Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:11301

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-08-2016
Datum publicatie
21-09-2016
Zaaknummer
AWB 16 / 12624
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

- beroep niet tijdig

- besluit- en vertrekmoratorium Irak

- dwangsom

- procesbelang

- gegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 16/12624

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 4 augustus 2016 in de zaak tussen

[naam], eiser,

gemachtigde: mr. F.L.M. van Haren,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: M.P. de Boo.

Procesverloop

Bij brief van 9 juni 2016 heeft eiser bij de rechtbank beroep in gesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag van 27 oktober 2014.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Met toestemming van partijen is met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het onderzoek ter zitting achterwege gebleven. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt het niet tijdig nemen van een besluit voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld.

2. Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, van de Awb kan het beroepschrift worden ingediend zodra:

  1. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen of een van rechtswege verleende beschikking bekend te maken, en

  2. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

3. Ingevolge artikel 4:17, eerste lid, van de Awb verbeurt het bestuursorgaan indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen, en is de Algemene termijnenwet op laatstgenoemde termijn niet van toepassing. Ingevolge het tweede lid bedraagt de dwangsom de eerste veertien dagen € 20 per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 30 per dag en de overige dagen € 40 per dag. Ingevolge het derde lid is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is.

4. Ingevolge artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb bepaalt de bestuursrechter dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekend maakt indien het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt. Ingevolge het derde lid kan de bestuursrechter in bijzondere gevallen of indien de naleving van andere wettelijke voorschriften daartoe noopt een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen.

5. Eiser stelt dat de termijn voor het nemen van een beslissing op zijn asielaanvraag van 27 oktober 2014 is verstreken. Eiser heeft op 11 mei 2016 verweerder in gebreke gesteld. Verweerder heeft bij brief van 17 mei 2016 erkend dat er sprake is van overschrijding van de beslistermijn. In het verweerschrift erkent verweerder dat de maximale dwangsom van € 1260 als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb is verbeurd. In het verweerschrift geeft verweerder verder aan dat de behandeling van onderhavige aanvraag inmiddels is opgepakt door een medewerker van zijn Projectteam Irak en dat beoogd wordt om zo snel mogelijk na het ontvangen van een BMA-advies een besluit, dan wel een voornemen tot afwijzing bekend te maken. Daarom stelt verweerder zich op het standpunt dat het beroep van eiser niet-ontvankelijk dient te worden verklaard bij gebrek aan procesbelang, nu met onderhavig beroep geen snellere beslissing kan worden bewerkstelligd. Eiser heeft te kennen gegeven zich met dit standpunt niet te kunnen verenigen en heeft daarom voorliggend beroep ingesteld. Eiser verzoekt het beroep gegrond te verklaren en op straffe van een dwangsom te bepalen dat verweerder binnen een door de rechtbank te bepalen termijn een besluit bekend maakt. Tevens verzoekt eiser om verweerder te veroordelen tot het betalen van de volgens hem reeds verbeurde dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb. Ten slotte verzoekt eiser om verweerder te veroordelen in de door hem gemaakte proceskosten.

De rechtbank oordeelt als volgt.

6. Niet in geschil is dat de termijn voor het nemen van een besluit op de aanvraag van eiser is overschreden. Aldus komt het met niet tijdig beslissen gelijk te stellen besluit voor vernietiging in aanmerking. De stelling van verweerder dat eiser geen procesbelang zou hebben bij dit beroep volgt de rechtbank niet. Eiser heeft immers nog geen besluit ontvangen op zijn aanvraag zodat hij belang heeft bij het aanwenden van rechtsmiddelen om te trachten de besluitvorming te bespoedigen. Dat inmiddels een medewerker van verweerder het behandelen van onderhavige aanvraag heeft opgepakt, maakt dit niet anders. Gelet hierop ziet de rechtbank aanleiding om het beroep gegrond te verklaren en een termijn vast te stellen waarbinnen verweerder een besluit op onderhavige aanvraag bekend dient te maken.

7. Nu verweerder in het verweerschrift heeft aangegeven dat een besluit, dan wel een voornemen tot afwijzing zal worden bekendgemaakt zodra er een BMA-advies beschikbaar is, ligt de vraag voor of er aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 8:55d, derde lid, van de Awb de termijn waarbinnen het besluit bekend dient te worden gemaakt te bepalen op een termijn langer dan twee weken teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen het BMA-advies af te wachten. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Daartoe wordt redengevend geacht dat verweerder niet heeft verzocht om bij het eventueel gegrond verklaren van het beroep een langere termijn te gunnen waarbinnen een besluit bekend dient te worden gemaakt en dat bovendien op 27 mei 2016 door verweerder een voornemen tot afwijzing is uitgebracht, waarbij kennelijk niet een BMA-advies in de beoordeling is betrokken.

8. Evenmin is in geschil dat verweerder de maximale dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb ten bedrage van € 1260 heeft verbeurd. De rechtbank zal verweerder dan ook veroordelen tot het betalen van deze dwangsom.

9. Er bestaat aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken. Daarbij gaat de rechtbank met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht uit van 1 punt voor het indienen van het beroepschrift. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3403, zal de rechtbank daarbij wegingsfactor 0,25 (zeer licht) toepassen.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder uiterlijk twee weken na de datum van verzending van deze uitspraak een beslissing op de asielaanvraag neemt;

  • -

    bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100 (honderd euro) aan eiser verbeurt voor elke dag dat de hiervoor gestelde beslistermijn wordt overschreden met een maximum van € 15.000 (vijftienduizend euro);

  • -

    veroordeelt verweerder tot betaling aan eiser van de verbeurde dwangsom van

€ 1260 (twaalfhonderdzestig euro);

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 124 (honderdvierentwintig euro).

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2016.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.