Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:11303

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-09-2016
Datum publicatie
20-09-2016
Zaaknummer
C/09/517467 / KG ZA 16-1042
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Jeugdbescherming West heeft via het NIFP opdracht gegeven voor een (gedragskundig) onderzoek i.v.m. de uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen. De onderzoeker heeft het onderzoeksrapport niet vrijgegeven, omdat de moeder zich op haar blokkeringsrecht beroept (artikel 7:464 lid 2 BW). Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient o.g.v. artikel 7.3.11 lid 4 Jeugdwet het blokkerinsgrecht echter te worden gepasseerd. De voorzieningenrechter beveelt dat het rapport alsnog binnen acht dagen aan Jeugdbescherming Wet wordt verstrekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2017/11
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel - voorzieningenrechter

zaaknummer / rolnummer: C/09/517467 / KG ZA 16-1042

Vonnis in kort geding van 19 september 2016

in de zaak van

de stichting

STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZUID-HOLLAND,

gevestigd te Den Haag,

eiseres,

advocaat mr. E.M. de Lange te Den Haag

tegen

de stichting

STICHTING HAAGS AMBULATORIUM,

gevestigd te Voorburg,

gedaagde,

advocaat mr. A.N.L. de Hoogh te Utrecht.

Partijen zullen hierna Jeugdbescherming West en Haags Ambulatorium genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in kort geding van 2 september 2016, met producties 1 tot en met 16,

  • -

    de mondelinge behandeling d.d. 7 september 2016,

  • -

    productie 17 van de zijde van Jeugdbescherming West,

  • -

    productie 1 van de zijde van Haags Ambulatorium,

  • -

    de pleitnota van Jeugdbescherming West,

  • -

    de pleitnota van Haags Ambulatorium.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Jeugdbescherming West is een gecertificeerde instelling in de zin van artikel 1.1 van de Jeugdwet. Jeugdbescherming West voert sinds 23 januari 2013 de ondertoezichtstelling uit over de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , geboren op respectievelijk [geboortedatum 1] en [geboortedatum 2] (hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen). De kinderen zijn tussen mei 2013 en februari 2013 uit huis geplaatst. Daarna hebben ze weer gedurende een klein jaar bij hun moeder gewoond.

2.2.

In januari 2016 heeft Jeugdbescherming West de kinderrechter verzocht om haar (opnieuw) te machtigen om de kinderen voor de duur van de ondertoezichtstelling uit huis te plaatsen. Als grondslag voor dit verzoek heeft Jeugdbescherming West onder meer aangevoerd dat de woning van moeder ontruimd zou worden, dat vader en moeder weer op een ander adres wilden samenwonen maar onduidelijk was waar, dat er een verleden is van huiselijk geweld en dat de ouders de afgelopen maanden geen openheid van zaken hebben gegeven. Volgens Jeugdbescherming West is een uithuisplaatsing voor langere tijd op zijn plaats om goed te kunnen onderzoeken wat de kinderen nodig hebben.

2.3.

Bij beschikking van 14 januari 2016 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling met een jaar verlengd en de voorlopige uithuisplaatsing van de kinderen bevolen in afwachting van de verdere behandeling van het verzoek. Die behandeling is op de zitting van 25 januari 2016 voortgezet. Naar aanleiding van die zitting heeft de kinderrechter bij beschikking van 25 januari 2016 de uithuisplaatsing verlengd tot 1 mei 2016. Omtrent die verlenging wordt door de kinderrechter onder meer het volgende overwogen:

‘(…) [de kinderen] hebben veel meegemaakt en de moeder heeft haar leven nog niet op de rails. De kinderrechter is van oordeel dat een aantal dingen moeten worden uitgezocht. Ten tijde van dit onderzoek kunnen [de kinderen] niet naar de moeder. (…) Daarnaast dient onderzocht te worden welke hulp de vader en de moeder nodig hebben. Indien de vader en de moeder meewerken aan het NIFP onderzoek, kan dit in drie maanden worden afgerond. Gelet hierop zal de machtiging uithuisplaatsing voor een kortere periode dan verzocht worden verleend, met aanhouding van het verzoek voor het overige. (…)’

2.4.

Jeugdbescherming West heeft begin maart 2013 via het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (hierna: NIFP) een extern (civielrechtelijk) onderzoek aangevraagd. Het NIFP bemiddelt tussen onafhankelijke gedragsdeskundigen en opdrachtgevers voor onderzoeken. In de onderzoeksaanvraag staat onder meer het volgende:

2. Doel van het onderzoek

De aanvrager wil de volgende algemene vraag beantwoord zien:

Welke opvoedsituatie sluit het beste aan bij de opvoedingsbehoeften van de kinderen en kan moeder daar in voorzien of niet?

Zodat de volgende civielrechtelijke beslissing genomen kan worden:

Wel of niet verlengen van de machtiging uithuisplaatsing.

(…)

4 Onderzoeksvragen:

1. Hoe kan de ontwikkeling en het functioneren van het kind worden beschreven?

Indien blijkt dat er sprake is van een verstoorde ontwikkeling op een of meer ontwikkelingsgebieden, wat kan de oorzaak hiervan zijn?

2. Welke specifieke pedagogische en affectieve vaardigheden zijn vereist ten aanzien van de begeleiding van dit kind?

3. Hoe beleeft het kind de relatie met moeder, vader en broer.

4. Hoe is de persoonlijkheid en het functioneren van de ouder te beschrijven?

- Op basis van klinische impressies.

- Op basis van psychologisch testonderzoek

5. Hoe kan het verstandelijk vermogen van de ouder beschreven worden?

- Op basis van klinische impressies

- Op basis van psychologisch testonderzoek.

