Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:1180

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-02-2016
Datum publicatie
15-02-2016
Zaaknummer
VK-15/13820
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking en afwijzing verlenging asielvergunning. Toetsing ex tunc en ex nunc. Artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn. Algemeen internationaal ambtsbericht september 2013. Ondeugdelijke motivering Uitspraak Den Bosch van 24 november 2014 (ECLI:NL:RBDHA:2015:13445). Artikel 8 EVRM: gezinsleven (samenwoning) niet onderbouwd. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 15/13820

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 11 februari 2016 in de zaak tussen

[naam], eiser,

gemachtigde mr. J.J.J. Jansen,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

daaronder mede begrepen diens rechtsvoorgangers, verweerder,

gemachtigde mr. A.R.J. Maas.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 15 juni 2015 (het bestreden besluit).

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 29 januari 2016. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig B. Arabi, tolk in de Arabische taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedatum] en de Libische nationaliteit te bezitten. Op 2 juli 2009 heeft eiser een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij besluit van 5 november 2009 heeft verweerder de gevraagde vergunning aan eiser verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), met ingang van 2 juli 2009 en geldig tot 2 juli 2014.

2. Op 24 september 2014 heeft verweerder een voornemen kenbaar gemaakt tot intrekking van de verleende vergunning. Op 30 oktober 2014 heeft eiser een aanvraag ingediend tot verlenging van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, dan wel tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Op 5 december 2014 heeft verweerder een voornemen uitgebracht tot afwijzing van deze aanvraag.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met terugwerkende kracht ingetrokken tot 20 juli 2012 omdat de grond voor verlening is komen te vervallen. Verweerder heeft bij hetzelfde besluit de aanvraag tot verlenging van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd afgewezen. Aan het bestreden besluit, gelezen in samenhang met het daarbij ingelaste voornemen, heeft verweerder ten grondslag gelegd dat uit het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over Libië van 25 mei 2012 (hierna: het ambtsbericht) blijkt dat de verandering van omstandigheden door de regimewijziging en de dood van Gadaffi een voldoende ingrijpend en niet voorbijgaand karakter heeft en er in het algemeen geen beperkingen voor Libiërs gelden om het land in en uit te reizen. Voorts heeft verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiser op grond van zijn eerdere relaas (ex tunc toets) dan wel zijn huidige situatie (ex nunc toets) niet in aanmerking komt voor een asielvergunning op een van de (overige) gronden bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Vw. Tot slot heeft verweerder bepaald dat eiser niet in aanmerking komt voor een ambtshalve te verlenen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, noch voor uitstel van vertrek om medische redenen.

4. De door eiser tegen het bestreden besluit aangevoerde gronden worden in het onderstaande besproken.

De rechtbank oordeelt als volgt.

5. Op 20 juli 2015 is de wet van 8 juli 2015 tot wijziging van de Vw ter implementatie van de herziene Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (Procedurerichtlijn) en Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (Opvangrichtlijn) in werking getreden. Op grond van het in die wetswijziging opgenomen overgangsrecht, neergelegd in artikel II, eerste lid, is op aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd waarop is besloten voor inwerkingtreding van deze wet en intrekkingen voor inwerkingtreding van deze wet, het recht zoals dit gold voor inwerkingtreding van deze wet van toepassing, met uitzondering van artikel 83a (nieuw) van de Vw, tenzij het onderzoek door de rechtbank is gesloten.

6. Nu het bestreden besluit dateert van vóór de datum van inwerkingtreding van de gewijzigde Vw, 20 juli 2015, maar het onderzoek van de rechtbank daarna is gesloten, is voormelde gewijzigde Vw in dit geval niet van toepassing, met uitzondering van artikel 83a (nieuw) van de Vw.

7. Ingevolge artikel 83a van de Vw (nieuw) omvat de toetsing van de rechtbank een volledig en ex nunc onderzoek naar zowel de feitelijke als de juridische gronden, met inbegrip van, indien van toepassing, een onderzoek naar de behoefte aan internationale bescherming.

