Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:11828

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-10-2016
Datum publicatie
28-10-2016
Zaaknummer
09/994179-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk heeft nagelaten de voormelde ongebruikelijke transacties (de contante stortingen ad in totaal € 491.740,- en de ‘terugbetalingen’ van een stichting ad in totaal € 150.837,-) (onverwijld) te melden. De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich meermalen schuldig heeft gemaakt aan de haar ten laste gelegde opzettelijke overtreding van het voorschrift, gesteld bij artikel 16 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige economische strafkamer

Parketnummer: 09/994179-16

Datum uitspraak: 28 september 2016

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

gevestigd: [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 14 september 2016.

De verdachte is ter terechtzitting vertegenwoordigd door haar bestuurder [betrokkene 1] , zijnde de middellijk directeur van verdachte.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. D.E. Kruimel en van hetgeen door de raadsman van verdachte, mr. M.W. Renzen, advocaat te Rotterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij, in de periode van 01-01-2012 tot 15-05-2013, althans 2012 en/of 2013, te

Zoetermeer en/of Nieuw-Beijerland (gemeente Korendijk) en/of Alblasserdam

en/of Rotterdam en/of elders in Nederland,

(telkens) als externe registeraccountant, externe

accountant-administratieconsulent of belastingadviseur, (zelfstandig

onafhankelijk) haar beroepsactiviteiten uitoefenende, dan wel anderszins

zelfstandig onafhankelijk daarmee vergelijkbare activiteiten beroeps- of

bedrijfsmatig verrichtende (sub 11°),

en/of

(telkens) als belastingadviseur zelfstandig onafhankelijk beroepsactiviteiten

uitoefenende, dan wel anderszins zelfstandig onafhankelijk daarmee

vergelijkbare activiteiten beroeps- of bedrijfsmatig verrichtende (sub 23°,

v.a. 01-01-2013);

meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk in strijd met de

verplichting, geformuleerd in artikel 16 Wet ter voorkoming van witwassen en

financieren van terrorisme,

(een) verrichte ongebruikelijk transactie(s), niet (onverwijld) nadat het

ongebruikelijke karakter van deze transactie(s) bekend is geworden heeft

gemeld aan het meldpunt/de Financiële inlichtingen eenheid,

immers heeft zij (telkens) opzettelijk geen melding gedaan van,

-(een) in of omstreeks de periode van 01-01-2012 t/m 30-04-2013 verrichte

ongebruikelijke transactie(s), te weten (een) (contante) storting(en) van (in

totaal) EURO 491.740,- (in stortingen vanaf EURO 10.000,- per dag); en/of

-(een) in of omstreeks de periode van 14-02-2012 t/m 02-01-2013 verrichte

ongebruikelijke transactie(s), te weten (een) (terug)betaling(en) van (in

totaal) EURO 150.837 (van [stichting] ).

2 De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

2.1

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren. Gedagvaard is namelijk [verdachte] in plaats van [verdachte]

2.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft betoogd dat het een kennelijke verschrijving betreft, en gevorderd dat het verweer wordt verworpen.

2.3

Het oordeel van de rechtbank

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een kennelijke verschrijving. Ter terechtzitting is bovendien gebleken dat het de vertegenwoordiger van verdachte volstrekt duidelijk is welke vennootschap wordt verdacht van het in de dagvaarding opgenomen ten laste gelegde feit. Het verweer wordt daarom verworpen.

3. Bewijsoverwegingen 1

3.1

Inleiding

Activiteiten verdachte

Verdachte drijft een onderneming die administraties verwerkt, jaarrapportages vervaardigt, loonadministraties verzorgt, en aangiften omzetbelasting, inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting opstelt en indient voor cliënten. Vanaf 9 augustus 2011 is [betrokkene 1] enig statutair bestuurder van verdachte.2 Zijn functie is die van leidinggevende.3 Verdachte heeft in de periode januari 2012 tot en met april 2013 maandelijks werkzaamheden verricht voor [betrokkene 2] , handelend onder de naam [eenmanszaak] (de eenmanszaak wordt hierna aangeduid als: [eenmanszaak] ).45

Contante betalingen [eenmanszaak]

