Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:1106

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-02-2016
Datum publicatie
10-02-2016
Zaaknummer
C/09/484935 / HA ZA 15-337
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Procedure tussen gemeente en woonwagenbewoners die al ruim 20 jaar wonen op een perceel grond van de gemeente. De gemeente vordert ontruiming van het perceel, omdat zij dit wegens herinrichting van het gebied waarin het perceel ligt nodig heeft voor de aanleg van parkeerplaatsen. De rechtbank is van oordeel dat er tussen de gemeente en de bewoners sprake was een bruikleenovereenkomst die de gemeente wegens genoemde reden en onder de door haar aangeboden voorwaarden in het minnelijke traject heeft mogen opzeggen. Aan de bewoners wordt een termijn gegeven om alsnog vrijwillig het perceel te verlaten. Indien de bewoners dit binnen die termijn doen, dient de gemeente alsnog de in het minnelijke traject aangeboden vergoeding te betalen. Doen de bewoners dit niet, dan is de gemeente gemachtigd om het perceel te doen ontruimen. Door aldus te handelen is er geen sprake van een onaanvaardbare doorkruising van artikel 61 van de Woonwagenwet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RVR 2016/55
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/484935 / HA ZA 15 -337

Vonnis van 3 februari 2016

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE DEN HAAG,

zetelende te Den Haag,

eiseres,

advocaat mr. A.R. de Jonge te Den Haag,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

2. [gedaagde sub 2],

3. [gedaagde sub 3],

4. [gedaagde sub 4],

allen wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. S.J.M. Jaasma te Amsterdam.

Partijen zullen hierna de gemeente, [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] genoemd worden. Met [gedaagden] (vrouwelijk enkelvoud) zullen gedaagden hierna gezamenlijk worden aangeduid.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het vonnis in incident van 10 juni 2015 en de daarin genoemde stukken;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties;

  • -

    de nagekomen producties van de zijde van [gedaagden] ;

  • -

    het tussenvonnis van 5 augustus 2015, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 18 december 2015 en de daarin genoemde stukken; - de brief d.d. 5 januari 2016 van de zijde van de gemeente;

  • -

    de brief d.d. 6 januari 2016 van de zijde van [gedaagden]

1.2.

Het proces-verbaal van de comparitie is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld correcties van feitelijke aard per brief aan de rechtbank kenbaar te maken. Zij hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Voornoemde brieven van 5 januari 2016 van de zijde van de gemeente en van 6 januari 2016 van de zijde van [gedaagden] behoren tot de processtukken.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2. De feiten

2.1.

[gedaagde sub 1] is gehuwd geweest met de heer [A] (hierna: [A] ) van 27 augustus 1996 tot het overlijden van [A] op 27 juli 2006. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] zijn de inmiddels meerderjarige kinderen van [gedaagde sub 1] en [A] . [gedaagde sub 4] is een inmiddels meerderjarig kind van [gedaagde sub 1] .

2.2.

[A] huurde tot 1 april 1990 een woonwagenstandplaats aan de [adres 1] t.o. nummer [nummer 1] te [plaats] . In een ongedateerd intern document van de gemeente is over de beëindiging van de huur van deze standplaats het volgende opgenomen:

‘(…)

Eind februari [1990; toevoeging rechtbank] werd als voorschot f 100.000,00 op de uit te betalen

f 400.000,00 voor schadeloosstelling en f 75.000,00 voor herinrichtingskosten uitbetaald. De huurovereenkomst werd per 31 maart 1990 beëindigd. Op 8 maart werd een aanvullende herinrichtingskostentoelage toegekend van f 39.415,55 totaal dus tbv deze kosten uitbetaald f 114.415,55. (buiten de f 400.000,00 schadeloosstelling) (…)’

In de huurontbindingsovereenkomst van 9 februari 1990 tussen de gemeente als verhuurder en [A] als huurder is het volgende opgenomen:

‘(…)

1. De Gemeente en de Huurder gaan akkoord met de beëindiging van de huurovereenkomst betreffende het gehuurde perceel.

2. (…)

2a. Ter vervanging van het gehuurde perceel zal de Gemeente een vervangend perceel aanbieden waarvoor heden door de Huurder een huurcontract is getekend. De Gemeente zal het perceel voor de plaatsing van een woonwagen geschikt maken (…).

