Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:11367

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-09-2016
Datum publicatie
23-09-2016
Zaaknummer
C-09-502203-HA ZA 15-1411
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank wijst de vordering van eiser tot schadevergoeding van onrechtmatig vernietigde autoradio’s toe. Ook wordt een vergoeding toegekend voor de door eiser geleden immateriële schade wegens onrechtmatige berichtgeving op de website van de politie over (de achtergrond van) de aanhouding van eiser. De vordering in verband met de onrechtmatige aanhouding/huiszoeking en gederfde levensvreugde wordt afgewezen.

Wetsartikel: 6:162 BW; overheidsaansprakelijkheid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2016-0248
Onder redactie van mr. M. van der Linden en mr. C.C.M. Kroeks – de Raaij annotatie in IR 2016/175, UDH:IR/13850
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/502203 / HA ZA 15-1411

Vonnis van 21 september 2016

in de zaak van

[eiser] ,

domicilie gekozen te [plaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. C.P. Zwaanswijk te 's-Gravenhage,

tegen

rechtspersoon naar publiekrecht

STAAT DER NEDERLANDEN (MIN.VEILIGHEID EN JUSTITIE),

zetelende te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. G.C. Nieuwland te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna [eiser] en Staat der Nederlanden genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 14 december 2015 met de producties 1 tot en met 10,

  • -

    de conclusie van antwoord met de producties 1 tot en met 6,

  • -

    het tussenvonnis van 20 april 2016,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 24 juni 2016 en

  • -

    de brief van de zijde van [eiser] van 3 juli 2016 met daarin een inhoudelijke reactie op het proces-verbaal van de comparitie van 24 juni 2016.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 18 maart 2013 om 7.52 uur is [eiser] op last van de officier van justitie buiten heterdaad aangehouden in zijn eigen woning gelegen aan de [adres] in [plaats 2] op verdenking van heling van autoradio’s en aanverwante elektronica.

2.2.

Op 18 maart 2013 om 8.45 uur heeft een doorzoeking plaatsgevonden in de woning van [eiser] . De rechter-commissaris heeft op 15 april 2013 de vordering van de officier van justitie tot deze doorzoeking geaccordeerd. Bij de doorzoeking zijn in totaal 65 dozen met elektronica in beslag genomen. De in beslag genomen goederen staan vermeld op een beslaglijst.

2.3.

Op 18 maart 2013 om 13.20 uur vindt het eerste verhoor van [eiser] bij de politie plaats. In dit verhoor verklaart [eiser] dat hij gemiddeld 10 euro voor een autoradio betaalt, maar dat hij deze ook wel eens voor 15 euro koopt, en een hele mooie voor 20 of 25 euro. Soms betaalt hij ook minder geld, circa 5 euro, voor een autoradio. Verder heeft [eiser] verklaard dat hij de autoradio’s als hobby verzamelt, dat hij deze repareert en opknapt en, om zijn hobby betaalbaar te houden, via Marktplaats verkoopt.

2.4.

Op 18 maart 2013 om 14.44 uur wordt [eiser] in verzekering gesteld. In het kader van het verhoor dat de hulpofficier van justitie heeft afgenomen voorafgaand aan de inverzekeringstelling heeft [eiser] verklaard:

Ik heb mij niet schuldig gemaakt aan heling. Ik koop van particulieren en demontage bedrijven. Dit verkoop ik dan weer via internet.

2.5.

Op 19 maart 2013 om 08.00 uur publiceert de politie het navolgende bericht op haar website www.politie.nl:

Politie neemt grote partij autoradio’s in beslag, 47 jarige Zoetermeerder aangehouden

Zoetermeer – Met de aanhouding van een 47-jarige Zoetermeerder verwacht de politie een einde te hebben gemaakt aan heling en of diefstal van autoradio’s.