6. Wat zijn de pedagogische en affectieve mogelijkheden en beperkingen van de ouder in relatie tot het kind?

7. In hoeverre is terugplaatsing van het kind bij de ouder in het belang van het kind?

8. Indien tot terugplaatsing wordt overgegaan, is hulpverlening dan aangewezen? Zo ja, voor wie, in welke vorm, waar dient deze op gericht te zijn en hoe zullen de betrokkenen zich hier tegenover opstellen c.q. van kunnen profiteren?

9. Indien niet wordt overgegaan tot terugplaatsing bij de ouder hoe kan het contact tussen het kind en de ouder in dat geval worden vormgegeven?

10. In hoeverre komen er uit het onderzoek bevindingen naar voren die niet aan de orde zijn gekomen in de onderzoeksvragen, maar van belang zijn met betrekking tot de ontwikkeling en opvoeding van het kind en/of bij eventueel te nemen beslissingen?

(…)

Hebben de ouders kennis genomen van de gestelde onderzoeksvragen en zijn ze op de hoogte van de verstuurde bijlagen?

Ja moeder gaat akkoord met de onderzoeksvragen

Ondertekening ouder(s)

[volgt ondertekening moeder, voorzieningenrechter]’

2.5.

Het NIFP heeft de onderzoeksaanvraag toebedeeld aan het Haags Ambulatorium. Het Haags Ambulatorium heeft daarop op 4 april 2016 een offerte aan Jeugdbescherming West uitgebracht, die op 12 april 2016 door Jeugdbescherming West is aanvaard. Daarna is het Haags Ambulatorium gestart met haar onderzoek.

2.6.

De kinderrechter heeft bij beschikking van 26 april 2016 de uithuisplaatsing verlengd tot 15 juli 2016. Daartoe overweegt de kinderrechter onder meer het volgende:

‘Alvorens [de kinderen] worden thuisgeplaatst moet de zekerheid er zijn dat zij niet na een korte periode weer uit huis geplaatst moeten worden. Teneinde dat te voorkomen moet het NIFP-onderzoek van het Haags Ambulatorium worden afgewacht.’

2.7.

Bij beschikking van 5 juli 2016 heeft de kinderrechter de uithuisplaatsing opnieuw met een maand verlengd in afwachting van het onderzoek van het Haags Ambulatorium.

2.8.

Eind juli 2016 heeft Jeugdbescherming West vernomen dat het onderzoek is afgerond, maar dat het onderzoeksrapport niet door het Haags Ambulatorium kan worden verstrekt omdat de moeder zich ter zake op haar blokkeringsrecht beroept. Bij brief van 28 juli 2016 heeft Jeugdbescherming West het Haags Ambulatorium verzocht om het rapport, althans de door Jeugdbescherming West gevraagde informatie, ondanks de blokkade toch vrij te geven. Het Haags Ambulatorium heeft daarop geantwoord dat zij vanwege het blokkeringsrecht niet aan dat verzoek kan voldoen. Bij brief van 12 augustus 2016 heeft Jeugdbescherming West dat standpunt betwist. Volgens Jeugdbescherming West heeft zij op grond van de (gewijzigde) artikelen 7.3.1 en 7.3.11. van de Jeugdwet een zelfstandig recht op de voor de ondertoezichtstelling benodigde informatie, welk recht het blokkeringsrecht van de moeder doorbreekt. Het Haags Ambulatorium heeft zich bij e-mail van 30 augustus 2016 op het standpunt gesteld dat de genoemde artikelen uit de Jeugdwet niet van toepassing zijn op de onderhavige situatie, en zodoende het blokkeringsrecht prevaleert.

2.9.

Gedurende het geschil over de verstrekking van het onderzoeksrapport heeft de kinderrechter de uithuisplaatsing nog twee keer tijdelijk verlengd; eerst bij beschikking van 4 augustus 2016 (voor de duur van een maand) en op 5 september 2016 nogmaals voor een periode van een maand.

3 Het geschil

3.1.

Jeugdbescherming West vordert dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis bepaalt dat het Haags Ambulatorium binnen 8 dagen na betekening van dit vonnis het rapport verstrekt waarin de in de aanvraag geformuleerde vragen van Jeugdbescherming West zijn onderzocht en beantwoord, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 300,- voor iedere dag dat het Haags Ambulatorium in gebreke blijft om de genoemde bescheiden/informatie te overleggen.

3.2.

Jeugdbescherming West legt kort gezegd aan de vordering ten grondslag dat het Haags Ambulatorium op grond van de artikelen 7.3.1 lid 3 en 7.3.11 lid 4 Jeugdwet is gehouden om de gevraagde informatie aan Jeugdbescherming West te verstrekken. In dat laatste artikel is bepaald dat derden die beroepshalve over informatie beschikking die noodzakelijk is voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling, die informatie aan de gecertificeerde instelling moeten verstrekken, ook zonder toestemming van de betrokkenen en zo nodig met doorbreking van de geheimhoudingsplicht. Door een recente wijziging van artikel 7.3.1 lid 3 in de Verzamelwet WVS 2016 is het vierde lid van artikel 7.3.11 ook van toepassing op medische professionals en elke andere derde met een beroepsgeheim dat is gegrond op de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO). De WGBO geldt ook voor het psychologisch en psychiatrisch onderzoek dat wordt verricht door een gedragskundig rapporteur. Dit leidt tot de conclusie dat de onderhavige onderzoekssituatie onder de WGBO - en daarmee onder het bereik van artikel 7.3.11 lid 4 Jeugdwet - valt. Nu de Verzamelwet van een latere datum is dan de WGBO en qua inhoud is aan te merken als een lex specialis, prevaleert het in dit artikel genoemde informatierecht van Jeugdbescherming West boven het uit de WGBO voortvloeiende blokkaderecht. Nu de gevorderde informatie noodzakelijk is voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling - zonder die informatie is het immers niet mogelijk gebleken om voldoende zicht te krijgen op het juiste toekomstperspectief van de kinderen - dient het Haags Ambulatorium de informatie ondanks de blokkering door de moeder vrij te geven, aldus - steeds - Jeugdbescherming West.