Over de periode van 1 januari 2012 tot en met 30 april 2013 heeft de Belastingdienst onderzoek ingesteld naar [eenmanszaak] . Uit dat onderzoek is naar voren gekomen dat de administratieve vastleggingen bij [eenmanszaak] tekort schoten, dat verkoopbonnen en facturen niet doorlopend waren genummerd en dat het kassaldo zoals opgenomen door verdachte, een administratief kassaldo is. Verder is gebleken dat in voormeld tijdvak een bedrag van € 491.740 aan contanten is gestort op de bankrekening van [eenmanszaak] . Een deel van dit bedrag, € 202.920, is door verdachte als uitgave in het kasboek opgenomen (Van Kas, aan Bank). De herkomst van het andere deel, € 288.820, is niet bekend. Indien alle stortingen naar de bank als uitgaven in het kasboek zouden worden geboekt, zou sprake zijn van een negatief kassaldo.6

[betrokkene 1] heeft hierover namens verdachte verklaard dat [betrokkene 2] tegen hem had gezegd dat hij in het verleden problemen had gehad met de FIOD en dat er een rechtszaak was geweest. Omdat hij niet wilde dat er beslag werd gelegd, zorgde hij ervoor dat zijn bankrekening in de min stond. [betrokkene 2] hield het contante geld van de verkopen daarom in principe in bezit totdat hij geld moest betalen, dan stortte hij het bij de bank en werd per bank betaald. [betrokkene 1] heeft verklaard dat hij met deze wetenschap geen vragen meer hoefde te stellen. Hij was ervan uitgegaan dat de stortingen uit de contante verkopen afkomstig waren. [betrokkene 1] had geen aansluiting gemaakt met het kasboek of kassaldo.7

Ontvangsten [stichting]

Voorts is uit onderzoek door de Belastingdienst naar voren gekomen dat [eenmanszaak] in de periode van 14 februari 2012 tot en met 2 januari 2013 de volgende “uitgeleende” bedragen per bank heeft “terugontvangen” van de [stichting] (hierna: [stichting] ):

14 februari 2012

€ 5.237

7 maart 2012

€ 4.800

21 juni 2012

€ 15.000

19 november 2012

€ 54.400

5 december 2012

€ 4.400

7 december 2012

€ 37.000

2 januari 2013

€ 30.000

[betrokkene 2] was sinds 2011 penningmeester van [stichting] . Hij heeft tegenover de Belastingdienst verklaard dat er met betrekking tot de lening(en) aan [stichting] geen overeenkomsten zijn opgesteld. Op 15 januari 2013 is [stichting] in staat van faillissement verklaard.8

[betrokkene 1] heeft hierover namens verdachte verklaard dat [betrokkene 2] hem had verteld dat hij penningmeester was bij [stichting] en dat de bewuste betalingen geld betrof dat hij uitgeleend had. “Voor de rest weet ik daar helemaal niets van” aldus [betrokkene 1] .9

Ter terechtzitting heeft [betrokkene 1] namens verdachte verklaard dat hij geen leningovereenkomsten heeft gezien en ervan uitging dat het een privélening betrof.10

Geen melding

Verdachte heeft geen melding gedaan van ongebruikelijke transacties.11 [betrokkene 1] heeft namens verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij er toen niet van op de hoogte was dat er melding moest worden gedaan. Hij verkeerde in de veronderstelling dat de meldplicht alleen gold voor een registeraccount en wellicht ook voor een accountant-administratieconsulent. Als hij wel op de hoogte was geweest, dan had hij wel gemeld.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de contante stortingen van ruim

€ 490.000 en de betalingen van [stichting] van ruim € 150.000 ongebruikelijke transacties zijn, zoals bedoeld in de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (hierna: Wwft), dat verdachte hiervan derhalve melding had moeten doen en dat zij dit opzettelijk heeft nagelaten.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken. Daartoe is – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd:

- [stichting] heeft de terugbetalingen netjes per bank verricht. Bovendien werd zij door een registeraccountant gecontroleerd. Ten slotte heeft de curator van [stichting] de terugbetalingen blijkens het faillissementsverslag van 1 juli 2016 niet als paulianeus aangemerkt. Er was dus geen sprake van ongebruikelijke transacties in de zin van de Wwft;

- de verplichting voor verdachte om ongebruikelijke transacties te melden bestond ten tijde van de ten laste gelegde periode nog maar net. Onder die omstandigheden dient bij de vraag of bij verdachte sprake was van ‘opzet’ niet uitgegaan te worden van ‘kleurloos opzet’, maar van de reguliere criteria die gelden ten aanzien van opzet. Daarvan uitgaande, dient verdachte daarvan te worden vrijgesproken, nu hij ten tijde van het tenlastegelegde volstrekt onbekend was met de meldplicht op grond van de Wwft.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Wettelijk kader

