Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:11594

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-08-2016
Datum publicatie
27-09-2016
Zaaknummer
AWB 15/588
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het geval van eiseres geen ontheffing heeft hoeven verlenen van het inburgeringsvereiste, aangezien geen sprake is van de situatie dat het stellen van het inburgeringsvereiste gezinshereniging uiterst moeilijk of onmogelijk maakt.

Wetsverwijzingen
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden 8, geldigheid: 1998-11-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/588

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 25 augustus 2016 in de zaak tussen

[eiseres] ,

geboren op [geboortedatum] , van Afghaanse nationaliteit,

eiseres,

(gemachtigde: mr. J. Singh, advocaat te Hoofddorp),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

(gemachtigde: mr. S. Smit, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 1 september 2014 heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel “familie en gezin, verblijf bij [referent] (referent)” afgewezen.

Bij besluit van 8 januari 2015 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het besluit van 8 januari 2015 beroep ingesteld.

Bij brief van 28 april 2015 heeft de rechtbank partijen geïnformeerd dat de behandeling van de beroepszaak, in afwachting van het antwoord van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) op de prejudiciële vragen over het Nederlands basisexamen inburgering buitenland en de Gezinsherenigingsrichtlijn (gesteld in verwijzingsuitspraak van
1 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1196), wordt aangehouden.

Bij brief van 17 december 2015 heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat het Hof bij arrest van 9 juli 2015 (C-153/14, K. en A.; ECLI:EU:C:2015:453) de prejudiciële vragen heeft beantwoord en dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) op
19 november 2015 uitspraak heeft gedaan in de zaak waarin de prejudiciële vragen gesteld zijn (ECLI:NL:RVS:2015:3656). Verweerder is verzocht aan te geven of voornoemde uitspraak aanleiding geeft om het bestreden besluit te handhaven, te wijzigen of in te trekken.

Verweerder heeft op 24 februari 2016 een aanvullend besluit genomen, strekkende tot wijziging van de motivering ten aanzien van de tegenwerping van het inburgeringsvereiste.

Eiseres heeft op 22 maart 2016 aanvullende gronden van beroep ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juni 2016. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens zijn ter zitting verschenen referent en [zoon] , de zoon van eiseres.

Overwegingen

1. De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep van eiseres wordt geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 24 februari 2016.

2. De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten. Eiseres wenst verblijf bij haar echtgenoot (referent), met wie zij in 1985 in [plaats] , Afghanistan, is getrouwd. Referent verblijft sinds 2000 in Nederland. Referent en eiseres hebben samen drie kinderen (16, 19 en 22 jaar oud), die sinds 2011 in Nederland verblijven en bij referent wonen.

2.1.

Op 23 december 2009, 26 maart 2010 en 21 februari 2013 heeft eiseres verzoeken om advies voor afgifte van een mvv - voor verblijf bij referent - ingediend. Bij brieven van onderscheidenlijk 23 februari 2010, 27 april 2010 en 14 juni 2013 heeft verweerder daarop negatief geadviseerd. Op 28 april 2014 heeft referent ten behoeve van eiseres onderhavige aanvraag ingediend.

3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat eiseres niet heeft aangetoond dat zij het basisexamen inburgering buitenland met goed gevolg heeft afgelegd. Evenmin heeft eiseres aangetoond dat zij niet inburgeringsplichtig is of voor ontheffing van het inburgeringsvereiste in aanmerking komt. Volgens verweerder is de weigering om de gevraagde mvv te verlenen niet in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en is geen sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel.