De politie kwam de man op het spoor nadat Zoetermeerders slachtoffer waren geworden van een inbraak in auto. Zij meenden later op een verkoopsite op internet hun goederen te herkennen die te koop werden aangeboden door een 47-jarige Zoetermeerder en melden dit bij de politie. De politie Zoetermeer startte in februari een onderzoek naar deze verdenkingen. Maandagochtend 18 maart werd hij in zijn woning aangehouden. In zijn woning vond de politie een omvangrijke hoeveelheid auto radio’s en andere apparatuur. De recherche name enkele honderden autoradio’s, CD spelers, navigatiesystemen en toebehoren aangetroffen in beslag.

Verdachte is inverzekering gesteld

De verdachte zit nog vast. Hij wordt de komende dagen gehoord over de herkomst van de partij autoradio’s. Daarnaast doet de recherche onderzoek naar de herkomst van de inbeslag genomen goederen. De politie onderzoekt of deze spullen van diefstal afkomstig zijn en welke rol de 47-jarige Zoetermeerder daarin dan heeft gehad.

Stijging diefstal uit auto’s

De politie van Zoetermeer constateerde de eerste maanden van dit jaar een forse stijging van het aantal auto-inbraken. Zo deden de afgelopen week 30 gedupeerden aangifte van diefstal uit auto. De afgelopen vier weken bleek dat zelfs te zijn gestegen van 75 naar 125 aangiften. (…)

De berichtgeving is voorzien van een drietal foto’s van de inbeslaggenomen radio’s en het persbericht is overgenomen door andere media.

2.6.

Op 19 maart 2013 om 13.30 uur heeft [eiser] tijdens zijn tweede politieverhoor afstand gedaan van een radio met subwoofer, twee Pioneer boxen, een autoradio van het merk Sony en een navigatiesysteem van het merk MIO. Deze goederen bleken van diefstal afkomstig.

2.7.

[eiser] is gedagvaard voor een zitting van de politierechter van 27 november 2013. De politierechter heeft de dagvaarding nietig verklaard omdat deze onvoldoende feitelijk was.

2.8.

Bij e-mailbericht van 5 maart 2014 heeft de officier van justitie aan de advocaat van [eiser] te kennen gegeven dat zij besloten heeft de zaak niet opnieuw aanhangig te maken en te seponeren wegens onvoldoende belang (code 32).

2.9.

Op 22 april 2014 heeft [eiser] een klaagschrift ex artikel 552a Sv ingediend. De officier van justitie heeft zich tijdens de mondelinge behandeling van dit klaagschrift op het standpunt gesteld dat het belang van strafvordering zich niet tegen de opheffing van het belang verzet, maar dat teruggave feitelijk niet meer mogelijk is omdat de goederen inmiddels zijn vernietigd. De rechtbank heeft bij beschikking van 15 juli 2014 het klaagschrift gegrond verklaard en de teruggave van de op de beslaglijst vermelde goederen gelast.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert samengevat - veroordeling van de Staat der Nederlanden tot betaling van € 25.275,-- aan materiële schade en € 15.000,-- aan immateriële schade, vermeerderd met rente en kosten.

3.2.

Aan de vordering legt [eiser] ten grondslag dat de Staat der Nederlanden jegens hem een onrechtmatige daad gepleegd heeft door de in beslag genomen goederen niet aan hem terug te geven en in plaats daarvan op voorhand te vernietigen. Verder ondervindt [eiser] gederfde levensvreugde als gevolg van de doorzoeking en de publicatie van een artikel over zijn aanhouding in diverse media. Bovendien is door de vernietiging van de in beslag genomen goederen de levensinvulling van [eiser] , het repareren van tweedehands autoradio’s, en de daarbij horende levensvreugde verloren gegaan.

3.3.