Op grond van artikel 16 van de Wwft dient een ‘instelling’ melding te doen van transacties met een ongebruikelijk karakter. Vanaf 1 augustus 2008 geldt dat op grond van artikel 1 van de Wwft onder instelling onder meer wordt verstaan – kort gezegd –: een externe registeraccountant of externe accountant-administratieconsulent of een belastingadviseur dan wel een (rechts)persoon die zelfstandig onafhankelijk beroeps- of bedrijfsmatig vergelijkbare activiteiten verricht.

Om te bepalen of transacties een ongebruikelijk karakter hebben, zijn op grond van artikel 15 Wwft bij algemene maatregel van bestuur indicatoren vastgesteld.12 Transacties die op grond van subjectieve indicatoren gemeld moeten worden, zijn die waarbij de meldingsplichtige aanleiding heeft te veronderstellen dat zij verband kunnen houden met witwassen of het financieren van terrorisme. Subjectieve indicatoren zijn opgenomen in verschillende richtlijnen van toezichthouders.

Verdere beoordeling

Verdachte instelling in de zin van de Wwft?

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is vast komen te staan dat verdachte ten tijde van het tenlastegelegde – voor zover hier relevant – activiteiten verrichtte die bedrijfsmatig vergelijkbaar zijn met die van een externe registeraccountant dan wel een externe accountant-administratieconsulent. Verdachte valt daarmee onder het begrip ‘instelling’ zoals bedoeld in artikel 1 van de Wwft. De verdediging heeft dit ook niet betwist.

Contante stortingen ongebruikelijke transacties?

Naar het oordeel van de rechtbank moeten de contante stortingen, in totaal € 491.740, die in de ten laste gelegde periode op de bankrekening van [eenmanszaak] zijn gestort worden aangemerkt als ongebruikelijke transacties, dit gelet op de volgende indicatoren.13

D2:

Aard en uitvoering ongebruikelijk: er vindt geen kascontrole plaats

E1:

De cliënt heeft voorkeur voor activa die geen sporen achterlaten, zoals contant geld

E3:

Het betaalverkeer vertoont ongebruikelijk patroon. De gelden waarover de cliënt beschikt zijn afkomstig uit onduidelijke bronnen of de door de cliënt aangegeven bronnen zijn onwaarschijnlijk of onvoldoende gedocumenteerd.

J4:

Het werkelijke beeld van de jaarrekening komt niet overeen met onderliggende stukken. Ongeautoriseerde transacties of onjuist geregistreerde transacties.

J7:

Er is sprake van een negatieve kas.

Immers, gelet op de onder 3.1. weergegeven feiten en omstandigheden was sprake van een zeer omvangrijke kasstroom bij [eenmanszaak] , waarvan de herkomst niet gedocumenteerd en niet verifieerbaar was. Er was zelfs sprake van een negatieve kas. Naar het oordeel van de rechtbank nam de verklaring van [betrokkene 2] , waarmee verdachte klaarblijkelijk genoegen heeft genomen, het ongebruikelijke karakter van de bewuste transacties niet weg.

Hetzelfde geldt voor de door de raadsman van verdachte naar voren gebrachte omstandigheid dat nadien zou zijn gebleken dat bij één van de bewuste transacties (de contante verkoop van een horloge van € 175.000) door de koper melding zou zijn gemaakt van invoer van geld bij de autoriteiten.

Terugbetalingen lening ongebruikelijke transacties?

Naar het oordeel van de rechtbank moeten de ‘terugbetalingen’ van [stichting] als ongebruikelijke transacties woorden aangemerkt, dit gelet op de volgende indicatoren.14

D2:

Aard en uitvoering ongebruikelijk

E3:

Het betaalverkeer vertoont ongebruikelijk patroon. De gelden waarover de cliënt beschikt zijn afkomstig uit onduidelijke bronnen of de door de cliënt aangegeven bronnen zijn onwaarschijnlijk of onvoldoende gedocumenteerd.

J4:

Het werkelijke beeld van de jaarrekening komt niet overeen met onderliggende stukken. Ongeautoriseerde transacties of onjuist geregistreerde transacties.