3. De Gemeente kent aan de Huurder een schadeloosstelling toe, groot f 400.000,= (…) uit hoofde van de huurbeëindiging en de tijdige ontruiming van het Gehuurde Perceel. (…)’

2.3.

Op 9 februari 1990 hebben de gemeente en [A] een huurakte ondertekend met de volgende inhoud, waarbij de gemeente als verhuurder wordt aangeduid en [A] als huurder:

‘(…)

De verhuurder verhuurt aan huurder, die in huur aanvaardt: de op de bij deze akte behorende en door de verhuurder en de huurder gewaarmerkte tekening met gele kleur aangegeven oppervlakte gemeentegrond, ter grootte van ongeveer 440 m2. gelegen aan de [adres 2] naast nr. [nummer 2]

voor het tijdvak van twee jaar, gerekend te zijn ingegaan 1 april 1990 en mitsdien eindigende 31 maart 1992 en vervolgens met stilzwijgende verlenging van maand tot maand tot wederopzegging, tegen een huurprijs van f100,- (…) per maand, welke dient te worden voldaan (…) bij vooruitbetaling.

(…)

De verhuring geschiedt voort onder de volgende voorwaarden:

1. De grond (…) mag uitsluitend worden gebezigd voor het daarop plaatsen van één woonwagen, en één reiscaravan alsmede de opslag t.b.v. een kermisattractie en aanverwante materialen en enkele vrachtauto’s benodigd voor het vervoer daarvan zulks ter goedkeuring door de verhuurder. (…)

(…)

11. De grond moet, tenzij de verhuurder afwijking toestaat, bij het einde van de huurtijd worden opgeleverd in de staat, waarin hij zich bevond bij de aanvang der verhuring. (…)

(…)

13. Indien de huurder zich handelingen veroorlooft, strijdig met de hem in deze huurovereenkomst opgelegde voorwaarden, een of meer dier voorwaarden niet naleeft of niet voldoet aan de hem opgelegde betalingsverplichtingen, is de huurder door de enkele overtreding of het enkele verloop van de gestelde termijn in gebreke en is de verhuurder, zonder dat enige ingebrekestelling is vereist, bevoegd deze huurovereenkomst als geëindigd te beschouwen, zonder dat enige rechterlijke tussenkomst nodig zal zijn en de huurder op grond van geëindigde huur tot ontruiming te noodzaken. (…)

14. De huurder verklaart uitdrukkelijk, door ondertekening van deze akte, ermede bekend te zijn dat deze huurovereenkomst een essentieel tijdelijk karakter draagt aangezien (in afwachting van de definitieve bestemming van de grond) de verhuurder slechts tot verhuur van de grond is overgegaan ten einde deze niet onnodig braak te doen liggen.
De huurder zal bij beëindiging van de huur jegens de verhuurder geen enkele aanspraak op vergoeding dan wel op vervangende grond doen gelden en voor zover op dat tijdstip rechten ter zake mochten bestaan doet hij daarvan nu voor alsdan afstand ten behoeve van de verhuurder.

(…)’

2.4.

Op het perceel [adres 2] naast nr. [nummer 2] te [plaats] (hierna: het perceel) zijn betonnen platen aangebracht waarop de door [A] bewoonde woonwagen is geplaatst. De woonwagen is aangesloten op water- en elektriciteitsvoorzieningen en op datakabels, met dien verstande dat de wateraansluiting een aftakking van de waterleiding van het naastgelegen perceel betreft.

2.5.

Kort nadat [A] het perceel in gebruik had genomen, heeft [gedaagde sub 1] zonder toestemming van de gemeente een toercaravan geplaatst op het terrein. Haar verzoek om dit te legaliseren of andere grond aan haar beschikbaar te stellen voor het plaatsen van een woonwagen en kermismateriaal heeft de gemeente bij brief van 26 september 1990 afgewezen, waarbij de gemeente heeft opgemerkt dat zij uiterlijk 30 september 1990 haar caravan van het perceel dient te verwijderen. De aangekondigde ontruiming heeft de gemeente herhaald bij brieven van 15 oktober 1992, 16 oktober 1992, 9 november 1992 en 25 november 1992. Op enig moment hierna is [gedaagde sub 1] met haar kinderen [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] bij [A] ingetrokken.