De Staat der Nederlanden ziet grond voor een toekenning van een vergoeding voor de geleden materiële schade. De in beslag genomen goederen dienen terug gegeven te worden aan [eiser] . Nu de goederen echter vernietigd zijn is dat niet meer mogelijk, zodat een vervangende schadevergoeding moet worden toegekend. De Staat der Nederlanden betwist de hoogte van de gevorderde vergoeding en stelt zich op het standpunt dat een bedrag van € 2.500,-- een redelijke vergoeding van de geleden materiële schade is. De Staat der Nederlanden stelt zich op het standpunt dat een grondslag voor het toekennen van een immateriële schadevergoeding ontbreekt. In het licht van de verdenking die jegens [eiser] bestond was de doorzoeking van de woning noodzakelijk om te voorkomen dat goederen zouden worden verborgen. Bij deze doorzoeking zijn ook gestolen goederen aangetroffen. Bovendien lag aan de doorzoeking een machtiging van de rechter-commissaris ten grondslag, die geoordeeld heeft dat er sprake was van een redelijk vermoeden van schuld jegens [eiser] . Verder stelt de Staat der Nederlanden zich op het standpunt dat de doorzoeking zelf niet onrechtmatig was, nu deze niet in strijd was met wettelijke voorschriften of fundamentele rechtsbeginselen.

4 De beoordeling

4.1.

[eiser] voert in deze procedure aan dat de Staat der Nederlanden onrechtmatig jegens hem gehandeld heeft. De door [eiser] geleden schade valt uiteen in materiële schade (vernietigde autoradio’s) en immateriële schade (aantasting eer en goede naam en gederfde levensvreugde). De rechtbank zal de verschillende onderdelen van de gevorderde schadevergoeding hierna beoordelen.

Materiële schade vernietigde autoradio’s

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat de Staat der Nederlanden jegens [eiser] een onrechtmatige daad gepleegd heeft door de inbeslaggenomen goederen (autoradio’s en aanverwante elektronica) te vernietigen. Ook is niet in geschil dat de Staat der Nederlanden de schade die hieruit voortvloeit dient te vergoeden. Partijen zijn echter verdeeld over de hoogte van de schadevergoeding. [eiser] stelt, onder verwijzing naar een in zijn opdracht opgesteld taxatierapport van [A] van 18 december 2014, dat de goederen een waarde van € 25.000,- vertegenwoordigen. De Staat der Nederlanden acht daarentegen een schadevergoeding van € 2.500,- op zijn plaats.

4.3.

De rechtbank overweegt dat het op de weg van [eiser] ligt om de hoogte van de door hem geleden schade te onderbouwen. Echter, de onder [eiser] in beslag genomen goederen zijn in opdracht van de officier van justitie vernietigd en derhalve niet meer beschikbaar voor een nader (taxatie)onderzoek. De rechtbank zal derhalve de hoogte van de geleden schade moeten vaststellen op basis van haar schattingsbevoegdheid (artikel 6:97 BW).

4.4.

De rechtbank is van oordeel dat het in opdracht van [eiser] opgestelde taxatierapport onvoldoende basis biedt voor een betrouwbare waardebepaling. Uit het rapport blijkt op geen enkele wijze welke parameters de taxateur gebruikt heeft en op welke wijze hij de omvang van de schade berekend heeft. Bovendien bestaat er een groot verschil tussen de getaxeerde waarde van de autoradio’s (gemiddeld ruim 50 euro per autoradio) en de eigen verklaringen van [eiser] over de waarde van de autoradio’s (10 tot 15 euro per autoradio). In dit verband verwijst de rechtbank naar de verklaring van [eiser] in zijn eerste verhoor bij de politie, waarin hij heeft verklaard dat hij gemiddeld

€ 10,- voor een autoradio betaalt, maar ook wel eens wat meer of minder. In zijn tweede verhoor bij de politie heeft [eiser] verklaard dat hij dat redelijke prijzen vindt. Ook ter zitting heeft [eiser] gepersisteerd en verklaard dat hij gemiddeld € 12,- of € 15,- voor een autoradio betaalt. De rechtbank is van oordeel dat tussen deze getaxeerde waarde en de bedragen die [eiser] zelf heeft genoemd zo’n groot, onverklaarbaar verschil bestaat, welk verschil van de zijde van de [eiser] ook niet nader is toegelicht, dat zij het taxatierapport ter zijde zal schuiven.

4.5.