3.2.1.

Het Haags Ambulatorium voert verweer. Het Haags Ambulatorium voert primair aan dat artikel 7.3.11 lid 4 Jeugdwet niet van toepassing is. In de eerste plaats is het Haags Ambulatorium niet aan te merken als een ‘derde’ in de zin van dit artikel. Het begrip derden ziet namelijk op personen die, in het maatschappelijk verkeer, beroepsmatig betrokken zijn bij het verlenen van (jeugdhulp) of bijstand, zoals bijvoorbeeld de huisarts, schoolarts en leerkrachten. Gedragsdeskundigen c.q. pro-justitia-rapporteurs zijn niet beroepsmatig betrokken bij het verlenen van jeugdhulp of bijstand, maar doen uitsluitend (gedragskundig) onderzoek ten behoeve van een rechterlijke beslissing. In de tweede plaats betreft de inhoud van de rapportage geen ‘inlichtingen inzake feiten of omstandigheden’ als bedoeld in dit artikel, maar een beschouwing en advies ten behoeve van een rechterlijke beslissing. In de derde plaats is er vanuit processueel oogpunt geen noodzaak tot het verstrekken van de gevraagde informatie. De kinderrechter kan immers procedurele consequenties aan de blokkering van de moeder verbinden door die blokkade uit te leggen als een weigering tot medewerking aan het onderzoek en de gevolgtrekking maken die hij geraden acht, wat waarschijnlijk betekent dat de beslissing in het nadeel van moeder uit zal vallen.

3.2.2.

Voor zover artikel 7.3.11 lid 4 Jeugdwet al wel van toepassing is, dient het te respecteren blokkeringsrecht van de moeder te prevaleren. De moeder heeft om haar moverende redenen ervoor gekozen het verstrekken van de (concept)rapportage te blokkeren. Dit blokkeringsrecht vloeit rechtstreeks voort uit artikel 7:446 lid 4 juncto artikel 7:464 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en is tevens neergelegd in diverse richtlijnen en de beroepscode voor psychologen 2015. Noch uit de Jeugdwet, noch uit de daaraan ten grondslag liggende wetsgeschiedenis blijkt dat het aan de onderzochte persoon toekomende blokkeringsrecht moet wijken voor artikel 7.3.11 lid 4 Jeugdwet. Nu de wetgever niet in zo een uitzondering heeft voorzien, of in elk geval onduidelijkheid bestaat over de verhouding tussen de Jeugdwet en het blokkeringsrecht, moet het blokkeringsrecht voorgaan, aldus het subsidiaire verweer van het Haags Ambulatorium.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat Jeugdbescherming West voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij een spoedeisend belang heeft bij de door haar gevorderde beslissing over de afgifte van het onderzoeksrapport. De aanwezigheid van dit spoedeisend belang zal hierna onder rov. 4.5 tot en met 4.7 nader worden toegelicht.

4.2.

In de kern genomen ligt in dit geding ter beoordeling voor of een aan de moeder toekomend blokkeringsrecht belet dat het Haags Ambulatorium de resultaten van het door haar uitgevoerde onderzoek (gedeeltelijk) aan Jeugdbescherming West verstrekt.

4.3.

Bij de beantwoording van die vraag kan tot vertrekpunt worden genomen dat de moeder in het onderhavige geval op grond van de bepalingen van de WGBO in beginsel een blokkeringsrecht had. De voorzieningenrechter volgt op dit onderdeel de stelling van het Haags Ambulatorium dat het onderhavige deskundig onderzoek naar de letter van de wet onder de reikwijdte van artikel 4:446 lid 4 BW valt. Het ging hier immers om (i) een in opdracht van een ander dan de moeder (namelijk Jeugdbescherming West) uitgevoerd onderzoek, (ii) dat (deels) betrekking had op de beoordeling van de (psychische) gezondheidstoestand van de moeder (zie de vragen 4 en 5 van de onderzoeksaanvraag), (iii) in verband met de vaststelling van aanspraken of verplichtingen (namelijk de verplichting van moeder om in het belang van de kinderen overheidsmenging te dulden in haar gezinsleven). Daarmee is aan alle in artikel 7:446 lid 4 BW genoemde cumulatieve eisen voldaan. Artikel 7:464 lid 2 BW bepaalt vervolgens dat in het geval van handelingen als omschreven in artikel 7:446 lid 4 de persoon op wie het onderzoek betrekking heeft in de gelegenheid wordt gesteld om als eerste kennis te nemen van de uitslag en gevolgtrekking van het onderzoek teneinde te kunnen beslissen of daarvan mededeling aan anderen wordt gedaan (oftewel een blokkeringsrecht heeft). Dat blokkeringsrecht heeft de betrokkene volgens het tweede lid alleen dan niet indien de handelingen worden verricht in verband met een arbeidsverhouding, burgerrechtelijke verzekering of een opleiding, maar geen van die uitzonderingssituaties is hier aan de orde.

4.4.