2.6.

Bij brief van 16 oktober 1992 heeft de gemeente aan [A] het volgende bericht:

‘(…)

Ten vervolge op eerder gesprekken tussen u en medewerkers van deze dienst, waarbij u te kennen gaf gezondheidsklachten te hebben die mogelijk verband houden met de lokatie waarop uw woonwagen zich bevindt, deel ik u het volgende mede.

Zoals u bekend is met u voor de lokatie aan de [adres 2] naast nr. [nummer 2] een essentieel tijdelijke huurovereenkomst aangegaan voor de duur van twee jaar, ingaande 1 april 1990 en derhalve eindigende 31 maart 1992 met vervolgens verlenging van maand tot maand tot wederopzegging.

Nu thans door u bezwaren zijn geopperd tegen het gebruik van het betreffende stuk grond waarvan de draagwijdte verder kan reiken dan waarvoor de gemeente verantwoordelijkheid wenst te aanvaarden, ben ik genoodzaakt u de huur per 1 december 1992 op te zeggen (…).

Ik wijs u erop dat volgens art. 14 van de huurovereenkomst u jegens de verhuurder geen enkele aanspraak kunt maken op vergoeding danwel op vervangende grond. (…)’

2.7.

Naar aanleiding van een brief van de advocaat van [A] van 13 november 1992 in reactie op voornoemde brief van de gemeente van 16 oktober 1992 aan [A] heeft de gemeente bij brief van 17 december 1992 het volgende aan die advocaat bericht:

‘(…)

Er zijn bodemonderzoeken verricht en de resultaten zijn besproken met een medisch milieukundige van de GG en GD. (…) Zoals inmiddels bekend moet worden verondersteld luiden de conclusies van de medisch milieukundige als volgt:

1. na overleg met de huisarts lijken de klachten van de bovenste luchtwegen en prikkende ogen van de familie [A] reëel en gerelateerd aan de woonlokatie;

2. een direct verband tussen de klachten en de bodemverontreiniging met PAK en lood is niet waarschijnlijk;

3. de aanwezigheid van minerale olie en aromaten dient nader te worden geëvalueerd;

4. de risico-evaluatie laat zien dat potentiële blootstellingsrisico’s aanwezig zijn. Daarom is het uiterst ongewenst dat het voormalig bedrijfsterrein voor langere tijd wordt bewoond en dient op korte termijn een alternatieve lokatie te worden aangewezen voor de twee woonwagens.

In verband met deze conclusies (…) en de wens ieder risico uit te sluiten, is besloten dat het terrein naast adres [adres 2] [nummer 2] zo snel mogelijk ontruimd dient te worden. Vervolgens is de huur per 1 december 1992 conform de met uw cliënt gesloten huurovereenkomst opgezegd.

(…)

Ondanks dat in de huurovereenkomst door huurder is verklaard dat bij beëindiging van de huur hij ‘jegens de verhuurder geen enkele aanspraak op vergoeding dan wel op vervangende grond’ zal doen gelden (art. 14), is in de wetenschap dat de heer [A] een woonwagenbewoner is in de zin van de Woonwagenwet toch een passende artikel 10 standplaats aan de [adres 3] te [plaats] aangeboden. (…)

Het spreekt voor zich dat de gemeente geen enkele aansprakelijkheid kan aanvaarden ten aanzien van een eventuele aantasting van de gezondheid van uw cliënt indien hij een ontruiming blijft weigeren. (…)’

2.8.