Derhalve neemt de rechtbank voor de schatting van de hoogte van de geleden schade de bedragen die [eiser] zelf in zijn in zijn eerste verhoor bij de politie genoemd heeft, en in het tweede verhoor heeft bevestigd, te weten een gemiddelde aankoopprijs van

€ 10,-- per autoradio, als uitgangspunt voor de berekening van de schade. Tussen partijen is niet in geschil dat 437 autoradio’s en aanverwante elektronica vernietigd zijn. Dat betekent dat vernietigde goederen een waarde van (10 x € 437,-- = ) € 4.370,-- vertegenwoordigen. Ook de kosten voor de taxatie (€ 275,-) komen in aanmerking voor vergoeding.

4.6.

Van de zijde van de Staat der Nederlanden is nog aangevoerd dat bij het bepalen van de waarde van de autoradio’s nog rekening gehouden moet worden met de afschrijving. De rechtbank overweegt dat de autoradio’s (deels) voor verzamelaars/hobbyisten bestemd zijn, zodat de normale afschrijving niet zonder meer kunnen worden toegepast. Nu de goederen onrechtmatig vernietigd zijn, kan actuele waarde en de mate van afschrijving ook niet op een andere wijze worden bepaald. Deze omstandigheid komt voor rekening en risico van de Staat der Nederlanden, zodat de rechtbank zijn verweer met betrekking tot de afschrijving terzijde zal laten.

Immateriële schade gederfde levensvreugde

4.7.

[eiser] heeft aangevoerd dat door de onrechtmatige vernietiging van de autoradio’s zijn levensinvulling en –vreugde weggenomen zijn en dat hij wenst dat de schade die dit tot gevolg heeft gehad gecompenseerd wordt. De rechtbank overweegt dat een benadeelde op grond van artikel 6:106 lid 1sub b BW recht heeft op een schadevergoeding indien de benadeelde op een andere wijze is aangetast in zijn persoon. Hiervan kan sprake zijn in het geval van geestelijk letsel. Om van geestelijk letsel te kunnen spreken is niet voldoende dat er sprake is van een meer of minder sterk psychisch onbehagen of een zich gekwetst voelen (HR 13 januari 1995, ECLI:HR:1995:ZC1609; HR 23 januari 1998, ECLI:HR:1998:ZC2551). De partij die zich op de aantasting van zijn persoon beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval een psychische beschadiging is ontstaan waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel is of had kunnen worden vastgesteld (HR 9 mei 2003, NJ 2005/168 en HR 19 december 2003, NJ 2004/348).

4.8.

De rechtbank stelt voorop dat het invoelbaar is dat met de onrechtmatige vernietiging van de collectie autoradio’s en aanverwante elektronica een deel van [eisers] levensinvulling is weggenomen. Onder verwijzing naar het onder het hierboven uitgewerkte beoordelingskader is die omstandigheid op zichzelf echter onvoldoende om een voor een schadevergoeding in aanmerking komende immateriële schade te kunnen vaststellen. Van immateriële schade is pas sprake als [eiser] als gevolg van de vernietiging van de autoradio’s een in de psychiatrie erkend geestelijk letsel heeft opgelopen. De aanwezigheid van dit geestelijk letsel dient, in beginsel, te blijken uit een door een psychiater gestelde diagnose. [eiser] heeft een dergelijke diagnose niet in de procedure gebracht en ook anderszins heeft hij onvoldoende aangevoerd waaruit het geestelijk letsel en het causaal verband met de onrechtmatige vernietiging van de collectie autoradio’s blijkt. Dit onderdeel van de vordering is dan ook niet toewijsbaar.

Immateriële schade doorzoeking/aanhouding

4.9.

Voor de vraag of [eiser] immateriële schade geleden heeft als gevolg van de doorzoeking en aanhouding in zijn woning op 18 maart 2013, zal de rechtbank allereerst moeten beoordelen of het gebruik van deze strafrechtelijke dwangmiddelen al dan niet onrechtmatig is geweest. Gebruikmaking van strafrechtelijke dwangmiddelen kan onrechtmatig zijn als (i) het dwangmiddel is toegepast in strijd met de wettelijke voorschriften of fundamentele rechtsbeginselen en/of (ii) achteraf blijkt dat de verdenking ten onrechte heeft bestaan (HR 13 oktober 2006, NJ 2007/432).

