Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:11250

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-08-2016
Datum publicatie
28-10-2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 3539
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2017:954, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

Naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht opgelegd.

Standpunt van verweerder, dat parkeerbelasting door eiseres niet is betaald, is door haar gemachtigde niet gemotiveerd weersproken. Ook is geen parkeerkaartje of ander betaalbewijs overgelegd. Verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat de naheffingsaanslag is opgelegd door een bevoegde ambtenaar en heeft voldoende inzicht gegeven in de deugdelijkheid van de kostenraming. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 234, geldigheid: 2014-11-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2016-2700
V-N Vandaag 2016/2322
Belastingblad 2016/505

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 16/3539

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

26 augustus 2016 in de zaak tussen

[eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: N.G.A. Voorbach),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 24 maart 2016 op het bezwaar van eiseres tegen de opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting (aanslagnummer [aanslagnummer] ).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2016.

Namens eiseres is verschenen haar gemachtigde, bijgestaan door [persoon 1] .

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon 2] .

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Op 12 november 2015 om 19:47 uur stond de auto van eiseres geparkeerd aan de [adres] . Deze locatie is door burgemeester en wethouders van Den Haag aangewezen als plaats waar op dat moment tegen betaling van parkeerbelasting of met een parkeervergunning mag worden geparkeerd.

2. Tijdens een controle op genoemd tijdstip heeft parkeercontroleur [persoon 3] met nummer [cijferreeks] (de controleur) geconstateerd dat in de auto geen parkeerkaartje of geldige vergunning aanwezig was. Hij heeft de naheffingsaanslag opgelegd van € 60,70, bestaande uit € 1,70 aan parkeerbelasting en € 59,00 aan kosten.

3. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Meer specifiek is in geschil of eiseres de verschuldigde parkeerbelasting heeft betaald.

4. De bewijslast voor het opleggen van de naheffingsaanslag ligt bij verweerder. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met hetgeen hij heeft overgelegd en aangevoerd, zijn standpunt dat de verschuldigde parkeerbelasting door eiseres niet was betaald, aannemelijk gemaakt. Gemachtigde heeft dit ongemotiveerd weersproken. Een betaalbewijs of ander bewijsmiddel is niet overgelegd. De naheffingsaanslag is dan ook terecht opgelegd.

5. De overige beroepsgronden leiden niet tot een ander oordeel. Verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat de naheffingsaanslag is opgelegd door een daartoe bevoegde ambtenaar en heeft voldoende inzicht gegeven in de deugdelijkheid van de kostenraming die ten grondslag ligt aan de in de naheffingsaanslag begrepen kosten.

6. De controleur is bij aanwijzingsbesluit van 14 augustus 2015 door de directeur der Gemeentebelastingen aangewezen als gemeenteambtenaar met de bevoegdheid naheffingsaanslagen parkeerbelasting op te leggen. De stelling van eiseres dat dit besluit niet op de voorgeschreven wijze zou zijn bekendgemaakt, faalt. Deze bekendmaking kan ook geschieden tegelijk met het uitoefenen van de bevoegdheid, bijvoorbeeld door een mededeling hierover op het aanslagbiljet. Op het aanslagbiljet is vermeld dat de aanslag is opgelegd door de controleur, dat tegen de aanslag bezwaar kan worden gemaakt bij de directeur der Gemeentebelastingen, en dat men zich voor nadere informatie kan wenden tot de Handhavingsorganisatie. De bekendmaking heeft daarmee op de juiste wijze plaatsgevonden (vgl. Hoge Raad 7 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3829).

7. Op grond van artikel 234, vijfde lid, van de Gemeentewet (de Wet) worden ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag kosten in rekening gebracht. Deze kosten maken onderdeel uit van de naheffingsaanslag en worden afzonderlijk op het aanslagbiljet vermeld. Op grond van artikel 234, zesde lid, van de Wet worden bij algemene maatregel van bestuur regels gesteld met betrekking tot de wijze van berekening en de maximale hoogte van die kosten. Deze regels zijn neergelegd in het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen (het Besluit). Artikel 2 van het Besluit bepaalt welke gemeentelijke kosten hierbij in aanmerking mogen worden genomen en dat de raad op grond van een kostenraming het bedrag van de in rekening te brengen kosten vaststelt. Uit artikel 3 van het Besluit volgt dat de in rekening te brengen kosten voor het jaar 2015 ten hoogste € 59 mogen bedragen.

8. De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid van de door verweerder overgelegde begroting 2015, waaruit blijkt dat de werkelijke kosten per naheffingsaanslag zijn geraamd op € 61,47. De begroting komt de rechtbank reëel voor. De in de begroting genoemde bedragen zijn te herleiden tot de in artikel 2, eerste lid, van het Besluit genoemde kostensoorten. De rechtbank is van oordeel dat de in de begroting opgenomen kosten bij de bepaling van het op de voet van artikel 234, zesde lid, van de Wet in rekening te brengen bedrag in aanmerking genomen kunnen worden.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. van Rij, rechter, in aanwezigheid van mr. M.G.J. Konings, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.