J9:

Er is sprake van betalingen zonder factuur

J10:

Er is sprake van betalingen zonder schriftelijke overeenkomst

De betaling van aanzienlijke bedragen zonder gedocumenteerde titel en zonder enige vorm van gedocumenteerde betaalbaarstelling is ongebruikelijk. Dat [betrokkene 2] te kennen zou hebben gegeven dat het een privélening betrof doet daar niets aan af, nu privé-(terug)betalingen op een ondernemersrekening juist ongebruikelijk zijn.

Aan het ongebruikelijke karakter van deze transacties doet verder niet af dat de boeken van [stichting] door een registeraccountant werden gecontroleerd, of dat de curator de terugbetalingen niet paulianeus zou hebben gevonden. In die omstandigheden kan immers nog steeds geen verklaring voor de herkomst van de bewuste transacties worden gevonden.

Opzet?

De voorschriften van de Wwft zijn ordeningsrecht. Gelet op de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, waarin ‘kleurloos’ opzet in het ordeningsrecht voldoende wordt geacht, is niet vereist dat het opzet van de verdachte ook is gericht op het niet naleven van de op de verdachte rustende wettelijke verplichting ongebruikelijke transacties te melden aan het meldpunt.15 Met andere woorden: de door de verdachte gestelde ontbrekende kennis van de regelgeving staat aan het bewijs van het opzet op het niet melden van de ongebruikelijke transacties niet in de weg. Anders dan namens de verdachte is aangevoerd, wordt er van verdachte wel verwacht dat zij op de hoogte is van de voor haar van toepassing zijnde regelgeving. Van een onderneming mag bovendien een zekere deskundigheid worden verwacht van het terrein waarop zij zich begeeft. Bovendien kan een onderneming voor de inhoud van regelgeving aankloppen bij een beroepsorganisatie. Het verweer van de raadsman ten aanzien van de onbekendheid van de verdachte met de meldplicht van de Wwft wordt gelet op het hiervoor overwogene verworpen.

Conclusie

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk heeft nagelaten de voormelde ongebruikelijke transacties (de contante stortingen ad in totaal € 491.740,- en de ‘terugbetalingen’ van [stichting] ad in totaal € 150.837,-) (onverwijld) te melden. De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich meermalen schuldig heeft gemaakt aan de haar ten laste gelegde opzettelijke overtreding van het voorschrift, gesteld bij artikel 16 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van verdachte bewezen dat:

zij in de periode van 01-01-2012 tot 15-05-2013 te Zoetermeer en/of Alblasserdam,

als externe registeraccountant, externe accountant-administratieconsulent of belastingadviseur, (zelfstandig onafhankelijk) haar beroepsactiviteiten uitoefenende, dan wel anderszins zelfstandig onafhankelijk daarmee vergelijkbare activiteiten beroeps- of

bedrijfsmatig verrichtende (sub 11°),

en

als belastingadviseur zelfstandig onafhankelijk beroepsactiviteiten

uitoefenende, dan wel anderszins zelfstandig onafhankelijk daarmee

vergelijkbare activiteiten beroeps- of bedrijfsmatig verrichtende (sub 23°,

v.a. 01-01-2013);

meermalen, opzettelijk in strijd met de verplichting, geformuleerd in artikel 16 Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme,

een verrichte ongebruikelijke transactie, niet (onverwijld) nadat het

ongebruikelijke karakter van deze transactie bekend is geworden, heeft

gemeld aan het meldpunt/de Financiële inlichtingen eenheid,

immers heeft zij telkens opzettelijk geen melding gedaan van,

-in de periode van 01-01-2012 t/m 30-04-2013 verrichte ongebruikelijke transacties, te weten contant stortingen van in totaal 491.740,- en

-de periode van 14-02-2012 t/m 02-01-2013 verrichte ongebruikelijke transacties, te weten betalingen van in totaal 150.837,- (van [stichting] ).