4.10.

Tussen partijen is niet in geschil dat de doorzoeking van de woning van [eiser] heeft plaatsgevonden in overeenstemming met de wettelijke bevoegdheden. De rechter-commissaris heeft een machtiging voor de doorzoeking afgegeven en gesteld noch gebleken is dat bij die doorzoeking andere wettelijke voorschriften zijn overtreden. Ook zijn partijen niet verdeeld over de vraag dat niet ten onrechte een verdenking bestaan heeft. Dat de officier van justitie de strafzaak tegen [eiser] op een later moment geseponeerd heeft, doet niet af aan de omstandigheid dat ten tijde van de doorzoeking een redelijk vermoeden van schuld bestond, hetgeen ook bevestiging vindt in de machtiging van de rechter-commissaris. Bovendien zijn bij [eiser] meerdere goederen afkomstig van diefstal aangetroffen, hetgeen steun biedt aan de redelijke verdenking.

4.11.

Partijen zijn echter wel verdeeld over het verwijt van [eiser] dat de doorzoeking heeft plaatsgevonden zonder inachtneming van het proportionaliteitsbeginsel. Dit verwijt betreft zowel de keuze voor de doorzoeking als de wijze waarop deze is uitgevoerd. Tegen de achtergrond van de verdenking dat een groot aantal (mogelijk) van diefstal afkomstige autoradio’s zich in de beschikkingsmacht van [eiser] bevonden en bij een uitnodiging voor een verhoor op het politiebureau het gevaar aanwezig mag worden geacht dat mogelijk bewijsmateriaal voor het strafrechtelijk onderzoek in het ongerede zou geraken, acht de rechtbank de keuze voor een huiszoeking niet disproportioneel. Voorts is niet gebleken dat meer politiefunctionarissen dan noodzakelijk bij de doorzoeking hebben geassisteerd. Dat de aangetroffen autoradio’s op een later moment door een vrachtwagen zijn afgevoerd, kan, gezien de omvang van de collectie autoradio’s en aanverwante elektronica, ook niet als disproportioneel worden beschouwd. De stelling dat de doorzoeking met groot machtsvertoon heeft plaatsgevonden vindt onvoldoende steun in de feiten. De rechtbank concludeert dan ook dat de doorzoeking niet disproportioneel en derhalve het gebruik van de strafrechtelijke dwangmiddelen niet onrechtmatig geweest is.

Immateriële schade persbericht politie

4.12

Ten slotte heeft [eiser] zich op het standpunt gesteld dat de publicatie van het persbericht van 19 maart 2013 onrechtmatig is. Bij de beoordeling van dit onderdeel van de vordering stelt de rechtbank voorop dat de politie in het kader van haar voorlichtende taak de bevoegdheid heeft om in voorkomende gevallen via een persbericht publieke bekendheid te geven aan lopende onderzoeken en de aanhouding en inverzekeringstelling van een verdachte die in dat kader heeft plaatsgevonden. Bij de gebruikmaking van deze bevoegdheid dient de politie echter wel rekening te houden met de belangen van de verdachte, in het bijzonder zijn eer en goede naam en persoonlijke levenssfeer. Meer in het bijzonder dient meegewogen te worden dat het een feit van algemene bekendheid is dat voor de meeste burgers de omstandigheid dat de politie publiek bekend maakt dat hij of zij verdacht wordt van een strafbaar feit leidt tot een aantasting van zijn of haar eer en goede naam. Verder dient de politie er rekening mee te houden dat het publiek over het algemeen een grote betrouwbaarheidswaarde toekent aan berichtgeving afkomstig van de politie. Dit maakt dat de politie bij het opstellen van persberichten een grote zorgvuldigheid dient te betrachten en enkel die feiten in haar publicatie kan vermelden waarvoor het tot dan toe beschikbare politiedossier op dat moment voldoende houvast biedt.