Aldus moet er in beginsel van worden uitgegaan dat de moeder een blokkeringsrecht toekomt. Jeugdbescherming West betoogt echter dat dit blokkeringsrecht in het onderhavige geval wordt doorbroken door de navolgende artikelen uit de Jeugdwet:

Artikel 7.3.1

(…)

3. Voor zover sprake is van een geneeskundige behandeling als bedoeld in artikel 446 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, is deze paragraaf niet van toepassing, behoudens de artikelen 7.3.11, vierde (..) lid (..) (cursivering voorzieningenrechter)

(…)

Artikel 7.3.11

(…)

4. Derden die beroepshalve beschikken over inlichtingen inzake feiten en omstandigheden die de persoon van een onder toezicht gestelde minderjarige, diens verzorging en opvoeding of de persoon van een ouder of voogd betreffen, welke inlichtingen noodzakelijk kunnen worden geacht voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling, verstrekken de gecertificeerde instelling die de ondertoezichtstelling uitvoert, deze inlichtingen desgevraagd of kunnen deze inlichtingen uit eigen beweging aan de gecertificeerde instelling verstrekken, zonder toestemming van de betrokkenen en indien nodig met doorbreking van de plicht tot geheimhouding op grond van een wettelijk voorschrift of op grond van hun ambt of beroep.

(…)’

4.4.1.

In de Memorie van Toelichting op de invoeringswet van de Jeugdwet (kamerstukken II 2013-2014, 33983, nr. 3, p. 28). heeft de wetgever voor een uitgebreider toelichting op deze bepaling verwezen naar de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel in verband met herziening van de maatregelen van kinderbescherming inzake het voorgestelde derde lid van artikel 53 van de Wet op de jeugdzorg. In de desbetreffende memorie van toelichting op het eerdere wetsvoorstel valt onder meer het volgende te lezen (Kamerstukken II 2008 - 2009, 32015, nr. 3, p. 16 - 18):

‘9. Informatieverstrekking in het kader van de ondertoezichtstelling

9.1

Noodzaak aanvullende regeling

Voor een goede uitvoering van de ondertoezichtstelling speelt de informatieverstrekking aan het bureau jeugdzorg uit de omgeving van de minderjarige een belangrijke rol. Een goed geïnformeerd bureau jeugdzorg is beter in staat een zorgvuldige inschatting te maken over de situatie van een minderjarige en de te verlenen hulp aan de minderjarige en zijn ouders. Het bureau jeugdzorg zal voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling gegevens nodig hebben van verschillende disciplines. Het gaat hierbij om informatie uit de medische sector (huisarts, kinderarts, schoolarts en het consultatiebureau), uit de sociale sector (onderwijs, crèche, buitenschoolse opvang), van de politie of van justitiële instellingen (openbaar ministerie, raad voor de kinderbescherming). Naast gegevens over het kind zelf kan het nodig zijn dat het bureau jeugdzorg over bepaalde gegevens over anderen, zoals van ouders of overige gezins- of familieleden beschikt die van belang zijn voor een goed oordeel over de opvoedingssituatie van het kind.

In de praktijk is gebleken dat deze gegevensuitwisseling een probleem kan zijn. Uit rapporten van de Inspectie Jeugdzorg blijkt bijvoorbeeld dat de gevraagde informatie niet wordt verstrekt omdat de toestemming van de ouder of het kind ontbreekt (Rapportage van 19 mei 2005). In de rapportage van de Jeugdzorgbrigade wordt aangegeven dat de gezinsvoogdijwerker vaak niet kan beschikken over alle relevante gegevens over de achtergrond van de opvoeders, waardoor de situatie waarin het kind verkeert niet goed kan worden ingeschat (Jeugdzorgbrigade 2005a, tweede voortgangsrapportage, blz. 26).

(…)

De hierboven genoemde professionals voelen zich vaak gehinderd inlichtingen te geven omdat niet duidelijk zou zijn wanneer welke informatie wel of niet mag worden verstrekt. Onzekerheid hierover blijkt in de praktijk tot een verminderde bereidheid te leiden om informatie te verstrekken.

Uit een brief van 15 mei 2007 van de voorzitter van het College bescherming persoonsgegevens (Cbp) aan de minister voor Jeugd en Gezin blijkt dat uit een rondetafelgesprek van het Cbp met vertegenwoordigers van jeugdzorg, psychiatrie, politie, onderwijs, de Inspectie jeugdzorg en diverse medische beroepsgroepen en wetenschappers naar voren is gekomen dat bij kindermishandeling de Wet bescherming persoonsgegevens

(Wbp) geen beletselen bevat die ingrijpen bij een vermoeden van kindermishandeling verhinderen, maar dat hulpverleners vaak bang zijn om hun beroepsgeheim te doorbreken. In het wetsvoorstel wordt in aansluiting op de bestaande informatiebepaling in het kader van kindermishandeling ook met betrekking tot de informatieverstrekking in het kader van een ondertoezichtstelling duidelijkheid gegeven.

(…)

9.3

Aanvullende regeling gegevensverwerking ondertoezichtstelling

Het wetsvoorstel bevat een aanvullende regeling ten aanzien van de gegevensverwerking in het kader van een ondertoezichtstelling. Door de voorgestelde regeling wordt het gezag van de ouders bij aanvang van de ondertoezichtstelling op één punt beperkt, namelijk ten aanzien van het geven van toestemming voor de verwerking van gegevens die de persoon van de minderjarige, diens verzorging en opvoeding of de persoon van een ouder of voogd betreffen en die noodzakelijk kunnen worden geacht voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Derden mogen op grond van de voorgestelde regeling zonder toestemming van de ouders gegevens verstrekken aan het bureau jeugdzorg indien dit noodzakelijk is voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Zie hiertoe de voorgestelde wijziging van artikel 53 Wet op de jeugdzorg (artikel III, onderdeel B).