Naar aanleiding van het door [A] gemaakte bezwaar tegen de brief van de gemeente van 16 oktober 1992 aan [A] , heeft de Commissie beroep- en bezwaarschriften van de gemeente in haar advies aan de burgemeester en wethouders van de gemeente van 4 april 1995 het volgende verwoord:

‘(…)

Ter zitting is duidelijk geworden dat de bedoeling van genoemde brief slechts is geweest de huurovereenkomst op te zeggen en dat de daarin aangezegde ontruiming gezien moet worden in het licht van artikel 11 van de huurovereenkomst, waarin appellant zich heeft verplicht bij het einde van de huurtijd de grond op te leveren in de staat, waarin deze zich bevond bij de aanvang der verhuring. De commissie concludeert hieruit dat de brief van 16 oktober 1992 er op was gericht de bestaande privaatrechtelijke betrekking tussen de gemeente en appellant te beëindigen.

Het vorenstaande betekent dat de brief van 16 oktober 1992 aangemerkt behoort te worden als een rechtshandeling naar burgerlijk recht, waartegen (…) geen bezwaarschift (…) kon worden ingediend. De commissie adviseert dan ook het bezwaarschrift niet-ontvankelijk te verklaren.

De commissie vraagt evenwel nog aandacht voor het volgende.

(…)

Aan appellant was van oudsher ontheffing als bedoeld in artikel 10 van de Woningwet verleend om standplaats te hebben buiten een woonwagencentrum. (…)

Aan de commissie is niet gebleken dat voor het standplaats innemen door appellant aan de [adres 2] een schriftelijk besluit, inhoudende een ontheffing op grond van artikel 10, is genomen. (…)

Ter zitting is namens u bevestigd dat de locatie aan de [adres 2] een ‘artikel 10’-standplaats is.

(…)

2.9.

[A] heeft het perceel na de brief van de gemeente van 16 oktober 1992 niet verlaten en de gemeente heeft het perceel niet doen ontruimen. [A] betaalt sindsdien geen vergoeding voor het gebruik van de grond.

2.10.

Op 11 augustus 1995 hebben [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] zich in de Basisregistratie persoonsgegevens ingeschreven op het perceel.

2.11.

In een uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, sector bestuursrecht, van 14 april 2006 in een procedure tussen [A] en het college van gedeputeerde staten van de provincie Zuid-Holland is het volgende overwogen:

‘(…)

Tot slot merkt de voorzieningenrechter nog op dat van de zijde van verweerder ter zitting is gesteld dat de standplaats wordt behandeld als ware er een ontheffing op grond van artikel 10 van de Woonwagenwet verleend en dat er een besluit moet worden genomen tot opneming van de woonwagenstandplaats in het vigerende bestemmingsplan. (…)’

2.12.

Na het overlijden van [A] op 27 juli 2006 heeft [gedaagde sub 1] het gebruik van het perceel voortgezet. Ook zij betaalt geen vergoeding aan de gemeente voor het gebruik van het perceel.

2.13.

Op 13 augustus 2007 heeft [gedaagde sub 4] zich in de Basisregistratie persoonsgegevens ingeschreven op het perceel.

2.14.

Bij brief van 19 juli 2012 heeft de gemeente aan [gedaagde sub 1] het volgende bericht:

‘(…)

Uw woonwagen aan de [adres 2] nabij nummer [nummer 2] , staat in een gebied waarvoor de gemeente herontwikkelingsplannen heeft. De verwachting is dat dit stedelijke plan in 2013 wordt uitgevoerd. De bestuurlijke besluitvorming over het plan zal in de komende tijd plaatsvinden. Om dit plan uit te voeren heeft de gemeente de vrije beschikking nodig over de grond waarop uw woonwagen staat. Samen met u willen wij kijken of wij langs minnelijke weg met u tot overeenstemming kunnen komen over een vrijwillige ontruiming door u van ons perceel.

Voor zover ons bekend is er geen bouwvergunning verleend voor uw woonwagen. Ook is ons geen rechtsgeldige titel bekend op basis waarvan u ter plekke een standplaats inneemt. (…) Er is door de gemeente [plaats] nooit een ontheffing op grond van artikel 10 van de toenmalige Woonwagenwet verleend. In het huurcontract heeft uw wijlen man er destijds voor getekend dat de huurder bij beëindiging van de huur jegens de verhuurder geen enkele aanspraak op vergoeding dan wel op vervangende grond zal doen gelden. De huur van het perceel is opgezegd tegen 1 december 1992. Er wordt geen huur meer betaald. (…)

Teneinde onnodige juridische procedures te voorkomen willen wij u een voorstel doen voor een minnelijke regeling. Daarom zullen wij binnenkort een afspraak met u maken om de waarde van uw woonwagen vast te stellen. Op dit moment is ons namelijk geen vrije woonwagenstandplaats op een woonwagenlocatie bekend die wij u zouden kunnen aanbieden in het kader van een dergelijke minnelijke regeling. (…)’

2.15.

