Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:1181

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-02-2016
Datum publicatie
10-02-2016
Zaaknummer
C-09-501818-KG ZA 15-1918
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De kortgedingrechter in Den Haag heeft de gedetineerde die een rechtszaak tegen de Staat begonnen was over een cel-inspectie niet-ontvankelijk verklaard, omdat voor hem binnen de gevangenis nog mogelijkheden openstaan om zich te beklagen bij de zogenoemde beklag- en beroepscommissie. De Haagse rechter wijst daarnaast zijn verzoek om een schadevergoeding af, omdat nog niet is gebleken dat de Staat tijdens de cel-inspectie onjuist heeft gehandeld.

De gedetineerde heeft via officiële weg zijn beklag hierover gedaan. De beklagcommissie heeft dit op 20 januari 2016 behandeld en zal daarom naar verwachting op korte termijn uitspraak doen. De gedetineerde heeft niet onderbouwd waarom de beslissing van de beklagcommissie niet kan worden afgewacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/501818 / KG ZA 15/1918

Vonnis in kort geding van 10 februari 2016

in de zaak van

[eiser] ,

verblijvende in PI [X] te [plaats] ,

eiser,

advocaat mr. J.J. Serrarens te Maastricht,

tegen:

de Staat der Nederlanden (het ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. C.M. Bitter te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met daarbij en nadien overgelegde producties;

- de door de Staat overgelegde producties;

- de op 25 januari 2016 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

[eiser] is veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf en verblijft in de penitentiaire inrichting [X] , locatie [locatie] (hierna: de p.i.). [eiser] verblijft op afdeling [Y] , cel [Z] .

2.2.

[eiser] stelt dat hij ten onrechte is veroordeeld. Bij de Hoge Raad is een herzieningsprocedure in behandeling.

2.3.

Op 17 november 2015 heeft in de p.i. een zoekactie plaatsgevonden, uitgevoerd door de Landelijke Bijzondere Bijstandseenheid van de Dienst Vervoer & Ondersteuning (hierna: LBB) ter controle op aanwezigheid van contrabande. Bij die zoekactie zijn alle cellen geïnspecteerd, buiten aanwezigheid van de gedetineerden.

2.4.

Op 18 november 2015 heeft de advocaat van [eiser] namens hem op grond van artikel 60 van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) beklag bij de beklagcommissie van de p.i. ingesteld over – het verloop van – de celinspectie (hierna: het beklag).

2.5.

Eveneens op 18 november 2015 heeft de advocaat van [eiser] namens hem op grond van artikel 66 Pbw een schorsingsverzoek (hierna: het schorsingsverzoek) ingediend bij de voorzitter van de beroepscommissie van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (hierna: RSJ). In het schorsingsverzoek staat, voor zover nu relevant:

“(…)

Gisteren zijn tijdens een celinspectie diverse processtukken en advocatenpost verwijderd van clients cel. Dat is in strijd met artikel 37 PBW. De RSJ heeft, mede in beroepsprocedures die namens cliënt zijn gevoerd, meermalen geoordeeld dat processtukken en geprivilegieerde post niet buiten aanwezigheid van de gedetineerde bekeken mogen worden door justitiemedewerkers. Dat is gisteren wél geschied. Bovendien zijn zeer geheime en vertrouwelijke processtukken van cliënts cel verwijderd. Ook zijn er diverse andere eigendommen van cliënt die hij met toestemming van de directie op zijn cel had, weggehaald van zijn cel waaronder schildermaterialen, keukenbenodigdheden, ansichtkaarten en foto’s.

(…)”

In het schorsingsverzoek is namens [eiser] verzocht om te bepalen dat alle processtukken en advocatenpost die bij de celinspectie van zijn cel zijn verwijderd onmiddellijk moeten worden teruggegeven, dat door de directie van de p.i. wordt gegarandeerd dat er geen afschriften zullen worden gemaakt van geprivilegieerde stukken en processtukken en dat eventueel reeds gemaakte afschriften onmiddellijk worden vernietigd. In het schorsingsverzoek staat voorts dat [eiser] wil vernemen wie kennis heeft genomen van de inhoud van zijn advocatenpost en processtukken. Bij brief van 19 november 2015 is door de heer [A] , plaatsvervangend vestigingsdirecteur van de p.i. schriftelijk op het schorsingsverzoek gereageerd.