De nieuwe regeling betreft een recht van derden om gegevens aan het bureau jeugdzorg te verstrekken maar het is geen plicht tot het verstrekken van gegevens. Het verstrekken van gegevens wordt vereenvoudigd, omdat toestemming van de ouders niet noodzakelijk is, maar de afweging of en welke gegevens aan het bureau jeugdzorg worden verstrekt, is aan degene die de gegevens verstrekt. Ook is bepaald dat zonodig het beroepsgeheim kan worden doorbroken. (…) Het beroepsgeheim mag worden doorbroken, als het belang dat daarmee wordt gediend hoger moet worden geacht dan het belang dat met de geheimhoudingsplicht wordt gediend. (…)

alsmede (Kamerstukken II 2008-2009 32 015, nr. 3, p. 41-42):

‘(…)

Voorgesteld wordt dat derden die beroepshalve over inlichtingen beschikken inzake feiten en omstandigheden die de persoon van het kind dat onder toezicht is gesteld, diens verzorging en opvoeding of de persoon van een ouder of voogd betreffen, de stichting daarvan op de hoogte kunnen stellen indien dit noodzakelijk is voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Deze informatieverstrekking kan zonder toestemming en met doorbreking van een beroepsgeheim plaatsvinden. Het begrip «derden die beroepshalve over informatie beschikken» is in paragraaf 8.1 reeds aan de orde gekomen en ziet met name op de huisartsen, kinderartsen, schoolartsen, het consultatiebureau, leerkrachten, leerplichtambtenaren en de crèche. Met de formulering «inlichtingen inzake feiten en omstandigheden die de persoon van de minderjarige of diens verzorging en opvoeding betreffen» is aangesloten bij artikel 377c, eerste lid. Niet alle informatie hoeft te worden verstrekt; de informatieverstrekking in het kader van de ondertoezichtstelling aan bureau jeugdzorg dient noodzakelijk te zijn voor de uitoefening van de ondertoezichtstelling.

Met het begrip «noodzakelijk» wordt aangegeven dat de inlichtingen van belang moeten zijn voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling. (…) Bij «noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling» kan

worden gedacht aan informatie die niet kan worden gemist en waarover het bureau jeugdzorg de beschikking dient te hebben bijvoorbeeld met het oog op het bereiken van de vastgestelde doelen, met het oog op de beoordeling of een uithuisplaatsing van de minderjarige gedurende dag en nacht is aangewezen, of met het oog op de beoordeling of een gezagsbeëindiging is aangewezen. De gezinsvoogdijwerker heeft informatie nodig om zijn taken te kunnen vervullen. Hij moet toezicht houden op de minderjarige en dus toezien op zijn veiligheid. Daarnaast dient hij het gezin op adequate wijze hulp en steun te verlenen teneinde de ouders of de ouder in staat te stellen de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen. Onder informatie inzake feiten en omstandigheden die de verzorging en opvoeding betreffen, valt ook informatie over andere gezinsleden, zoals broers en zussen. (…) Informatie over de persoon van de ouders of voogd wordt afzonderlijk genoemd, omdat wellicht niet steeds duidelijk zal zijn of deze informatie wel of niet valt onder het begrip opvoeding en verzorging van het kind. Bij inlichtingen die de persoon van een ouder of voogd betreffen kan gedacht worden aan de psychische gesteldheid van een ouder of een criminele achtergrond.

De informatie kan desgevraagd of eigener beweging wordt verstrekt. Wanneer de informatie door de derde niet op diens initiatief wordt verstrekt en het bureau jeugdzorg bepaalde signalen met betrekking tot het kind heeft opgevangen en hierover informatie wenst, kan het bureau jeugdzorg hierom verzoeken. De derde zal vervolgens moeten bezien of er sprake is van feiten en omstandigheden die de persoon van het kind, diens verzorging en opvoeding of de persoon van een ouder betreffen en zal moeten beoordelen of deze gegevens noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Wanneer hiervan sprake is kan de derde deze gegevens aan het bureau jeugdzorg verstrekken en staat een beroepsgeheim hieraan niet in de weg.’

4.4.2.

Bij de inwerkingtreding van de Jeugdwet op 1 januari 2015 was de volledige paragraaf van 7.3 van de Jeugdwet in artikel 7.3.1. lid 3 buiten toepassing verklaard in het geval sprake was van een geneeskundige behandeling als bedoeld in artikel 7:446 BW, dus ook artikel 7.3.11 lid 4. De wetgever heeft deze omissie in de Verzamelwet VWS 20161 van 18 mei 2016 hersteld, door aan het slot van het derde lid van artikel 7.3.1. de zinssnede ‘behoudens de artikelen 7.3.11, vierde (..) lid’ toe te voegen. De wijziging in de Jeugdwet is op 1 augustus 2016 met terugwerkende kracht in werking getreden. In de memorie van toelichting op de Verzamelwet VWS 2016 is over de wijziging van artikel 7.3.1. Jeugdwet onder meer het volgende opgemerkt (Kamerstukken II 2014 -2015, 34191, nr. 3, p. 7):

‘(…) Voor hulpverlening waarbij geen sprake is van een geneeskundige behandeling, gelden de bepalingen uit de Jeugdwet die inhoudelijk overeenkomen met de WGBO. Artikel 7.3.1, derde lid, van de Jeugdwet regelt dat de bepalingen uit de WGBO van kracht blijven voor zover een jeugdhulpverlener een geneeskundige behandeling verricht (in aanvulling op de schakelbepaling in artikel 7:464 BW). Onbedoeld is daarbij geen uitzondering gemaakt voor het vierde en vijfde lid van artikel 7.3.11, waarin achtereenvolgens de verplichte informatieverstrekking bij ondertoezichtstelling (vierde lid) en een delegatiegrondslag voor nadere regels over het dossier (vijfde lid) is opgenomen. Deze bepalingen komen niet voor in de WGBO, maar dienen wel van toepassing te zijn op jeugdhulpverleners die een geneeskundige behandeling verrichten. Deze omissie wordt nu hersteld.’