Vervolgens hebben partijen met elkaar gecorrespondeerd over een minnelijke regeling, waarbij de gemeente enkele keren refereert aan ‘de huurovereenkomst’.

2.16.

Bij brief van 9 december 2014 heeft mr. De Jonge namens de gemeente aan [gedaagde sub 1] het volgende bericht:

‘(…)

De gemeente heeft (…) aangegeven dat het door u gebruikte perceel nodig is om ter plaatse een waterberging aan te leggen ten behoeve van de herinrichting van de [Y] . Deze gesprekken hebben niet tot een vergelijk geleid. Een en ander laat onverlet dat de gemeente op betrekkelijk korte termijn de beschikking wil krijgen over het bewuste perceel. Dit houdt verband met het feit dat eind 2015 volgens de planning gestart zal worden met de eerste werkzaamheden voor resp. ten behoeve van de [de weg] . Daarvoor is het nodig dat de gemeente de beschikking krijgt over het bij u in gebruik zijnde perceel teneinde daarop parkeerplaatsen te realiseren. Dit betekent dat de gemeente zich genoodzaakt ziet om de gebruiksrelatie resp. gebruiksovereenkomst met betrekking tot het perceel (…) op te zeggen, en dat langs deze weg doet tegen 1 september 2015.

(…)

In het verleden heeft de gemeente in het kader van de met u gevoerde gesprekken om te komen tot een beëindiging van het gebruik van het perceel grond – geheel onverplicht – aan u een vergoeding aangeboden van € 47.500,--. In dit bedrag was begrepen een vergoeding voor de waarde van de woonwagen, een vergoeding voor het verlies van het woongenot en een verhuiskostenvergoeding. De gemeente handhaaft (…) dit aanbod in zoverre dat zij de betaling van het bedrag (…) koppelt aan een ontruiming van het perceel grond voor of op uiterlijk 1 september 2015, waarbij de door u op de grond geplaatste zaken, waaronder de woonwagen, op het perceel zult achterlaten. Mocht u in het kader van de ontruiming de woonwagen willen verplaatsen, dan zal de vergoeding neerwaarts worden bijgesteld met een bedrag van € 20.618,--. Los van de bereidheid van de gemeente om u een vergoeding toe te kennen, is de gemeente tevens bereid om u te helpen bij het vinden van een andere huisvesting (…).

Voor de gemeente is van belang dat zij op korte termijn duidelijkheid verkrijgt omtrent de vraag of u tot een vrijwillige ontruiming van het door u gebruikte perceel grond zult overgaan. In verband daarmee verzoek – en voor zover nodig sommeer – ik u om mij uiterlijk binnen zes weken na dagtekening van deze brief en derhalve voor 21 januari 2015, schriftelijk te bevestigen dat u het perceel grond voor of op uiterlijk 1 september 2015 leeg en ontruimd zult achterlaten. Ik herhaal op deze plaats dat de gemeente uitsluitend in het kader van een beëindiging van de gebruiksrelatie bereid is om aan u een vergoeding te betalen; dat is niet aan de orde indien u zich op het standpunt zou stellen dat sprake is van enigerlei huurrelatie.

(…)’

2.17.

Bij brieven van 9 december 2014 heeft de gemeente aan [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] het volgende bericht:

‘(…)

Concreet betekent deze opzegging [van de gebruiksrelatie dan wel gebruiksovereenkomst tussen de gemeente en [gedaagde sub 1] ; toevoeging rechtbank] dat ook u (…) gehouden bent om het perceel grond vóór 1 september 2015 geheel leeg en ontruimd aan de gemeente ter vrije beschikking te stellen. (…)

Gelet op de omstandigheid dat de gemeente met u geen gebruiksrelatie resp. gebruiksovereenkomst heeft, is de gemeente niet bereid om deze vergoeding [van € 47.500,- die aan [gedaagde sub 1] is aangeboden; toevoeging rechtbank] ook aan u aan te bieden. De gemeente is wel bereid om u te helpen bij het vinden van andere huisvesting (…)’

2.18.