2.6.

De voorzitter van de beroepscommissie van de RSJ heeft bij beslissing van 20 november 2015 het schorsingsverzoek van [eiser] afgewezen voor zover het is gericht op de beslissing van de directeur inhoudende verwijdering van verfartikelen en etensdozen, omdat uit de inlichtingen van de directeur naar voren komt dat deze voorwerpen weer aan [eiser] ter hand zijn gesteld. Voor zover het schorsingsverzoek is gericht tegen de verwijdering van andere eigendommen, waaronder advocatenpost en processtukken, is naar het voorlopig oordeel van de voorzitter niet gebleken van een beslissing van de directeur als bedoeld in artikel 60 Pbw, en is daarom geen sprake van een beslissing die zich leent voor schorsing. [eiser] is in zoverre niet-ontvankelijk verklaard in zijn schorsingsverzoek.

2.7.

Bij brief van 7 december 2015 is namens [eiser] de concept dagvaarding van onderhavig kort geding aan de Minister van Veiligheid en Justitie (hierna: de minister) gezonden en is de minister gesommeerd gehoor te geven aan hetgeen in de concept dagvaarding is gevorderd. Bij brief van 14 december 2015 heeft de heer [B] , plaatsvervangend vestigingsdirecteur van de p.i. bericht dat de in de concept dagvaarding genoemde stukken niet in zijn bezit zijn, maar na het ‘spitten’ van de cel aan [eiser] zijn teruggegeven en dat er geen stukken in beslag zijn genomen.

2.8.

Op 20 januari 2016 heeft de hoorzitting bij de beklagcommissie naar aanleiding van het door [eiser] op 18 november 2015 ingediende beklag plaatsgevonden.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, zakelijk weergegeven, de Staat:

  1. te gebieden dat alle, in de dagvaarding genoemd stukken die op 17 november 2015 zijn verwijderd uit de cel van [eiser] onmiddellijk aan hem worden teruggegeven;

  2. te gebieden dat een afschrift van alle bescheiden die betrekking hebben op de inspectie van de cel van [eiser] op 17 november 2015 en waar de Staat de beschikking over heeft, althans die de Staat onder zijn berusting heeft, aan [eiser] wordt verstrekt;

  3. te verbieden de stukken die op 17 november 2015 van de cel van [eiser] zijn verwijderd te vermenigvuldigen en afschriften daarvan te bewaren, te gebruiken en/of ter beschikking te stellen van derden;

  4. te verbieden ooit nog een inspectie in de cel van [eiser] te laten plaatsvinden buiten diens aanwezigheid en de aanwezigheid van het afdelingshoofd van de afdeling waar hij verblijft;

  5. de Staat te veroordelen tot betaling van een voorschot immateriële schadevergoeding van € 2.500,=;

het onder a tot en met e gevorderde op straffe van een dwangsom en alles met veroordeling van de Staat in de kosten van dit geding.

3.2.

Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan. Bij aanvang van de celinspectie op 17 november 2015 was [eiser] op zijn cel aanwezig. Hij heeft tegen de medewerkers van het LBB die zijn cel wilden doorzoeken direct gezegd dat zij niet gerechtigd waren om zijn processtukken en advocatenpost buiten zijn aanwezigheid te doorzoeken en/of te controleren op de aanwezigheid van contrabande. [eiser] heeft kenbaar gemaakt dat hij bij de celinspectie aanwezig wilde zijn en tevens dat hij wilde dat het afdelingshoofd van afdeling [Y1] bij de inspectie aanwezig zou zijn. Dit werd geweigerd. Na afloop van de celinspectie ontdekte [eiser] dat diverse spullen, waaronder advocatenpost en processtukken van zijn cel waren verwijderd. De advocatenpost en processtukken (hierna ook: de stukken) – die eigendom zijn van [eiser] en die hij ook op zijn cel mocht hebben – zijn nadien ook niet aan [eiser] teruggegeven. De stukken hebben een hoogst vertrouwelijk en geheim karakter en mogen beslist niet in handen van derden vallen. Met die derden wordt uitdrukkelijk, of juist, op de Staat gedoeld, nu de Staat (althans mensen die werken voor de Staat) verantwoordelijk is (zijn) voor de onterechte veroordeling van [eiser] . De ontvreemde stukken hebben betrekking op de wijze waarop door en in samenwerking tussen Nederland en Turkije onrechtmatig bewijs is gecreëerd tegen [eiser] .