4.5.

Voorop staat dat voldoende aannemelijk is geworden dat het voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling noodzakelijk is dat Jeugdbescherming West snel kennis kan nemen van de antwoorden van de deskundige op de door haar gestelde onderzoeksvragen. Anders dan het Haags Ambulatorium aanvoert, bestaat die noodzaak niet uitsluitend erin dat de kinderrechter op korte termijn een beslissing zal moeten nemen over de uithuisplaatsing. Jeugdbescherming West heeft de informatie in het rapport immers ook nodig om antwoord te krijgen op de meeromvattende vraag waar de kinderen behoefte aan hebben, wat voor hen het beste opvoedplan is en of, in het geval een terugplaatsing bij de ouders niet in hun belang is, een andere vorm van omgang met de ouders aanwezen is. De thans beschikbare gegevens bieden Jeugdbescherming West nog onvoldoende houvast om dit één en ander goed te kunnen bepalen. Weliswaar kan de kinderrechter aan de blokkering van de moeder de gevolgtrekking verbinden die hem geraden voorkomt, die blokkade eventueel in het nadeel van de moeder uitleggen en een beslissing nemen over de verder uithuisplaatsing van de kinderen, maar met die beslissing is nog steeds geen antwoord verkregen op de meer belangrijke - door het deskundigenonderzoek van Haags Ambulatorium te beantwoorden - vraag waar de kinderen nu daadwerkelijk het meest bij zijn gebaat en welke omgeving en welk opvoedingsplan het best aansluit op hun ontwikkeling en behoeften.

4.6.

De voorzieningenrechter merkt in dit verband op dat uit de procedure bij de kinderrechter blijkt dat ook de kinderrechter het noodzakelijk acht dat de aangevraagde informatie boven tafel komt. Weliswaar heeft de kinderrechter niet zelf een directe (gerechtelijke) onderzoeksopdracht gegeven aan het NIFP, maar in de motivering van haar beschikking van 25 januari 2016 komt niettemin duidelijk naar voren dat de kinderrechter eveneens de noodzaak in zag van een nader deskundig onderzoek naar de hulpbehoeften van de kinderen en de ouders. Bovendien heeft de kinderrechter vervolgens de beslissing over de uithuisplaatsing telkens met kleine perioden aangehouden in afwachting van het rapport, ook nadat een patstelling was ontstaan over de verstrekking daarvan. Dit onderstreept naar het oordeel van de voorzieningenrechter andermaal dat ook de kinderrechter groot belang hecht aan de uitkomst van het deskundigenonderzoek.

4.7.

Jeugdbescherming West heeft bovendien voldoende aannemelijk gemaakt dat het van belang is dat zij - in het belang van de kinderen - zo spoedig mogelijk kennis kan nemen van het onderzoeksrapport. Partijen hebben niet gesteld - en evenmin is gebleken - dat de door Jeugdbescherming West benodigde informatie op korte termijn nog op een andere wijze kan worden verkregen, terwijl het hier om jonge kinderen gaat die veel hebben meegemaakt, al eerder uit huis zijn geplaatst en thans (opnieuw) al gedurende acht maanden uit huis zijn geplaatst zonder dat voldoende duidelijk is wat voor hen het beste plan van aanpak is en of terugplaatsing of een andere vorm van contact met de ouders nog tot de mogelijkheden behoort. De voorzieningenrechter kan Jeugdbescherming West dan ook goed volgen in haar stelling dat het tegen deze achtergrond van groot belang is dat het rapport (althans de daarin geformuleerde antwoorden op de in de onderzoeksaanvraag onder 4 gestelde deelvragen) zo snel mogelijk vrijkomt, zodat de kinderen de zorg kan worden geboden die het beste aansluit bij hun behoeften. Aldus is voldoende aannemelijk geworden dat Jeugdbescherming West een zwaarwegend - en spoedeisend - belang heeft bij haar vordering.

4.8.

Daarmee staat dus vast dat aan het noodzakelijkheidsvereiste van artikel 7.3.11 lid 4 Jeugdwet is voldaan. Datzelfde geldt voor de in dit artikel neergelegde voorwaarde dat het moet gaan om inlichtingen inzake feiten en omstandigheden die de persoon van de minderjarige, diens verzorging en opvoeding of de ouder betreffen. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat aan de desbetreffende bepaling de gedachte ten grondslag ligt dat de jeugdhulpverlener alle informatie moeten kunnen verkrijgen die noodzakelijk is voor een adequate uitvoering van de ondertoezichtstelling. In het licht van die strekking van de wet is niet aannemelijk dat het in het vierde lid neergelegde begrip ‘inlichtingen inzake feiten en omstandigheden’ zo beperkt moet worden uitgelegd dat daar geen - voor de beoordeling van de invulling van de ondertoezichtstelling noodzakelijk geacht - deskundig advies van een gedragskundig rapporteur onder kan worden geschaard. Bovendien mag voorshands worden aangenomen dat het rapport, gezien aan de deskundige gestelde vragen, niet louter uit een advies zal bestaan, maar voor een overgroot deel ook feitelijke informatie zal bevatten met betrekking tot de ontwikkeling en de persoonlijkheid van de kinderen en de psychische gesteldheid van de ouder. Dergelijke informatie is in de memorie van toelichting ook als voorbeeld genoemd van mogelijk relevante inlichtingen die de persoon van de ouder betreffen. Tegen die achtergrond valt te minder in te zien dat de aangevraagde onderzoeksinformatie (geheel) buiten de reikwijdte van artikel 7.3.11 lid 4 Jeugdwet zou vallen.