Bij brief van 12 oktober 2015 heeft [X] aan [gedaagden] het volgende bericht:

‘(…)

Hierbij geven wij gehoor aan uw vraag:
De [X] voldoet op dit moment aan de parkeerbehoefte van 386 parkeerplaatsen. Er is voor ons derhalve geen aanleiding/noodzaak om uw grond te gebruiken. Het is wat ons betreft nooit ter sprake gekomen dat u weg zou moeten voor de exploitatie van de [X] . (…)’

3 Het geschil

3.1.

De gemeente vordert, samengevat en na eiswijziging:

ten aanzien van [gedaagde sub 1] :

  • -

    primair te verklaren voor recht dat de tussen de gemeente en [gedaagde sub 1] bestaande bruikleenrelatie met betrekking tot het perceel grond ter grootte van circa 440 m2, gelegen aan de [adres 2] nabij nr. [nummer 2] althans aan de [adres 2] [nummer 2a] te [plaats] met ingang van 1 september 2015, dan wel met ingang van een door de rechtbank nader vast te stellen tijdstip is geëindigd;

  • -

    subsidiair de huurovereenkomst met betrekking tot het perceel tussen de gemeente en [gedaagde sub 1] te ontbinden en ontbonden te verklaren met ingang van 1 september 2015, althans met ingang van een door de rechtbank te bepalen datum;

  • -

    meer subsidiair te verklaren voor recht dat de huurovereenkomst met betrekking tot het perceel, althans met betrekking tot de standplaats tussen de gemeente en [gedaagde sub 1] met ingang van 1 september 2015 rechtsgeldig is geëindigd;

  • -

    primair, subsidiair en meer subsidiair [gedaagde sub 1] te veroordelen om op uiterlijk 1 september 2015 na betekening van dit vonnis, althans binnen een in dit vonnis door de rechtbank te bepalen termijn, het perceel te ontruimen en ter vrije algehele beschikking van de gemeente te stellen en te laten, op straffe van verbeurte van een dwangsom en met machtiging van de gemeente om de ontruiming zo nodig zelf te doen uitvoeren op kosten van [gedaagde sub 1] ;

  • -

    subsidiair en meer subsidiair [gedaagde sub 1] te veroordelen aan de gemeente te betalen:
    - de verschuldigde huurpenningen over de periode december 2009 tot en met december 2014 ten bedrage van € 2.722,80;
    - een gebruiksvergoeding van € 45,38 per maand bij vooruitbetaling te voldoen over de periode gelegen tussen de datum van ontbinding van de huurovereenkomst, te weten 9 december 2014, althans een door de rechtbank vast te stellen datum, en de feitelijke ontruiming van het perceel, een en ander gerelateerd aan de duur van het feitelijk gebruik, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening;

ten aanzien van [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] :

  • -

    te verklaren voor recht dat tussen de gemeente en [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] geen huur- en/of andersoortige overeenkomst bestaat met betrekking tot het perceel;

  • -

    [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] te veroordelen om op uiterlijk 1 september 2015 na betekening van dit vonnis, althans binnen een in dit vonnis door de rechtbank te bepalen termijn, het perceel te ontruimen en ter vrije algehele beschikking van de gemeente te stellen en te laten, op straffe van verbeurte van een dwangsom en met machtiging van de gemeente om de ontruiming zo nodig zelf te doen uitvoeren op kosten van [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] ;

een en ander met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en met hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] in de kosten van deze procedure te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten met ingang van veertien dagen na de datum van dit vonnis.

3.2.