4. Eiseres stelt dat verweerder haar op grond van de hardheidsclausule ontheffing van het inburgeringsvereiste had moeten verlenen. Daartoe voert zij aan - samengevat en zoals ter zitting toegelicht - dat sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die weliswaar niet afzonderlijk, maar wel in onderlinge samenhang bezien, maken dat zij blijvend niet in staat is om het basisexamen inburgering met goed gevolg af te leggen. Zo is eiseres analfabete, functioneert haar korte termijn geheugen niet naar behoren, heeft zij psychische problemen en verblijft zij als alleenstaande vrouw in Afghanistan, een zeer onveilig land. In Afghanistan is geen vertrouwensarts aanwezig, terwijl van eiseres niet kan worden verlangd dat zij telkens naar een buurland reist om medische verklaringen te halen. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat het zeer gevaarlijk is om in Afghanistan te reizen. Eiseres is voorts niet in staat zich voor te bereiden op het examen, omdat zij geen toegang heeft tot een computer of internet. Evenmin zijn er voor haar andere faciliteiten beschikbaar om een cursus te volgen. Verder hebben haar kinderen het grootste deel van hun leven bij eiseres gewoond en is zij al meer dan 30 jaar met referent getrouwd. Daar komt bij dat eiseres thans 52 jaar oud is en reeds vier jaar bezig is met het verkrijgen van een mvv. Verweerder heeft nagelaten deze omstandigheden in onderlinge samenhang te beoordelen, terwijl juist de combinatie van omstandigheden maakt dat het onredelijk is om haar nu nog het inburgeringsvereiste tegen te werpen. Immers, hierdoor wordt de gezinshereniging met referent onmogelijk of uiterst moeilijk gemaakt.

4.1.

Verweerder stelt zich - samengevat en zoals ter zitting is toegelicht - op het standpunt dat in het aangevoerde geen grond is gelegen om eiseres op grond van de hardheidsclausule van het inburgeringsvereiste te ontheffen. In het besluit van 8 januari 2015 heeft verweerder het beroep op de hardheidsclausule getoetst aan het beleid, neergelegd in paragraaf B1.4/7 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), zoals dat gold tot
1 januari 2016 en overwogen dat geen sprake is van een situatie waarin een combinatie van zeer bijzondere individuele omstandigheden ertoe dat leidt dat eiseres blijvend niet in staat is om het basisexamen inburgering met goed gevolg af te leggen. In het besluit van
24 februari 2016 heeft verweerder het beroep op de hardheidsclausule aanvullend getoetst aan het beleid neergelegd in paragraaf B1.4/7 Vc zoals dat luidt met ingang van
1 januari 2016 en beoordeeld of sprake is van een of meer bijzondere individuele omstandigheden, al dan niet in samenhang bezien, die ertoe leiden dat eiseres blijvend niet in staat is om het basisexamen inburgering met goed gevolg af te leggen. Geconcludeerd is dat niet gebleken is dat het tegenwerpen van het inburgeringsvereiste in dit geval de gezinshereniging onmogelijk of uiterst moeilijk maakt. Verweerder acht hierbij met name van belang dat niet is gebleken van getoonde wil om voor het examen te slagen, terwijl eiseres evenmin inspanningen heeft verricht om zich voor te bereiden op en te slagen voor (een deel van) het basisexamen inburgering. Dat eiseres alleenstaand en analfabeet is, betekent niet dat deze wil en enige inspanning niet van haar verwacht mogen worden. Voor analfabeten is immers een zelfstudiepakket in een niet digitale versie beschikbaar dat in huis kan worden bestudeerd, terwijl het voor het slagen voor het examen niet noodzakelijk is om gealfabetiseerd te zijn. Daarbij is het mogelijk om deelexamens te verrichten, zodat de focus kan worden gelegd op één onderdeel tegelijk. Hoewel de situatie in Afghanistan niet rooskleurig is, is niet onderbouwd dat de situatie zo gevaarlijk is dat niet gereisd kan worden. Bovendien woont eiseres bij haar broer en mannelijke pleegkinderen, dichtbij de grens, en heeft referent eerder ook verklaard bereid te zijn met eiseres mee te reizen. Ook acht verweerder van belang dat niet is gebleken van medische redenen op grond waarvan eiseres niet in staat zou zijn om het basisexamen inburgering af te leggen. De gestelde medische klachten zijn niet onderbouwd met een (recente) verklaring van een vertrouwensarts. Dat in Afghanistan geen vertrouwensarts aanwezig is, betekent niet dat daarom sprake is van een bijzondere omstandigheid. De situatie van eiseres verschilt daarin immers niet met die van andere Afghanen. Eiseres is bovendien in 2013 naar Pakistan afgereisd om daar een vertrouwensarts te zien. Verder acht verweerder van belang dat geen sprake is van acute problemen binnen het gezin, terwijl ook niet aannemelijk is dat de kinderen - gelet op hun leeftijd - intensieve zorg behoeven. De leeftijd van eiseres en de duur van het huwelijk leiden niet tot een ander oordeel. Referent verblijft immers al meer dan de helft van de periode van de duur van het huwelijk in Nederland en eiseres weet al vanaf 2009 dat zij aan het inburgeringsvereiste moet voldoen.

