Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:11306

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-06-2016
Datum publicatie
20-09-2016
Zaaknummer
09/758830-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoeker is niet ontvankelijk in zijn verzoek, omdat de zaak nog niet is geëindigd.

Nu het openbaar ministerie ter zake de feiten 2 en 3 met parketnummer 09/758830-12 – waarvoor straf is opgelegd – hoger beroep heeft ingesteld en op dit hoger beroep nog niet is beslist, kan niet worden gezegd dat de zaak, zoals ter beoordeling aan de rechtbank is voorgelegd, en waarop dus het rechtsgeding in eerste aanleg betrekking had, is geëindigd. Bepalend is het oordeel van de rechtbank dat in het belang van het onderzoek het rechtsgeding in eerste aanleg betrekking had op alle aan verzoeker tenlastegelegde feiten. Het partieel intrekken van hoger beroep brengt dan ook niet mee dat het onder 1 tenlastegelegde feit onder parketnummer 09/758830-12 als een afzonderlijke zaak als bedoeld in artikel 89 Sv valt te beschouwen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Parketnummer: 09/758830-12

Kenmerk RK: 16/44

Beschikking van de rechtbank Den Haag, enkelvoudige raadkamer in strafzaken, op het verzoek ex artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedag] 1974 te [geboorteplaats] ,

te dezer zake domicilie kiezende ten kantore van advocaat mr. R.J. van Eenennaam,

adres: Adelheidstraat 76, 2595 EE Den Haag,

strekkende tot een vergoeding ten laste van de Staat voor de schade welke verzoeker ten gevolge van ondergane verzekering en voorlopige hechtenis heeft geleden tot een bedrag van in totaal € 14.120,-, met het verzoek dit te voldoen door overmaking naar rekeningnummer [rekeningnummer] , o.v.v. [verzoeker] / Advies Sv en 2015370.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafdossier met bovengenoemd parketnummer.

De rechtbank heeft dit verzoek op 31 mei 2016 in raadkamer behandeld.

Verzoeker is – hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen – niet in raadkamer verschenen; wel aanwezig was zijn raadsman, mr. R.J. van Eenennaam.

De officier van justitie heeft in raadkamer geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in zijn verzoek nu de beslissing van de rechtbank nog niet onherroepelijk is geworden.

Beoordeling van het verzoek.

De bevoegdheid van het verzoek

De raadkamer van deze rechtbank is bevoegd tot behandeling van het onderhavige verzoekschrift.

De ontvankelijkheid van het verzoek

Verzoeker is in de zaak met parketnummer 09/758830-12 – kort gezegd – verweten zich schuldig te hebben gemaakt aan een poging tot doodslag dan wel een poging tot zware mishandeling (feit 1), opzettelijke vrijheidsberoving (feit 2) en een mishandeling, begaan tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening (feit 3). De feiten 2 en 3 stonden eerst ingeschreven onder parketnummer 09/818220-13 maar zijn door het openbaar ministerie gevoegd onder parketnummer 09/758830-12.

Daarnaast is verzoeker in de zaak met parketnummer 09/808576-13 verweten zich schuldig te hebben gemaakt aan de aanwezigheid en kweek van hennep, en diefstal van elektriciteit (feiten 1 t/m 3).

De meervoudige strafkamer van deze rechtbank heeft ter terechtzitting van 23 oktober 2013 bevolen dat de zaken met parketnummers 09/758830-12 en 09/808576-13 gevoegd worden. Genoemde zaken zijn vervolgens ook gevoegd behandeld.

Verzoeker is bij vonnis van deze rechtbank d.d. 22 januari 2015 vrijgesproken van het hem onder 1 in de zaak met parketnummer 09/758830-12 tenlastegelegde feit, alsmede van de hem onder 1, 2 en 3 in de zaak met parketnummer 09/808576-13 tenlastegelegde feiten. Verzoeker is bij hetzelfde vonnis ter zake van de hem onder 2 en 3 in de zaak met parketnummer 09/758830-12 tenlastegelegde feiten veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen vervangende hechtenis met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht waarvan 20 uren subsidiair 10 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Het openbaar ministerie heeft tegen voormeld vonnis van de rechtbank hoger beroep ingesteld. Bij akte van 7 oktober 2015 heeft de Advocaat-Generaal bij het hof het hoger beroep partieel ingetrokken tegen het vonnis met betrekking tot feit 1 (poging tot doodslag dan wel poging tot zware mishandeling) onder parketnummer 09/758830-12.