8. Ingevolge artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw kan de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden ingetrokken dan wel de aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur ervan worden afgewezen indien de grond voor verlening, bedoeld in artikel 29, is komen te vervallen. Artikel 34, eerste lid, van de Vw biedt de mogelijkheid om een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd af te wijzen als zich een grond als bedoeld in artikel 32 voordoet.

9. Ingevolge artikel 3.37e van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV), voor zover hier van belang, wordt bij de beoordeling of een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, die is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw, wordt ingetrokken op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw, in aanmerking genomen of de wijziging van de omstandigheden een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter heeft om de gegronde vrees voor vervolging dan wel het reële risico op ernstige schade weg te nemen. De rechtsgrond voor verlening van de desbetreffende verblijfsvergunning heeft niet opgehouden te bestaan indien de vreemdeling dwingende redenen kan aanvoeren die voorvloeien uit vroegere vervolging dan wel uit vroegere ernstige schade, om te weigeren de bescherming in te roepen van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, of, in het geval van een staatloze, van het land waar hij vroeger zijn gewone verblijfsplaats had.

10. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

In het tweede lid, aanhef en onder f, is bepaald dat bij het onderzoek naar de aanvraag mede

wordt betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

Grond voor intrekking

11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er als gevolg van de regimewijziging in 2011 in Libië sprake is van een wijziging van omstandigheden in Libië van een voldoende ingrijpend en niet voorbijgaand karakter, in de zin van artikel 3.37e van het VV. Verweerder heeft zich in dit verband kunnen beroepen op het ambtsbericht van 25 mei 2012 en op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 25 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1703. Daarmee is de grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw, op basis waarvan eiser op 5 november 2009 een asielvergunning werd verleend, niet langer aanwezig.

12. Er is geen sprake van strijd met het vertrouwens-, rechtszekerheids- en het gelijkheidsbeginsel of van willekeur. Iedere vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd moet wegens het tijdelijke karakter ervan rekening houden met verblijfsbeëindiging. Er is nooit aan eiser toegezegd dat zijn verblijfsvergunning niet zou worden ingetrokken of dat aan hem een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd zou worden verleend. Verweerder heeft verklaard dat in gelijke gevallen, namelijk zaken van Libische asielzoekers die een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd hadden verkregen op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw vanwege de algemene situatie, eveneens de verblijfsvergunning is ingetrokken met terugwerkende kracht tot 20 juli 2012.

Overige individuele gronden voor verlening van een asielvergunning

13. Vervolgens staat ter beoordeling of verweerder terecht heeft geoordeeld dat eiser niet in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning asiel op één van de andere gronden van artikel 29 van de Vw. Allereerst moet, gelet op de beroepsgronden, worden beoordeeld of eiser vanwege zijn individuele asielrelaas in aanmerking hoort te komen voor een asielvergunning.

14. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvragen met toepassing van artikel 31, eerste lid, van de Vw, gelezen in samenhang met het tweede lid, aanhef, onder f, van deze bepaling, afgewezen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser toerekenbaar onvoldoende documenten heeft overgelegd om zijn nationaliteit, identiteit en reisroute te kunnen vaststellen. Het asielrelaas ontbeert volgens verweerder de vereiste positieve overtuigingskracht.

15. De rechtbank is van oordeel dat verweerder artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw aan eiser heeft kunnen tegenwerpen nu eiser toerekenbaar onvoldoende documenten heeft overgelegd om zijn nationaliteit, identiteit en reisroute te kunnen vaststellen. Eiser heeft vage verklaringen afgelegd over zijn reis per schip van Libië naar Nederland. Zo weet eiser de naam van het schip niet te noemen en kan hij niet vertellen wanneer hij is vertrokken uit Libië en wanneer hij in Nederland is aangekomen. Dat eiser de naam van de boot niet kon lezen, overtuigt niet, evenmin als de stelling dat eiser niet met data bezig was ten tijde van zijn vertrek uit Libië. Van eiser mag worden verwacht dat hij – bij gebrek aan reispapieren – dit soort relevante details kan vermelden.