4.9.

De voorzieningenrechter volgt het Haags Ambulatorium tenslotte evenmin in haar stelling dat zij niet onder de in het vierde lid genoemde ‘derden’ valt. Allereerst blijkt uit de wetsgeschiedenis niet dat de wetgever met de in de memorie van toelichting met naam genoemde professionals (zoals de huisarts en leerkrachten) heeft beoogd een limitatieve opsomming te geven van de derden die onder de reikwijdte van artikel 7.3.11 lid 4 Jeugdwet vallen. Bovendien ligt het in het licht van de onder rov. 4.8 omschreven doel en strekking van de desbetreffende wetsbepaling - namelijk dat jeugdzorg al die informatie moet kunnen krijgen die noodzakelijk is voor de ondertoezichtstelling - ook niet voor de hand ligt dat de wetgever een forensisch rapporteur als het Haags Ambulatorium, die immers juist vanwege de aan hem gegeven opdracht onmiskenbaar beschikt over informatie beschikt die relevant is voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling, van de in het vierde lid genoemde derden-professionals heeft willen uitzonderen. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat voorshands voldoende aannemelijk is dat het Haags Ambulatorium als derde in de zin van artikel 7.3.11 lid 4 Jeugdwet kan worden aangemerkt.

4.10.

Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat Jeugdbescherming West in beginsel op grond van het bepaalde in artikel 7.3.11 lid 4 Jeugdwet afgifte van het rapport kan vorderen. Dan staat nog wel de vraag open of het door de moeder ingeroepen blokkeringsrecht die afgifte belet. De voorzieningenrechter stelt in dat verband vast dat noch de wet, noch de wetsgeschiedenis een direct antwoord geeft op de vraag. Desalniettemin biedt de wetsgeschiedenis van artikel 7.3.11 lid 4 Jeugdwet voldoende aanknopingspunten om voorshands tot het oordeel te komen dat deze bepaling ook het uit de artikelen 7:446 lid 4 en 7:646 lid 2 BW voortvloeiende blokkeringsrecht opzij zet. Uit de onder 4.4.1 weergegeven onderdelen uit de memorie van toelichting op de Jeugdwet blijkt dat de wetgever van oordeel is dat informatie over de minderjarige, over diens verzorging en opvoeding en over de ouders die noodzakelijk is voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling desgevraagd zonder toestemming van de ouders en desnoods met doorbreking van het beroepsgeheim aan jeugdzorg moet worden verstrekt. Daaruit volgt dat in de visie van de wetgever in een dergelijk geval het belang van een adequate hulpverlening aan minderjarige kinderen kennelijk zwaarder moet wegen dan het privacyrecht aan de kant van de ouders. Met dit systeem is niet goed verenigbaar dat een ouder zich in een situatie als hier aan de orde op een blokkeringsrecht zou kunnen beroepen. Dat zou immers tot gevolg hebben dat de jeugdhulpverlener door het ontbreken van toestemming van de ouder geen beschikking krijgt over informatie die noodzakelijk is voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling, terwijl de bedoeling van de wetgever nu juist kennelijk is geweest - getuige ook de doorbreking van het beroepsgeheim - dat in een zodanig geval de belangen van de ouder moeten wijken voor het grotere belang van de ontwikkeling en bescherming van het kind.

4.11.

Dat het blokkeringsrecht in het geval van artikel 7.3.11 lid 4 Jeugdwet dient te wijken vindt eveneens steun in het feit dat de wetgever in artikel 7.3.1. lid 3 Jeugdwet met zoveel woorden heeft bepaald dat de in artikel 7.3.11 lid 4 opgenomen verplichting tot informatieverstrekking bij ondertoezichtstelling ook geldt wanneer sprake is van een geneeskundige behandeling als bedoeld in artikel 7:446 BW. Inderdaad heeft de wetgever zich daarbij niet nader uitgelaten over de vraag of dat ook geldt voor de situatie van artikel 7:446 lid 4 BW, waarbij immers geen sprake is van een geneeskundige behandelingsovereenkomst. Desondanks kan in deze bepaling, en in de toelichting daarop in de reparatiewet VWS 2016: ‘Deze bepalingen komen niet voor in de WGBO, maar dienen wel van toepassing te zijn op jeugdhulpverleners die een geneeskundige behandeling verrichten.’ wel een sterke aanwijzing worden gelezen dat het de bedoeling van de wetgever is geweest dat artikel 7.3.11 lid 4 Jeugdwet ook gelding heeft binnen het systeem van de WGBO - en dus ook gevolgen heeft voor het in artikel 7:464 lid 2 BW genoemde blokkeringsrecht.

4.12.

De voorzieningenrechter merkt tenslotte nog op dat de bestaande interne richtlijnen voor gedragsdeskundigen, waarnaar partijen in deze procedure hebben verwezen, evenmin aan verstrekking van het rapport in de weg staan. In artikel 94 van de Beroepscode voor psychologen 2015 van het Nederlands Instituut van Psychologen staat immers:

‘De psycholoog kan, in geval er geen wettelijke regeling van toepassing is, tot het oordeel komen dat er een zwaarwegend belang bestaat, dat zich tegen het blokkeringsrecht verzet.’

Daarnaast staat in paragraaf 4.7. van de NIFP-handleiding ‘Juridische kader voor het gedragsdeskundig onderzoek binnen het personen- en familierecht’ onder meer volgende:

‘Het recht op privacybescherming, de grondgedachte waar het blokkeringsrecht op is gestoeld, zal niet altijd zwaarder wegen dan het recht van het kind op een veilige en ongestoorde ontwikkeling. (…) In sterkere mate geldt dit voor de gevallen waarin een kind reeds onder toezicht is gesteld. In die gevallen heeft de rechter al vastgesteld dat de ontwikkeling van het kind is bedreigd en dat maatregelen nodig zijn om die bedreigde ontwikkeling ten goede te keren. Alsdan mag worden aangenomen dat het privacybelang van ouders minder zwaar weegt dan het belang van het kind op een onbedreigde ontwikkeling. Blokkeren zal dan niet meer aan de orde zijn.’

