Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:11769

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-10-2016
Datum publicatie
13-10-2016
Zaaknummer
C/09/507286 / HA ZA 16-306
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wie is contractspartij? De BV of haar bestuurder in privé? Het antwoord op deze vraag hangt af van hetgeen partijen jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars gedragingen en verklaringen hebben afgeleid en mochten afleiden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/2959

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/507286 / HA ZA 16-306

Vonnis van 12 oktober 2016

in de zaak van

de vennootschap onder firma

[eiseres] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. T.F.W. Bijloo te Den Haag,

tegen

[gedaagde] , handelend onder de naam [handelsnaam gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. H.J. Bakker te Leiden.

Partijen zullen hierna [eiseres] (in vrouwelijk enkelvoud) en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 1 maart 2016, met 12 producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met 3 producties;

  • -

    het tussenvonnis van 1 juni 2016, waarbij een comparitie van partijen is bevolen;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 30 augustus 2016.

1.2.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] is een loodgietersbedrijf in de brede zin van het woord.

2.2.

[gedaagde] drijft in de vorm van een eenmanszaak een bouw- en aannemingsbedrijf.

2.3.

Op 11 september 2014 is [X] BV opgericht. [gedaagde] is indirect aandeelhouder en bestuurder van [X] BV.

2.4.

Op 12 september 2014 heeft [eiseres] een offerte uitgebracht aan [gedaagde] voor het verrichten van loodgieterswerkzaamheden aan het pand met een winkel en appartementen gelegen aan de [adres] te [plaats] .

2.5.

Op 22 september 2014 heeft [eiseres] per e-mail aan [gedaagde] bevestigd dat de totale aanneemsom € 103.750,= exclusief btw bedraagt en dat zij de getekende opdrachtbevestiging graag tegemoet ziet.

2.6.

Op vrijdag 26 september 2014 heeft [gedaagde] per e-mail aan [eiseres] bericht:

“Beste Dhr. [eiseres] ,

Wij hebben een aantal gegevens nodig:

Kopie: VAR verklaring

VCA certificaten & ID werkzaam personeel op de […]

Graag op de factuur: [X] BV.

[…]”.

2.7.

Op dezelfde dag heeft [eiseres] per e-mail aan [gedaagde] geantwoord:

“[…]
Zoals gevraagd sturen wij bij dezen de gevraagde gegevens incl. de eerste 2 termijnen[…]”.

2.8.

Op maandag 29 september 2014 heeft [gedaagde] per e-mail aan [eiseres] gevraagd de tenaamstelling van de ontvangen facturen aan te passen in [X] B.V. [eiseres] heeft daarop de betreffende facturen, zoals verzocht, aangepast.

2.9.

[eiseres] heeft vervolgens alle werkzaamheden en het meerwerk (ad € 38.054,66) voor het project [adres] gefactureerd aan [X] B.V.

2.10.

Uiteindelijk is een bedrag van € 33.054,66 onbetaald gebleven. Voor deze vordering heeft [eiseres] [X] B.V. bij dagvaarding van 11 december 2015 in rechte betrokken. De advocaat van [X] B.V. heeft daarop schriftelijk aan [eiseres] bevestigd dat [X] B.V. in zwaar weer is komen te verkeren door het uitblijven van betalingen door haar opdrachtgever voor het project [adres] , Uw Huismeester. De procedure tegen [X] B.V. is vervolgens niet doorgezet door [eiseres] .

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 33.054,66, vermeerderd met rente en kosten. [eiseres] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij een overeenkomst heeft gesloten met [gedaagde] . Dat zij bereid was de facturen op naam te zetten van [X] B.V. maakt dat niet anders, aldus [eiseres] .

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De rechtbank stelt voorop dat naar aanleiding van de offerte van [eiseres] van 12 september 2014 een overeenkomst tot stand is gekomen. Het geschil spitst zich toe op de vraag of [gedaagde] jegens [eiseres] bij de totstandkoming van de overeenkomst in eigen naam, dat wil zeggen als contractspartij van [eiseres] , is opgetreden (stelling [eiseres] ) of niet (verweer [gedaagde] ). Het antwoord op deze vraag hangt af van hetgeen [gedaagde] en [eiseres] daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

4.2.

Vast staat dat [gedaagde] op 26 september 2014 – nog vóór de ontvangst van de (eerste) factuur voor de eerste termijn – aan [eiseres] heeft medegedeeld dat de facturen op naam van [X] B.V. moeten komen te staan. Toen bleek dat de factuur voor de eerste termijn toch op naam van [gedaagde] stond, heeft [gedaagde] terstond (op 29 september 2014) verzocht om aanpassing. [eiseres] heeft aan dit verzoek voldaan. Daarmee heeft [gedaagde] naar het oordeel van de rechtbank [eiseres] bij totstandkoming van de overeenkomst ervan op de hoogte gesteld dat hij de overeenkomst niet voor zichzelf wil aangaan maar dat [X] B.V. als contractspartij heeft te gelden en [gedaagde] ter zake als middellijk bestuurder van [X] B.V. is opgetreden. Dat [eiseres] dat ook zo heeft begrepen, volgt uit het feit dat zij de tenaamstelling van de facturen op verzoek van [gedaagde] terstond heeft aangepast. Dat de facturen deels zijn betaald door [gedaagde] , maakt het voorgaande niet anders. Ter gelegenheid van de comparitie heeft [gedaagde] toegelicht dat de betalingen door [gedaagde] het gevolg waren van het slechte betaalgedrag van de opdrachtgever van [X] B.V., Uw Huismeester, waardoor er soms geen geld was in de vennootschap om de onderaannemers, zoals [eiseres] , te betalen.

4.3.

Gelet op de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] lag het op de weg van [eiseres] om haar stelling te onderbouwen dat zij ondanks de e-mails van 26 en 29 september uit de verklaringen of gedragingen van [gedaagde] mocht afleiden dat [gedaagde] de overeenkomst met [eiseres] in eigen naam heeft gesloten. Dit heeft [eiseres] evenwel nagelaten. Aldus heeft [eiseres] haar stelling dat zij heeft gecontracteerd met [gedaagde] onvoldoende feitelijk onderbouwd.

4.4.

Het bovenstaande leidt ertoe dat de vordering van [eiseres] zal worden afgewezen.

4.5.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 885,=

- salaris advocaat 1.158,= (2 punten × tarief € 579,=)

Totaal € 2.043,=.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 2.043,=,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W. Vogels en in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2016.1

1 type: 2226