16. Verweerder heeft dan ook terecht beoordeeld of van het asielrelaas van eiser positieve overtuigingskracht uitgaat.

17. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat het asielrelaas van eiser positieve overtuigingskracht mist. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat eiser wisselende en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over relevante bijzonderheden van zijn asielrelaas. Zo heeft eiser wisselend verklaard over de datum waarop de winkel van zijn vader zou zijn verwoest. Verder heeft verweerder het terecht bevreemdend geacht dat een oom van eiser een functie had bij de veiligheidsdienst, terwijl diens familieleden als terrorist werden aangemerkt door het toenmalige regime. Tot slot heeft verweerder, gelet op het ambtsbericht, terecht in twijfel getrokken dat eiser, die gezocht zou zijn door de veiligheidsdienst en die zijn dienstplicht nog niet had vervuld, zonder identificerende documenten de strikte veiligheidscontroles kon ontwijken tijdens zijn reis van Tripoli naar Zouara.

18. Eiser heeft verder aangevoerd dat hij vanwege zijn donkere huidskleur bij terugkeer naar Libië problemen zal ondervinden. Verweerder heeft, onder verwijzing naar het ambtsbericht, betoogd dat mensen met een donkere huidskleur in Libië met discriminatie te maken kunnen krijgen, maar dat het hebben van een donkere huidskleur alleen niet voldoende is om tot een risicogroep te worden gerekend. Verder heeft verweerder terecht aangevoerd dat niet aannemelijk is gemaakt dat eisers moeder tot de Tawergha-stam – een stam die zich loyaal heeft betoond aan het bewind van Gadaffi – behoorde. Eiser heeft zich immers tijdens de gehoren die voorafgingen aan de inwilligende asielbeslissing nooit in deze zin uitgelaten. Eiser heeft tijdens het eerste gehoor verklaard dat zijn ouders Arabieren waren en dat hun geboorteplaats Tripoli was, terwijl Tawergha’s volgens het ambtsbericht afkomstig zijn uit de plaats Tawergha.

19. Verweerder heeft zich, gelet op het vooroverwogene, toetsend naar de situatie ten tijde van het inwilligend besluit en naar de situatie ten tijde van het bestreden besluit, terecht op het standpunt gesteld dat eiser op grond van zijn individuele asielrelaas niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Algemene veiligheidssituatie in Libië

20. Vervolgens staat ter beoordeling of de veiligheidssituatie in Libië, of een deel daarvan, zodanig ernstig is verslechterd, dat thans sprake is van een uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van Richtlijn 2011/95/EU (Definitierichtlijn). Deze bepaling is geïmplementeerd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vw.

21. Eiser heeft zich in dit verband beroepen op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 24 november 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:13445, ook gepubliceerd in JV 2016/21. Ter zitting heeft eiser desgevraagd verklaard dat hij zich eveneens beroept op het in voormelde uitspraak besproken gezamenlijk ambtsbericht over Libië van 19 december 2014, opgesteld door Nederland, België, Noorwegen en Zweden.

22. In het bestreden besluit heeft verweerder, onder verwijzing naar het algemeen ambtsbericht van september 2013 en recentere informatie, waaronder het Report of the Secretary-General on the United Nations Support Mission in Libya van 5 september 2014, het standpunt ingenomen dat blijkt van een recente toename van het aantal geweldsincidenten in Libië. Veel daarvan zijn gerichte aanvallen. Willekeurig geweld met een groot aantal slachtoffers in verstedelijkte gebieden, met name Tripoli en Benghazi, lijkt eveneens toe te nemen. Verweerder betoogt dat er gewapende conflicten bekend zijn waarbij ongericht geweld met zware wapens is gebruikt in bepaalde verstedelijkte gebieden, maar dat niet is vastgesteld dat die methode wijdverbreid is bij alle strijdende partijen en gebruikt wordt in alle (stedelijke) conflictgebieden. Verweerder concludeert dat de veiligheidssituatie in Libië ernstig is, maar dat niet kan worden gesproken worden van een uitzonderlijke situatie.

23. Allereerst stelt de rechtbank vast dat niet in geschil is dat eiser afkomstig is uit Tripoli, één van de actuele conflicthaardgebieden in Libië. Tevens stelt de rechtbank vast dat eiser niet heeft bestreden dat ten tijde van de aan hem verleende verblijfsvergunning op 5 november 2009 geen sprake was van de in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vw bedoelde uitzonderlijke situatie.

