opgesteld door forensisch arts KNMG H.N.J.M. van Venrooij (10 pagina’s), met bijlagen.

9 Een geschift, te weten een geneeskundige verklaring betreffende [slachtoffer] , p. 174.

10 Proces-verbaal van verhoor [getuige 1] , p. 89.

11 Proces-verbaal van verhoor aangever [aangever 4] , p. 553.

12 Proces-verbaal van verhoor [getuige 2] , p. 808.

13 Processen-verbaal van verhoor [getuige 3] , p. 96, 97 en 322 t/m 325, met foto bijlage (p. 328 t/m 332); proces-verbaal van bevindingen, p. 333.

14 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 3] p. 775 t/m 785.

15 Processen-verbaal van bevindingen camerabeelden, p. 497 t/m 508 en 515 t/m 518; proces-verbaal van bevindingen, p. 100 t/m 102, met bijlagen (p. 103 t/m 115); proces-verbaal van bevindingen camerabeelden A1, p. 118 t/m 129; proces-verbaal van bevindingen camerabeelden A2, p. 130 t/m 140.

16 Proces-verbaal aangifte [aangever 6] , p. 560 t/m 562, met bijlage (p. 563).

17 Proces-verbaal van bevindingen, p. 181.

18 Proces-verbaal van bevindingen, p. 183

19 Proces-verbaal uitluisteren meldkamer gesprek, p. 493 en 494; proces-verbaal relaas tweede vervolg proces-verbaal, p. 365.

20 Proces-verbaal van bevindingen, p. 205 en 206, met bijlage (p. 207 t/m 211).

21 Proces-verbaal stemherkenning [medeverdachte 2] , p. 411, met bijlage (p. 412 t/m 414); proces-verbaal bevindingen lokaties histo [medeverdachte 2] , p. 867 en 868; proces-verbaal van bevindingen, p. 869 en 870, met bijlage (p. 871 t/m 879).

22 Proces-verbaal van verhoor aangifte [aangeefster] , p. 528 t/m 534.

23 Proces-verbaal van verhoor aangifte [aangeefster] , p. 533 en 534, met foto bijlage (p. 538 t/m 540); proces-verbaal tbv getoonde foto’s, p. 541.

24 Proces-verbaal van verhoor getuige [aangever 5] , p. 558.

25 Proces-verbaal bevindingen telefoon [medeverdachte 1] , p. 818, met bijlage (p. 819)

26 Proces-verbaal van bevindingen, p. 212, met bijlage (p. 213 en 214).

27 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] , p. 466 en 467.