Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:11833

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-10-2016
Datum publicatie
04-10-2016
Zaaknummer
C/09/503343 / FA RK 16-214
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Alimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2016-0266

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 16-214

Zaaknummer: C/09/503343

Datum beschikking: 3 oktober 2016

Alimentatie

Beschikking op het op 15 januari 2016 ingekomen verzoek van:

[verzoekster]

de vrouw,

wonende te [woonplaats] Zuid-Afrika,

advocaat: mr. A.M. Stam te Zaandam.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[verweerder] ,

de man,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. T. Catak te Zaandam.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift;

  • -

    het verweerschrift;

- het gewijzigde verzoek d.d. 23 januari 2016

- het F9-formulier met bijlagen d.d. 24 maart 2016 van de zijde van de vrouw;

- het F9-formulier met bijlagen d.d. 2 mei 2016 van de zijde van de man;

- het F9-formulier met bijlagen d.d. 3 mei 2016 van de zijde van de vrouw;

Op 12 mei 2016 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de advocaat van de vrouw; de man vergezeld van zijn advocaat.

Na de terechtzitting is het volgende stuk ontvangen:

  • -

    het F9-formulier d.d. 6 juni 2016 van de zijde van de vrouw met het verzoek de beschikking uit te stellen in verband met mogelijk te bereiken overeenstemming;

  • -

    het F9-formulier d.d. 19 juli 2016 van de zijde van de vrouw met het verzoek om een beschikking af te geven;

  • -

    het F9-formulier d.d. 16 september 2016 van de zijde van de man met het verzoek om een beschikking af te geven.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de vrouw luidt thans te bepalen dat de man met ingang van 24 januari 2013, dan wel een door de rechtbank te bepalen datum, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de hierna te melden minderjarigen – telkens bij vooruitbetaling – een bedrag van € 279,53 per kind per maand zal voldoen, vermeerderd met iedere uitkering die hem op grond van geldende wetten of andere regelingen voor die minderjarigen zal of kan worden verleend.

De man voert verweer dat hierna - voor zover nodig - zal worden besproken.

Feiten

  • -

    Partijen zijn gehuwd op [datum] te [plaats] met elkaar gehuwd. Bij uitspraak van [datum] van ‘the Regional Court for the Regional Division of the Free State, held at [plaats] , Zuid-Afrika, is tussen hen de echtscheiding uitgesproken. In deze uitspraak is het door partijen ondertekende convenant (“Deed of settlement”) opgenomen, waarin de vrouw als de “plaintiff” wordt aangeduid en de man als de “defendant”.

  • -

    Partijen zijn de ouders van de volgende thans nog minderjarige kinderen:

  • -

    [minderjarige] geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
    [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .

  • -

    De minderjarigen verblijven thans bij de vrouw.

  • -

    De man en de vrouw hebben de Nederlandse nationaliteit.

  • -

    Voormeld convenant, dat deel uitmaakt van de uitspraak van de Zuid-Afrikaanse rechter van [datum] , bevat, voor zover van belang, de volgende overwegingen:
    “6. Maintenance for the minor child(ren):
    6.1. The Defendant will contribute R2 500.00 per month per child towards the maintenance of the child(ren).”

  • -

    De man is het bedoelde onderdeel van het convenant niet (volledig) nagekomen.

Beoordeling

De rechtbank begrijpt het verzoek van de vrouw zo dat zij verzoekt om erkenning van de beslissing met betrekking tot de kinderalimentatie, zoals opgenomen in de uitspraak van de Zuid-Afrikaanse rechter van [datum] (hierna: de uitspraak), waar het door partijen ondertekende convenant (“Deed of settlement”, hierna: het convenant) deel van uitmaakt.

Artikel 431 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalt dat, behoudens het bepaalde in de artikelen 985-994, noch beslissingen, door vreemde rechters gegeven, noch buiten Nederland verleden authentieke akten binnen Nederland ten uitvoer worden gelegd. In lid 2 is bepaald dat de gedingen opnieuw bij de Nederlandse rechter kunnen worden behandeld en afgedaan.


De artikelen 985-994 Rv hebben betrekking op beslissingen, gegeven door de rechter van een vreemde Staat, die in Nederland uitvoerbaar zijn krachtens een verdrag of krachtens de wet. Voor de tenuitvoerlegging is dan rechterlijk verlof vereist.

Tussen Zuid-Afrika en Nederland is geen verdrag of andere internationale regelgeving van toepassing met betrekking tot kinderalimentatie, zodat de artikelen 985-994 Rv in dit geval niet van toepassing zijn. Naar de huidige stand van het Nederlands internationaal privaatrecht en de gevormde jurisprudentie inzake de erkenning van vreemde vonnissen en de toepassing van artikel 431 Rv is erkenning in een dergelijk geval toch mogelijk, onder de volgende voorwaarden:

  1. de buitenlandse rechter was op een internationaal aanvaarde grond bevoegd om kennis te nemen van de zaak;

  2. de rechterlijke beslissing is tot stand gekomen na een behoorlijke rechtspleging en

  3. erkenning van de rechterlijke beslissing is niet in strijd met de Nederlandse openbare orde, en

  4. e rechterlijke beslissing is niet onverenigbaar met andere uitspraken tussen partijen in Nederland of een ander land.