24. België kwalificeert de feitelijke situatie in Libië mede op basis van dit ambtsbericht als een situatie bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Ook Zweden heeft een aantal kuststeden aangewezen als 15c-gebied. Verder heeft Noorwegen feitelijk een besluit- en vertrekmoratorium ingesteld, nu dit land blijkens het van de Noorse immigratiedienst Utlendingsnemnda (UNE) verkregen document van 5 januari 2015, het nemen van beslissingen in Libische asielzaken heeft opgeschort en de gedwongen terugkeer van asielzoekers naar Libië heeft opgeschort vanwege het aanhoudend gewapend conflict aldaar.

25. Gelet op deze divergentie neemt de rechtbank het oordeel over van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, in voormelde uitspraak, weergegeven in rechtsoverweging 30 tot en met 37, dat een nadere motivering is vereist in de situatie waarin de toepasselijke normen zijn geharmoniseerd en er een gezamenlijk ambtsbericht is uitgebracht, maar de andere betrokken lidstaten een andere juridische kwalificatie aan de feiten in dat ambtsbericht geven. Bij deze motivering is voorts van belang dat een sluitend antwoord wordt gegeven op de vraag of sprake is van ‘wijdverbreidheid’ van het geweld indien dat geweld beperkt blijft tot steden zoals Tripoli, waarbij aandacht moet worden besteed aan de vraag of burgers feitelijk de mogelijkheid hebben zich te verplaatsen van de ene naar de andere wijk, stad of regio. Voorts dient verweerder bij de beoordeling van de slachtoffers van het geweld onder de burgerbevolking niet alleen de aantallen doden, maar ook de aantallen gewonde en ontheemde burgers te betrekken, welke cijfers onder meer kunnen worden verkregen van Lybia Body Count (http://www.libyabodycount.org/table).

26. Noch in het bestreden besluit, noch ter zitting, heeft verweerder de hiervoor bedoelde motivering gegeven met betrekking tot de beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. De rechtbank komt tot het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Nu het intrekkingsbesluit wordt vernietigd, zal ook het besluit tot niet-verlening van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd worden vernietigd. Verweerder zal over deze aanvraag een nieuw besluit moeten nemen.

Verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd

27. Met betrekking tot de beroepsgrond die is gericht tegen het niet verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) wordt het volgende overwogen.

28. Eiser heeft zich beroepen op zijn gezinsleven met de in Nederland wonende [naam], die de Poolse nationaliteit heeft en met wie eiser stelt sinds het najaar van 2014 een Islamitisch huwelijk te hebben. Verder beroept eiser zich op het recht op respect voor zijn privéleven, waarbij hij wijst op de omstandigheid dat hij sinds 2009 in Nederland woont en dat hij in Den Haag een baan heeft.

29. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft tegengeworpen dat eiser zijn relatie niet met stukken heeft onderbouwd. Voor zover al van een relatie moet worden gesproken, kon verweerder voorts tegenwerpen dat eiser niet met deze vrouw samenwoont en dat daarmee geen sprake is een invulling van het gezinsleven die zodanig beschermwaardig is dat deze dient te leiden tot verblijfsaanvaarding. Wat betreft het privéleven volgt de rechtbank het standpunt van verweerder dat de duur van het verblijf en de banden met Nederland niet zodanig zijn dat deze moeten leiden tot vergunningverlening. Dat eiser inmiddels een tijdelijke aanstelling heeft op proef bij de gemeente Den Haag, zoals blijkt uit een in beroep overgelegde brief van deze gemeente, maakt die beoordeling niet anders.

30. Het beroep op artikel 8 van het EVRM treft dan ook geen doel.

Proceskosten

31. Gelet op rechtsoverweging 26 ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze kosten vastgesteld op € 980 (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 490, gemiddelde zwaarte).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt over de aanvraag van eiser tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser, ad € 980 (negenhonderdtachtig euro), te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in tegenwoordigheid van mr. W. Evenhuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2016.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.