De gemeente voert daartoe – samengevat – het volgende aan. De tussen de gemeente en [gedaagde sub 1] bestaande bruikleenovereenkomst dan wel huurovereenkomst is rechtsgeldig opgezegd. De gemeente had een zwaarwegende reden voor opzegging van de overeenkomst, nu zij het perceel dringend nodig heeft om vervangende parkeerplaatsen te realiseren vanwege het verlies van parkeerplaatsen door de aanleg van de [de weg] . De alternatieve parkeerplaatsen dienen eind 2015 te zijn gerealiseerd om te voorkomen dat er parkeerproblemen ontstaan. De gemeente heeft zich de belangen van [gedaagde sub 1] voldoende aangetrokken door zonder daartoe verplicht te zijn een vergoeding aan [gedaagde sub 1] aan te bieden van € 47.500,-, door een ruime opzegtermijn in acht te nemen en door aan te geven bereid te zijn om [gedaagde sub 1] te helpen bij het vinden van een andere passende woning. De gemeente is niet verplicht een andere standplaats aan [gedaagde sub 1] aan te bieden. Er is volgens de gemeente geen sprake van een onaanvaardbare doorkruising van de publiekrechtelijke weg.
Ten aanzien van [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] merkt de gemeente op dat zij feitelijk als inwonende kinderen woonachtig zijn op het adres bij hun moeder [gedaagde sub 1] . Zij hebben geen eigen gebruiksrelatie met de gemeente. Na het eindigen van de overeenkomst tussen de gemeente en [gedaagde sub 1] op 1 september 2015 maken zij zonder recht of titel en daarmee onrechtmatig gebruik van het terrein. De gemeente heeft er recht en belang bij om aan deze onrechtmatige situatie een einde te maken.

Aangezien [gedaagden] niet schriftelijk heeft bevestigd dat zij het perceel op 1 september 2015 leeg en ontruimd zal opleveren, heeft de gemeente belang bij de door haar gevorderde verklaringen voor recht. Ook heeft de gemeente belang bij de gevorderde ontruiming van het perceel, nu [gedaagden] mogelijk niet uit eigen beweging hiertoe zal overgaan.

3.3.

[gedaagden] voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Huurovereenkomst of bruikleenovereenkomst met [gedaagde sub 1] ?

4.1.

De rechtbank is met de gemeente van oordeel dat er tussen [gedaagde sub 1] en de gemeente ten aanzien van het perceel sprake is van een bruikleenovereenkomst als bedoeld in de artikelen 7A:1777 e.v. BW en niet van een huurovereenkomst. Daartoe is het volgende redengevend.

4.2.

Aanvankelijk was sprake van een huurovereenkomst tussen [A] en de gemeente. Deze huurovereenkomst is door de gemeente bij brieven van 16 oktober 1992 en 17 december 1992 opgezegd tegen 1 december 1992 wegens vervuiling van de grond.

De gemeente heeft daarbij kenbaar gemaakt dat zij geen verantwoordelijkheid wilde dragen voor de risico’s die het vervuilde terrein met zich mee zouden kunnen brengen. Ook heeft de gemeente een vervangend perceel aan [A] aangeboden. Weliswaar hebben [A] en/of [gedaagde sub 1] daarna het perceel niet verlaten en heeft de gemeente het perceel ook niet ontruimd, maar dit betekent niet dat de huurovereenkomst zou zijn voortgezet. Immers, de gemeente heeft uitdrukkelijk bericht dat zij de huurovereenkomst niet wil voortzetten, terwijl er vanaf dat moment ook geen huurpenningen meer zijn geïnd of betaald. De door de gemeente betwiste stelling van [gedaagden] dat [A] nog wel heeft geprobeerd huurpenningen te betalen maar dat deze door de gemeente zijn teruggestort, is door [gedaagden] niet voldoende concreet toegelicht. De rechtbank gaat aan deze stelling dan ook voorbij. Gelet op het voorgaande is de huurovereenkomst naar het oordeel van de rechtbank met ingang van 1 december 1992 met wederzijds goedvinden (beëindigd en) omgezet in een bruikleenovereenkomst. Na het overlijden van [A] is deze bruikleenovereenkomst door [gedaagde sub 1] voortgezet.

4.3.