Aldus laten ook de interne richtlijnen en beroepscodes voldoende ruimte om het blokkeringsrecht ter zijde te stellen indien sprake is van zwaarwegende belangen die zich tegen toepassing van het blokkeringsrecht verzetten. Uit de wetsgeschiedenis van de Jeugdwet volgt als gezegd dat in de visie van de wetgever een zodanig zwaarwegend belang zich voordoet, indien de te verstrekken informatie noodzakelijk is voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling. In dat geval kan volgens de wetgever immers de desbetreffende informatie zonder toestemming van de ouder worden verstrekt, zelfs, zo nodig, met doorbreking van het (medisch) beroepsgeheim. De voorzieningenrechter acht in dat licht de conclusie gerechtvaardigd dat ook op grond van de bovenstaande richtlijnen tot de uitkomst moet worden gekomen dat het blokkeringsrecht in het onderhavige geval moet worden gepasseerd.

4.13.

De voorzieningenrechter komt dan ook tot de slotsom dat het Haags Ambulatorium op grond van het bepaalde in artikel 7.3.11 lid 4 Jeugdwet het beroep van de moeder op het blokkeringsrecht dient te passeren en de door Jeugdbescherming West gevraagde informatie aan Jeugdbescherming West dient te verstrekken. Dan ligt nog de vraag voor of dat inhoudt dat het volledige onderzoeksrapport dient te worden afgegeven of slechts, zoals (impliciet) subsidiair door Jeugdbescherming West is gevorderd, de antwoorden op de tien door Jeugdbescherming West gestelde onderzoeksvragen. Het Haags Ambulatorium heeft echter op de mondelinge behandeling aangevoerd dat die laatste oplossing nauwelijks effect zal sorteren als het gaat om de behartiging van de belangen van de moeder bij de blokkering, omdat in de verstrekte informatie onontkoombaar zal doorschijnen wat het uiteindelijke advies van het Haags Ambulatorium is ten aanzien van de geschiktheid van moeder en de uithuisplaatsing. Nu de gedeeltelijke verstrekking van het rapport aldus kennelijk geen wezenlijk alternatief biedt, zal de voorzieningenrechter het Haags Ambulatorium veroordelen tot verstrekking van het volledige onderzoeksrapport.

4.14.

De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig om aan die veroordeling een last onder dwangsom te verbinden, nu de voorzieningenrechter geen reden ziet om te twijfelen aan de toezegging van het Haags Ambulatorium dat zij het rapport binnen de opgelegde termijn zal verstrekken indien de voorzieningenrechter de afgifte daarvan bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis zal bevelen.

4.15.

Partijen twisten in dit laatste verband nog over de vraag of in deze zaak een uitvoerbaarverklaring bij voorraad is aangewezen. Het Haags Ambulatorium heeft daartegen bezwaar gemaakt. Het Haags Ambulatorium voert daartoe aan dat zij vanwege het principiële karakter van deze zaak bij een veroordeling in hoger beroep zal gaan - en mogelijk ook nog cassatie volgt. Het Haags Ambulatorium wil voorkomen dat bij een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis in hoger beroep wordt geoordeeld dat het Haags Ambulatorium geen belang meer heeft bij haar vordering, omdat het rapport al is verstrekt.

4.16.

De voorzieningenrechter onderkent dat het Haags Ambulatorium een belang heeft bij behoud van de bestaande toestand, ook omdat een discussie over het prevaleren van het blokkeringsrecht in hoger beroep voor wat betreft deze zaak nog een louter theoretisch debat zal zijn indien het rapport eenmaal is verstrekt. De voorzieningenrechter is desalniettemin van oordeel dat de belangen van Jeugdbescherming West - en in haar voetspoor het belang van de kinderen - bij spoedige verstrekking van het rapport zwaarder dienen te wegen. De voorzieningenrechter verwijst daartoe naar hetgeen in rov. 4.7 is overwogen omtrent het spoedeisend belang van de vordering. De voorzieningenrechter zal dan ook beslissen dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard.

4.17.

Hoewel het Haags Ambulatorium in het ongelijk is gesteld, zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat beide partijen de eigen kosten zullen dragen. Daartoe is redengevend dat het gezien de onduidelijkheid in de (wetsgeschiedenis van de) Jeugdwet over de gevolgen van artikel 7.3.11 lid 4 Jeugdwet voor het blokkeringsrecht enerzijds en de mogelijke tuchtrechtelijke consequenties van het verstrekken van een geblokkeerd rapport anderzijds, geenszins onvoorstelbaar is dat het Haags Ambulatorium zich met betrekking tot de verstrekking van het rapport terughoudend heeft opgesteld en een rechterlijk oordeel over deze kwestie heeft willen afwachten.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

bepaalt dat het Haags Ambulatorium het in opdracht van Jeugdbescherming West opgemaakte onderzoeksrapport binnen acht dagen na betekening van dit vonnis aan Jeugdbescherming West dient te overleggen;

5.2.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.3.

compenseert de proceskosten, in die zin dat beide partijen de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 19 september 2016.

1 Wet van 18 mei 2016 tot wijziging van wetten teneinde misslagen en omissies in wetten op het terrein van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport te herstellen, de broninhouding van eigen bijdragen voor beschermd wonen te kunnen voortzetten en het College bouw zorginstellingen op te heffen