4.14.

De Staat der Nederlanden heeft niet betwist dat de aanhouding van [eiser] en de doorzoeking van de woning van [eiser] niet onopgemerkt gebleven is voor straatgenoten van [eiser] . Verder wordt overwogen dat de inhoud van het persbericht van de politie van 19 maart 2013 voor degenen die kennis hebben genomen van de doorzoeking van de woning van [eiser] en zijn aanhouding, rechtstreeks herleidbaar is tot [eiser] nu in het persbericht het moment van aanhouding en de woonplaats en leeftijd van [eiser] vermeld zijn. Dit maakt dat de rechtbank voor deze kring van personen weinig waarde toekent aan de omstandigheid dat [eiser] niet met naam en toenaam vermeld is in het persbericht. De rechtbank overweegt verder dat vanuit de tekst van het persbericht, en in het bijzonder de inleidende tekst: “Met de aanhouding van een 47-jarige Zoetermeerder verwacht de politie een einde te hebben gemaakt aan heling en of diefstal van autoradio’s”, een sterke suggestie gaat dat er een verband bestaat tussen het toegenomen aantal auto-inbraken in de gemeente Zoetermeer, de in beslag genomen autoradio’s en de (sturende) rol van [eiser] bij dat alles. Gesteld noch gebleken is dat op dat moment, maar ook na afronding van het politieonderzoek, het dossier voldoende steun bood voor deze verstrekkende uiting. Verder laat de rechtbank meewegen dat de Staat der Nederlanden de urgentie en de noodzaak om het persbericht op 19 maart 2013 om 8.00 uur te publiceren onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt, en in het bijzonder waarom niet kon worden gewacht tot na het moment waarop [eiser] met de inbeslaggenomen goederen is geconfronteerd en vragen heeft beantwoord over de herkomst daarvan.

4.15.

De rechtbank is van oordeel dat door voornoemde omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, de handelwijze van de politie jegens [eiser] als onrechtmatig moet worden aangemerkt. De politie heeft bij het opstellen van het persbericht onvoldoende rekening gehouden met de gerechtvaardigde belangen van de [eiser] . De Staat der Nederlanden is aansprakelijk voor de immateriële schade die dit onrechtmatige handelen heeft opgeleverd. Dat [eiser] reputatieschade heeft opgelopen is onder de gegeven omstandigheden voldoende aannemelijk geworden, hetgeen ook steun vindt in de verklaring van [eiser] ter zitting dat hij het gevoel heeft door buurtgenoten als topcrimineel gezien te worden en dat hij om die reden het liefst zou willen verhuizen. Bij het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding houdt de rechtbank evenwel rekening met de omstandigheid dat gesteld noch gebleken is dat de kring van personen die kennis genomen heeft van de inval in de woning van [eiser] groter is dan de kring van straatgenoten. Dit is echter wel de kring van personen die in de directe woonomgeving van [eiser] woont en verblijft. De rechtbank stelt de hoogte van de schadevergoeding, rekening houdend met alle feiten en omstandigheden vast op een bedrag van € 1.500,--.

Conclusies

4.16.

De rechtbank komt tot de conclusie dat de [eiser] in aanmerking komt voor een vergoeding van (€ 4.370,-- + € 275,-- + € 1.500,-- =) € 6.145,--. De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar.

4.17.

Nu de vordering van [eiser] slechts gedeeltelijk toegewezen is, zal de rechtbank de proceskosten tussen partijen compenseren, in die zin dat ieder van de partijen de eigen proceskosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt de Staat der Nederlanden om aan [eiser] te betalen een bedrag van

€ 6.145,-- (zesduizendhonderdvijfenveertig euro) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 december 2015 tot aan de dag der algehele voldoening,

5.2.

compenseert de proceskosten,

5.3.

wijst het meer of anders gevorderde af,

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.C. Hartendorp en in het openbaar uitgesproken op 21 september 2016.