4.2.

De rechtbank stelt voorop dat uit eerder genoemd arrest van het Hof van 9 juli 2015 (hierna: arrest inzake K. en A.) en de daaropvolgende uitspraken van de Afdeling van
19 november 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3655 en ECLI:NL:RVS:2015:3656) volgt dat een derdelander moet worden vrijgesteld van het inburgeringsvereiste indien blijkt dat dit vereiste de uitoefening van het recht op gezinshereniging in zijn geval onmogelijk of uiterst moeilijk maakt. Daarbij dient rekening te worden gehouden met één of meer omstandigheden die er objectief aan in de weg staan dat het examen niet (met goed gevolg) kan worden afgelegd. Het Hof noemt hierbij specifiek leeftijd, opleidingsniveau, financiële situatie of gezondheidstoestand (ook van de betrokken gezinsleden van de gezinshereniger). Het door verweerder ten tijde van voormeld arrest en uitspraken gehanteerde vereiste dat sprake moet zijn van een combinatie van zeer bijzondere individuele omstandigheden, om in aanmerking te komen voor een ontheffing van de verplichting om te slagen voor het examen, verhoudt zich daarmee niet. Ook één enkele omstandigheid kan zo zwaar wegen dat de verplichting tot het afleggen en het behalen van het examen niet als voorwaarde voor verkrijging van een mvv mag worden gesteld.
4.2.1. Het besluit van 8 januari 2015 dateert van voor het arrest inzake K. en A. en voornoemde uitspraken van de Afdeling. Bij aanvullend besluit van 24 februari 2016 heeft verweerder, zo is ter zitting toegelicht, naar aanleiding van die rechtspraak en het gewijzigde beleid (zoals vastgesteld bij besluit van 7 december 2015, nummer WBV 2015/22, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000) de motivering van het besluit van 8 januari 2015 - voor wat betreft het beroep van eiseres op ontheffing van het inburgeringsvereiste vanwege bijzondere individuele omstandigheden - gewijzigd. Verweerder heeft ter zitting erkend dat het besluit van 8 januari 2015 op dit punt een deugdelijke motivering ontbeert. De rechtbank is derhalve van oordeel dat voornoemd besluit - voor wat betreft de conclusie dat eiseres niet in aanmerking komt voor ontheffing van het inburgeringsvereiste op grond van bijzondere individuele omstandigheden - onvoldoende is gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt reeds hierom. Het beroep is gegrond. Het besluit van 8 januari 2015 dient in zoverre te worden vernietigd.

5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich evenwel met de hiervoor onder 4.1. weergegeven motivering, opgenomen in het besluit van 24 februari 2016, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen sprake is van omstandigheden die ertoe leiden dat het tegenwerpen van het inburgeringsvereiste aan eiseres de gezinshereniging onmogelijk of uiterst moeilijk maakt, waardoor eiseres geen geslaagd beroep kan doen op de hardheidsclausule. Daarbij is van belang dat eiseres niet heeft betwist dat geen van de aangevoerde omstandigheden op zichzelf bezien in dit verband voldoende is. Het betoog van eiseres dat de aangevoerde omstandigheden in onderlinge samenhang bezien wel voldoende zijn en door verweerder niet als zodanig zijn bezien, volgt de rechtbank - gelet op de door verweerder gegeven motivering - niet. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiseres ook met de omstandigheden in onderlinge samenhang bezien onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het voor haar onmogelijk of uiterst moeilijk is om het inburgeringsexamen succesvol af te leggen. Daarbij heeft verweerder betekenis mogen hechten aan de omstandigheid dat eiseres nooit het basisexamen inburgering heeft afgelegd en geen inspanning heeft verricht om zich voor te bereiden op het basisexamen inburgering en om het examen af te leggen. Ook heeft verweerder van belang mogen achten dat eiseres voor de door haar aangevoerde omstandigheden geen, althans een onvoldoende, onderbouwing heeft gegeven. Hoewel uit de naar voren gebrachte omstandigheden - zoals hiervoor weergegeven - volgt dat van eiseres veel inspanning gevraagd wordt om het examen te behalen, betekent dat niet dat zij daarom niet in staat is om het inburgeringsexamen met goed gevolg af te leggen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder in het geval van eiseres geen ontheffing heeft hoeven verlenen van het inburgeringsvereiste, aangezien geen sprake is van de situatie dat het stellen van het inburgeringsvereiste gezinshereniging uiterst moeilijk of onmogelijk maakt.