De rechtbank zal beoordelen of in dit geval aan deze voorwaarden is voldaan.

Bevoegde autoriteit

Ten tijde van de uitspraak waren partijen met hun minderjarige kinderen woonachtig in Zuid-Afrika. De gewone verblijfplaats van een kind is een internationaal aanvaarde grond voor het aannemen van rechtsmacht van de ter plaatse bevoegde rechter waar het gaat om de vaststelling van een bijdrage in de opvoeding en verzorging van het kind. Gelet hierop acht de rechtbank voldoende aanknopingspunten aanwezig om ter zake van de kinderalimentatie uit te gaan van internationale jurisdictie van een bevoegde autoriteit in Zuid-Afrika. Als een dergelijke ter plaatse bevoegde autoriteit in Zuid-Afrika kan kennelijk worden aangemerkt “The Regional Court for the Regional Division Free State, held at [plaats] ”; de rechtbank heeft althans geen aanwijzingen dat dit anders zou zijn.

Behoorlijke rechtspleging

De uitspraak is tot stand gekomen naar aanleiding van een door partijen overeengekomen afspraak over de kinderalimentatie, die zij hebben vastgelegd in een convenant (“Deed of settlement”). Dit convenant maakt deel uit van de hiervoor genoemde uitspraak. De rechtbank gaat er op grond hiervan vanuit dat er sprake is geweest van een behoorlijke rechtspleging. De man heeft ter zake ook geen verweer gevoerd.

Strijd met de Nederlandse openbare orde

Uit de overgelegde stukken en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht is niet gebleken van feiten en omstandigheden die maken dat de beslissing met betrekking tot de kinderalimentatie in strijd is met de openbare orde.

Onverenigbaarheid met de andere rechterlijke uitspraken
Er is evenmin gebleken van andere rechterlijke uitspraken tussen partijen.

Uit het voorgaande volgt dat aan alle voorwaarden voor erkenning van de uitspraak ten aanzien van de kinderalimentatie is voldaan, zodat deze voor erkenning vatbaar is. In zoverre komt het verzoek van de vrouw voor toewijzing in aanmerking.

De man heeft tot verweer aangevoerd dat de vrouw eerder een verzoek tot erkenning had moeten indienen en dat de kinderalimentatie niet eerder dan met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift (15 januari 2016) kan worden vastgesteld. De rechtbank overweegt dat niet valt in te zien waarom de vrouw niet de erkenning en tenuitvoerlegging zou mogen verzoeken van een uitspraak uit 2013, waarvan vaststaat dat de man daaraan niet (volledig) heeft voldaan.

Verder heeft de man aangevoerd dat hij geen draagkracht heeft om de onderhavige kinderalimentatie te betalen. Hij stelt dat er een wijziging van omstandigheden heeft plaatsgevonden. De rechtbank overweegt dat, nu de uitspraak voor erkenning in aanmerking komt, er geen ruimte is voor een inhoudelijke beoordeling van de kinderalimentatie, nog daargelaten in hoeverre de Nederlandse rechter ter zake rechtsmacht zou hebben. Het tweede lid van artikel 431 Rv verplicht ook niet tot een dergelijke nieuwe behandeling.

In zijn verweerschrift heeft de man ten slotte nog betwist dat in het convenant en de uitspraak sprake zou zijn van een bedrag van 2.500 Zuid-Afrikaanse Rand per kind. Ter zitting heeft hij echter erkend dat voor beide kinderen een bedrag van 5.000 Rand is overeengekomen en dit volgt naar het oordeel van de rechtbank, ondanks het enigszins verwarrende gebruik van spaties, ook voldoende duidelijk uit de uitspraak en het bijgevoegde convenant.

De vrouw verzoekt de kinderalimentatie vast te stellen voor een bedrag van € 279,23 per maand per kind. De rechtbank overweegt dat dit bedrag niet overeenkomt met de koers van de Zuid-Afrikaanse Rand op de dag van deze beschikking, die voor de man aanzienlijker gunstiger is. De rechtbank ziet geen aanleiding het bedrag in euro’s vast te stellen, nu de vrouw in Zuid-Afrika woont en het bedrag in de uitspraak ook in Rand is vastgesteld. Dit gedeelte van het verzoek van de vrouw zal derhalve worden afgewezen.

De rechtbank beslist als volgt.

Beslissing

De rechtbank:

erkent de uitspraak van ‘the Regional Court for the Regional Division Free State, held at [plaats] ’ van [datum] , voor zover het de beslissing met betrekking tot de kinderalimentatie betreft, inhoudende dat de man aan de vrouw met ingang van 24 januari 2013 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen:

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] april 2006 te [geboorteplaats] , en

- [minderjarige] geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

dient te voldoen van 2.500,- Zuid-Afrikaanse Rand per maand per kind;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. N.B. Verkleij in tegenwoordigheid van mr. J.M. Molenaar als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 oktober 2016.