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

opzettelijke overtreding van het voorschrift, gesteld bij artikel 16 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een geldboete van € 30.000,-, waarvan € 10.000,- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft een volledig voorwaardelijke straf bepleit. Daartoe is aangevoerd dat door verdachte nauwelijks winst wordt behaald en dat er geen liquide middelen zijn. Voor de werkzaamheden aan [eenmanszaak] is bovendien geen bovenmatige beloning ontvangen. Verdachte heeft verder volledig meegewerkt aan het onderzoek en haar bedrijfsuitoefening gewijzigd zodat zij thans voldoet aan de verplichtingen die gelden op grond van de Wwft. Daarnaast heeft zij verzocht om – hoewel er geen overschrijding is geweest van de redelijke termijn – rekening te houden met de duur van de strafvervolging van verdachte.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De ernst van het feit

De verdachte heeft als externe administratie- en belastingconsultant nagelaten om meerdere ongebruikelijke transacties als bedoeld in de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme te melden bij het/de daartoe bestemde meldpunt/eenheid. De Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme heeft aan bedrijven die dergelijke werkzaamheden uitvoeren een poortwachtersfunctie toegekend. Op grond daarvan rust op verdachte een belangrijke maatschappelijke verantwoordelijkheid. Verdachte heeft door haar handelen de overheid de mogelijkheid ontnomen om zicht te krijgen op geldstromen die kunnen duiden op criminaliteit, en om achterliggende strafbare feiten op te sporen en heeft daarmee haar verantwoordelijkheid miskend.

De persoon van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 19 augustus 2016, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder in aanraking met politie en/of justitie is gekomen.

De rechtbank weegt mee dat verdachte heeft meegewerkt aan het onderzoek en maatregelen heeft getroffen om herhaling te voorkomen. Gelet op de namens de verdachte gedane uitlatingen ter terechtzitting betwijfelt de rechtbank wel of verdachte voldoende van zijn verplichtingen is doordrongen; zo is er namens verdachte blijk van gegeven dat zij bancaire betalingen ‘automatisch’ als ‘legitiem’ beschouwt, terwijl ook deze betalingen ongebruikelijke, en daarmee: te melden transacties kunnen zijn.

Conclusie

Alles afwegende acht de rechtbank een geldboete van € 20.000,- waarvan € 10.000,- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren passend en geboden. Gelet op de financiële situatie van de verdachte zal de rechtbank bepalen dat verdachte het onvoorwaardelijke gedeelte van de geldboete mag voldoen in vier maandelijkse termijnen van € 2.500,-.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

-14a, 14b, 14c, 23, 24, 24a, 51 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;

-1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten;

-16 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

opzettelijke overtreding van het voorschrift, gesteld bij artikel 16 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een geldboete van € 20.000,- (twintigduizend euro);

bepaalt dat een gedeelte van die geldboete, groot € 10.000,- (tienduizend euro), niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het eind van de hierbij op 2 (twee) jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit

bepaalt dat het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde geldboete in 4 (vier) achtereenvolgende maandelijkse termijnen van € 2.500,- (vijfentwintighonderd euro) mag worden voldaan.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.W. de Wit, voorzitter,

mr. J.J.M. Gielen-Winkster, rechter,

mr. E.A. Lensink, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. B. Schaafsma, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 september 2016.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer 55467, van de Belastingdienst/FIOD met bijlagen (ongenummerd).

2 Een geschrift: uittreksel van de Kamer van Koophandel van 28 oktober 2014, DOC-006

3 Proces-verbaal van verhoor van verdachte van 11 november 2014, V01-01, pagina 2 van 5.

4 Geschriften, zijnde de facturen van [verdachte] aan [betrokkene 2] van 15 januari 2012 tot en met april 2013, DOC-013.

5 Proces-verbaal van verhoor van verdachte van 11 november 2014, pagina 3 van 5.

6 Een geschrift, zijnde een memo van D. Kolkman en M. Boer van het Bureau Financieel Toezicht van 13 oktober 2014, DOC-001.

7 Proces-verbaal van verhoor [betrokkene 1] van 11 november 2014, V01-01, p. 3 en 4

8 Een geschrift, zijnde een memo van D. Kolkman en M. Boer van Bureau Financieel Toezicht van 13 oktober 2014, DOC-001.

9 Proces-verbaal van verhoor [betrokkene 1] van 11 november 2014, V01-01, p. 4.

10 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 14 september 2016.

11 Een geschrift, zijnde een antwoordformulier van FIU-Nederland, DOC-005 en de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 14 september 2016.

12 Uitvoeringsbesluit Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, bijlage Indicatorenlijst.

13 Een geschrift, zijnde het memo van het Bureau Financieel Toezicht van 13 oktober 2014, DOC-001, p, 3.

14 Een geschrift, zijnde het memo van het Bureau Financieel Toezicht van 13 oktober 2014, DOC-001, p, 4.

15 HR 24 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8783 en HR 21 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2684.