3.3.

Ingevolge de Pbw mag op advocatenpost en processtukken geen inhoudelijke controle door de directeur van de p.i. worden uitgevoerd en mogen deze stukken niet buiten aanwezigheid van de gedetineerde worden doorzocht op aanwezigheid van bijgesloten voorwerpen. Reeds hierom is het optreden van de Staat onrechtmatig, nog daargelaten dat er stukken zijn ontvreemd. Voorts is er sprake van een schending van artikel 8 van Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden EVRM) en artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek. Omdat de stukken opzettelijk zijn ontvreemd vreest [eiser] dat afschriften zijn gemaakt of nog zullen worden gemaakt. Het ligt voor de hand dat de stukken gebruikt zullen worden om (te proberen) de lopende herzieningsprocedure van [eiser] te saboteren en druk op derden uit te oefenen. Omdat het bovendien niet de eerste keer is dat vertrouwelijke processtukken en advocatenpost bij gelegenheid van een celinspectie buiten zijn aanwezigheid zijn doorzocht en weggehaald en de Staat kennelijk niet bereid is de wet te respecteren heeft [eiser] belang bij toewijzing van het gevorderde verbod om zijn cel nog buiten zijn aanwezigheid te inspecteren. [eiser] heeft immateriële schade geleden door het handelen van de Staat, zowel door de stress en kopzorgen die de diefstal hem hebben bezorgd, als omdat door de diefstal tijdrovende inspanningen ( [eiser] had de ontvreemde stukken van handgeschreven aantekeningen voorzien die hij nodig heeft bij de voorbereiding van diverse lopende procedures) ongedaan zijn gemaakt. Gezien het feit dat de Staat ontkent processtukken en advocatenpost te hebben weggenomen, heeft [eiser] er een rechtmatig belang bij dat de Staat aan hem – op grond van artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) – een afschrift verstrekt van alle bescheiden waarover de Staat kan beschikken of die de Staat onder zijn berusting heeft en die betrekking hebben op de celinspectie.

3.4.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Nu [eiser] zijn vordering grondt op onrechtmatig handelen van de Staat is daarmee in zoverre de bevoegdheid van de civiele rechter gegeven.

4.2.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat de voorzieningenrechter in kort geding fungeert als ‘restrechter’ in alle zaken met een spoedeisend karakter. [eiser] kan niet in zijn vordering worden ontvangen wanneer er voor hem een andere rechtsgang openstaat of heeft gestaan die voldoende rechtsbescherming biedt. Als dat het geval is, is voor de beoordeling door de voorzieningenrechter in beginsel geen plaats. Conform vaste rechtspraak is de procedure van bezwaar tegen een beslissing van de directeur van de p.i. en beroep bij de RSJ in beginsel een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang, zoals door de Staat ook terecht is aangevoerd.

4.3.