6. Eiseres voert in beroep verder aan dat zij heeft verwezen naar identieke gevallen waarin Afghaanse vrouwen uit de regio van eiseres vrijstelling van het inburgeringsvereiste hebben gekregen (de zaak met dossiernummer [# 1] en V-nr. [# 2] ). Dit zou derhalve moeten leiden tot vrijstelling van het inburgeringsvereiste.
Ter zitting heeft eiseres desgevraagd toegelicht dat er juridisch-technisch gezien geen sprake is van gelijke gevallen, maar dat er omstandigheden zijn - te weten de lange duur van het huwelijk en het analfabetisme van eiseres - die het verschil in omstandigheden compenseren.

6.1.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt. Er is geen sprake van een gelijk geval, nu bij de vreemdeling in de zaak waarnaar wordt verwezen sprake was van een chronische depressie, waarbij de kinderen onder toezicht waren gesteld en de vier jongste kinderen psychische klachten hadden.

6.2.

Nu eiseres ter zitting heeft toegegeven dat geen sprake is van een gelijk geval behoeft deze beroepsgrond geen bespreking meer.

7. Ten slotte voert eiseres in beroep aan - samengevat - dat sprake is van een schending van artikel 8 EVRM, nu haar recht op familie- en gezinsleven door de afwijzing van de gevraagde mvv permanent onmogelijk wordt gemaakt. Verweerder heeft ten onrechte geen rekening gehouden met het feit dat referent in Nederland werkt en een sociaal leven leidt. Het is voor hem onmogelijk om in Afghanistan, gelet op de armoede daar, een baan te krijgen. Daarnaast is de situatie voor kinderen in Afghanistan zeer zorgwekkend. Het feit dat zij ouder zijn dan 12 jaar en geen zorg nodig hebben, doet niet af aan het feit dat zij op grond van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) het recht hebben bij beide ouders te verblijven en dat zij hun moeder nodig hebben. Daar komt bij dat de kinderen zich zorgen maken over hun moeder, eiseres. Ter zitting heeft eiseres nog aangevoerd dat het belang van verweerder bij het stellen van het inburgeringsvereiste nooit zwaarder kan wegen dan het belang van eiseres bij uitoefening van haar recht op familie- en gezinsleven.