De raadsman heeft in raadkamer het woord gevoerd aan de hand van een door hem overgelegde pleitnotitie.

Hij heeft zich – kort samengevat – op het standpunt gesteld dat door de partiele intrekking van het hoger beroep door het openbaar ministerie op 7 oktober 2015 de zaak met parketnummer 09/758830-12 weer is afgesplitst van de zaken met de parketnummers 09/808576-13 en 09/818220-13, hetgeen de grenzen van “de zaak”, als bedoeld in artikel 89 Sv, heeft gewijzigd. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de vrijspraak in de zaak met parketnummer 09/758830-12 (poging tot doodslag dan wel poging tot zware mishandeling) op 7 oktober 2015 onherroepelijk is geworden. Nu de zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel, zijn er voorts gronden van billijkheid aanwezig om tot een vergoeding over te gaan van de geleden schade als gevolg van de ondergane verzekering en voorlopige hechtenis ter zake de poging tot doodslag dan wel poging tot zware mishandeling, aldus de raadsman.

De rechtbank overweegt als volgt.

Op grond van artikel 89, eerste lid, Sv kan aan een gewezen verdachte, wiens strafzaak is geëindigd zonder oplegging van een straf of maatregel, een vergoeding worden toegekend voor de schade welke hij ten gevolge van ondergane verzekering of voorlopige hechtenis heeft geleden. De vraag of de zaak zonder oplegging van straf of maatregel is geëindigd, dient de rechtbank te beantwoorden aan de hand van de omlijning van het begrip “zaak”.

Uit vaste jurisprudentie volgt dat de term “de zaak” de betekenis heeft van “al datgene waarop het rechtsgeding betrekking heeft”. De grenzen daarvan zijn vastgelegd in hetgeen bij inleidende dagvaarding aan de verdachte is ten laste gelegd, zij het dat deze grenzen nadien nader kunnen worden bepaald door wijziging van de tenlastelegging op de voet van de artikelen 313-314a Sv en/of voeging onderscheidenlijk splitsing op de voet van artikel 285 Sv. Hieruit volgt dat, indien in een rechtsgeding meerdere feiten cumulatief aan de rechter ter beoordeling zijn voorgelegd, de zaak eerst is geëindigd indien de rechter met betrekking tot al die feiten einduitspraak heeft gedaan en deze einduitspraak onherroepelijk is.

Nu het openbaar ministerie ter zake de feiten 2 en 3 met parketnummer 09/758830-12 –waarvoor straf is opgelegd – hoger beroep heeft ingesteld en op dit hoger beroep nog niet is beslist, kan niet worden gezegd dat de zaak, zoals ter beoordeling aan de rechtbank is voorgelegd, en waarop dus het rechtsgeding in eerste aanleg betrekking had, is geëindigd. Bepalend is het oordeel van de rechtbank dat in het belang van het onderzoek het rechtsgeding in eerste aanleg betrekking had op alle aan verzoeker tenlastegelegde feiten.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de zaak nog niet is geëindigd. Het partieel instellen van hoger beroep, of zoals hier het partieel intrekken daarvan, brengt dan ook niet mee dat het onder 1 tenlastegelegde feit onder parketnummer 09/758830-12 als een afzonderlijke zaak als bedoeld in artikel 89 Sv valt te beschouwen. Dat dit feit in hoger beroep niet meer ter discussie staat doet aan het voorgaande niet af. De rechtbank zal verzoeker derhalve niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek.

Beslissing.

De rechtbank verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek.

Aldus gedaan te Den Haag door mr. N.F.H. van Eijk, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.M.M. van den Hoek, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 14 juni 2016.