Behoudens de vordering tot schadevergoeding geldt voor alle vorderingen van [eiser] dat deze betrekking hebben op een beslissing van de directeur die hetzij reeds genomen is hetzij door [eiser] uitgelokt kan worden. Nu tegen beslissingen van de directeur bezwaar en beroep als onder 4.2 omschreven openstaat, is er sprake van een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang die de weg naar de burgerlijke rechter, de voorzieningenrechter in dit geval, in beginsel afsluit. [eiser] heeft hier tegenin gebracht dat hetgeen in deze procedure wordt gevorderd niet aan de beklag- en beroepscommissie kan worden gevraagd, omdat de beklag- en beroepscommissie hooguit achteraf klachten gegrond kan verklaren en geen ge- en verboden kan opleggen aan de Staat. Dit betoog baat hem niet. Immers, ingevolge artikel 68 derde lid (juncto artikel 71 lid 3) van de Pbw kan de beklagcommissie (althans de beroepscommissie) de directeur opdragen een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Gelet hierop valt niet in te zien waarom [eiser] het onder a tot en met d gevorderde niet bij (althans via) de beklag- en beroepsprocedure kan bereiken.

4.4.

[eiser] heeft ten aanzien van zijn ontvankelijkheid voorts betoogd dat de beklag- en beroepscommissie hem alleen in zijn klachten zal ontvangen indien het klachten over een directeursbeslissing betreft. Als de beklag- of beroepscommissie meent dat niet de directeur van de p.i. maar het LBB verantwoordelijk is voor de jegens [eiser] gepleegde onrechtmatige daad zal het klaagschrift niet-ontvankelijk worden verklaard en is de ontvankelijkheid in dit kort geding gegeven. Door de schorsingsvoorzitter van de RSJ is [eiser] reeds niet-ontvankelijk verklaard ten aanzien van de verwijdering van advocatenpost en processtukken omdat geen sprake is van een beslissing van de directeur van de p.i. Ook in dit betoog kan [eiser] niet worden gevolgd. Zoals de Staat terecht heeft aangevoerd zijn medewerkers van het LBB aan te merken als ambtenaren of medewerkers als bedoeld in artikel 1 sub f van de Pbw. Ingevolge artikel 34 juncto artikel 5 Pbw is de spitactie uitgevoerd onder verantwoordelijkheid en naar aanleiding van een beslissing van de directeur, zodat voorshands niet valt in te zien dat bij de beklagcommissie niet-ontvankelijkheid zal volgen. Dat de schorsingsvoorzitter [eiser] niet-ontvankelijk heeft verklaard maakt dit niet anders. Dit betrof immers een voorlopig oordeel, waarmee niet vooruitgelopen is op de door de beklagcommissie te nemen beslissing ten gronde.

4.5.

Slotsom van het vorenstaande is dat [eiser] ten aanzien van zijn vorderingen a tot en met d niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat bij de beklag- en beroepscommissie een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang openstaat. Dit is slechts anders indien [eiser] een voldoende spoedeisend belang heeft bij het door hem beoogde doel en het verkrijgen van een beslissing middels de in de Pbw geregelde procedure onevenredig lang duurt. Daarvan is niet gebleken, nu het beklag van [eiser] op 20 januari 2016 door de beklagcommissie is behandeld en derhalve naar verwachting – het tegendeel is gesteld noch gebleken – op korte termijn uitspraak zal worden gedaan. [eiser] heeft niet onderbouwd waarom de beslissing van de beklagcommissie op zijn beklag niet kan worden afgewacht.

4.6.

Voor wat betreft de vordering van [eiser] tot betaling van een voorschot op schadevergoeding, wordt vooropgesteld dat ten aanzien van een geldvordering in kort geding terughoudendheid is geboden. Niet alleen zal moeten worden onderzocht of het bestaan van die vordering voldoende aannemelijk is, maar tevens of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. Nu de beklagcommissie nog geen uitspraak heeft gedaan, is van enig onrechtmatig handelen van de Staat voorshands niet is gebleken. Gelet hierop is niet voldaan aan het vereiste dat de vordering tot betaling van een voorschot op schadevergoeding voldoende aannemelijk is. Reeds daarom is deze vordering niet toewijsbaar.

4.7.

[eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen zoals onder 3.1 onder a tot en met d weergegeven;

5.2.

wijst af het overigens door [eiser] gevorderde;

5.3.

veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van De Staat begroot op € 2.725,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 1.909,-- aan griffierecht;

5.4.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2016.

idt