7.1.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het afwijzen van de gevraagde mvv geen schending van artikel 8 EVRM oplevert. Weliswaar wordt er gezinsleven aangenomen tussen eiseres, referent en hun kinderen, maar er is geen sprake van inmenging in het gezinsleven. Ook rust er geen positieve verplichting op verweerder om aan eiseres verblijf alhier toe te staan. Er bestaat geen objectieve belemmering om het gezinsleven in het land van herkomst uit te oefenen. Dat referent vanwege zijn werk en sociale leven niet naar Afghanistan zou kunnen, is in dit verband onvoldoende. De stelling dat de kinderen zich niet zouden kunnen vestigen in Afghanistan is niet onderbouwd. Van belang is dat zij het grootste deel van hun leven in Afghanistan hebben gewoond en pas sinds 2011 in Nederland zijn. Er wordt dus aangenomen dat er nog banden met Afghanistan zijn. Er kan echter ook voor worden gekozen om het gezinsleven te continueren zoals dat altijd is gegaan. Weliswaar is sprake van een ‘certain degree of hardschip’ als referent en de kinderen naar Afghanistan zouden moeten, maar dat betekent niet dat de belangenafweging in het voordeel van eiseres moet uitvallen. Ook is niet gebleken van een situatie waarin de kinderen van eiseres zo sterk van haar afhankelijk zijn dat haar aanwezigheid noodzakelijk is. De kinderen hebben inmiddels een leeftijd waarbij een bepaalde mate van zelfstandigheid kan worden verwacht. Twee van de drie kinderen zijn meerderjarig en niet is gebleken dat het slecht met hen gaat of dat sprake is van een meer dan de normale emotionele afhankelijkheid. Ten aanzien van het beroep van eiseres op het IVRK en het Handvest wijst verweerder erop dat uit vaste jurisprudentie (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 7 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012: BV3716) volgt dat de bepalingen daaruit - voor zover die al een direct toepasbare norm inhouden - niet verder strekken dan dat bij een procedure als deze rekening moet worden gehouden met de belangen van daarbij betrokken kinderen. Dat is hier gebeurd.

7.2.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat met de afwijzing van de aanvraag geen sprake is schending van artikel 8 EVRM. Verweerder heeft bij de afweging van de belangen van de staat enerzijds en de belangen van eiseres, referent en hun kinderen anderzijds met name gewicht mogen toekennen aan de omstandigheid dat eiseres nimmer in het bezit is geweest van een verblijfstitel en dat geen objectieve belemmering bestaat om het familie- en gezinsleven in het land van herkomst dan wel elders buiten Nederland uit te oefenen. Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken dat zowel referent als de kinderen uit Afghanistan afkomstig zijn en dat de kinderen pas sinds 2011 in Nederland verblijven, zodat in redelijkheid verwacht mag worden dat zij zich in Afghanistan kunnen vestigen. Ook heeft verweerder daarbij kunnen betrekken dat de kinderen al een leeftijd hebben waarop een bepaalde mate van zelfstandigheid verwacht mag worden. De enkele stelling dat referent geen werk zal kunnen vinden in Afghanistan en zijn sociale leven in Nederland moet missen, heeft verweerder onvoldoende kunnen achten nu in het geheel niet is gebleken van een onmogelijkheid om het gezinsleven in Afghanistan uit te oefenen. Ook het beroep van eiseres op het IVRK en het Handvest heeft verweerder niet tot een ander oordeel hoeven leiden, nu verweerder zich in de belangenafweging - zoals hij terecht stelt - voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kinderen. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de belangen van de staat zwaarder wegen dan die van eiseres.

7.2.1.

Het betoog van eiseres ter zitting dat de belangen van de staat bij inburgering nooit zwaarder kunnen wegen dan het belang van eiseres om haar familie- en gezinsleven uit te oefenen, slaagt - gelet op het arrest inzake K. en A. (zie punt 49 en 53 van het arrest) - niet.

8.
Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat het besluit van
8 januari 2015 voor het overige in stand kan blijven. Het beroep gericht tegen het besluit van
24 februari 2016 is ongegrond.

9. Omdat de rechtbank - gelet op hetgeen hiervoor is overwogen onder 4.2.1. - het beroep tegen het besluit van 8 januari 2015 gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig vast op totaal € 992,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van
€ 496,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gericht tegen het besluit van 8 januari 2015 gegrond;
- vernietigt het besluit van 8 januari 2015 voor wat betreft het onder 4.2.1. weergegeven motiveringsgebrek;
- verklaart het beroep gericht tegen het besluit van 24 februari 2016 ongegrond;
- draagt verweerder op € 167,- te betalen aan eiseres als vergoeding voor het betaalde griffierecht;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres en draagt verweerder op € 992,- te betalen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Vollebregt - Kuipers, voorzitter, en
mr. J.M. Janse van Mantgem en mr. E.B. de Vries - van den Heuvel, leden, in aanwezigheid van mr. W.I.K. Baart, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
25 augustus 2016.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.