[gedaagden] stelt dat op grond van artikel IX lid 4 van de Wet van 1 juli 1998 tot wijziging van de Huisvestingswet, de Woningwet en enige andere wetten in verband met de integratie van de woonwagen- en woonschepenregelgeving, gepubliceerd in het Staatsblad 1998, 459, alsnog van rechtswege een huurovereenkomst is ontstaan. De gemeente voert hiertegen verweer.
Uit de memorie van toelichting bij dit wetsartikel blijkt dat de gemeente ook na intrekking van de Woonwagenwet de keuze heeft om door middel van een retributieverordening een vergoeding voor standplaatsen te krijgen dan wel door middel van een huurovereenkomst. Indien de gemeente niet kiest voor een nieuwe retributieverordening en het niet gelukt is om binnen een half jaar na inwerkingtreding van genoemde wet een huurovereenkomst te sluiten, wordt de rechtsbetrekking van rechtswege omgezet in een huurovereenkomst. Dit impliceert dat voor deze omzetting bij in ieder geval de gemeente de wil aanwezig moet zijn om een huurovereenkomst te sluiten. Blijkens de laatste zin van genoemd artikellid dient ook de gebruiker van de standplaats de wil te hebben om de huurovereenkomst te sluiten, met dien verstande dat die wil wordt verondersteld indien deze persoon niet binnen de daar genoemde termijn schriftelijk kenbaar maakt dat de totstandkoming van de huurovereenkomst tegen zijn wil is.
Daargelaten de vragen of het perceel kan worden aangemerkt als een standplaats als bedoeld in genoemd artikellid en zo ja of hiervoor een ontheffing als bedoeld in artikel 10 van de Woonwagenwet was verleend en daargelaten het feit dat [A] geen retributie verschuldigd was voor het perceel, ontbreekt de voor de van rechtswege omzetting van de rechtsbetrekking in een overeenkomst van huur en verhuur vereiste wil bij de gemeente om een huurovereenkomst te sluiten. Zoals hiervoor is overwogen wilde de gemeente – die overigens het precariostelsel heeft gehandhaafd – juist uitdrukkelijk geen huurovereenkomst meer ten aanzien van het perceel in verband met de vervuiling van de grond. Bovendien mocht de gemeente naar het oordeel van de rechtbank erop vertrouwen dat ook [A] geen huurovereenkomst meer wenste, getuige het feit dat hij vanaf 1 december 1992 is gestopt met het betalen van huurpenningen. Gelet op het voorgaande is er geen huurovereenkomst ontstaan op grond van genoemd artikellid.

Opzegging bruikleenovereenkomst met [gedaagde sub 1]

4.4.

Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bruikleenovereenkomst tussen de gemeente en [gedaagde sub 1] ten aanzien van het perceel. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of de gemeente deze bruikleenovereenkomst heeft mogen opzeggen. Het gaat dan om opzegging van een overeenkomst voor onbepaalde tijd. Nu opzegging van de overeenkomst betekent dat [gedaagden] na een jarenlang verblijf op het perceel hierop niet langer in een woonwagen zal kunnen wonen, brengen de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval met zich dat opzegging slechts mogelijk is indien een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging bestaat.

De gemeente heeft hiertoe gesteld dat zij in verband met de herinrichting van de [....] het perceel nodig heeft voor de realisatie van parkeerplaatsen, hetgeen de rechtbank op zichzelf een voldoende zwaarwegende grond acht. De betwisting van deze stelling door

[gedaagden] door overlegging van de verklaring van de [X] dat zij geen noodzaak hebben om het perceel te gebruiken (2.18), acht de rechtbank onvoldoende. De Gemeente heeft immers ter zitting toegelicht dat de [X] thans geen parkeerproblemen heeft, omdat op het expeditieterrein van het naastgelegen, bij de gemeente in eigendom zijnde bedrijvengebouw een parkeerplaats ten behoeve van de [X] is ingericht. Hierdoor kan de gemeente dit naastgelegen bedrijvengebouw niet verhuren. Deze stellingen van de gemeente zijn door [gedaagden] onvoldoende bestreden, zodat de rechtbank hiervan uitgaat. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee voldoende komen vast te staan dat de gemeente een voldoende zwaarwegende grond heeft voor opzegging van de bruikleenovereenkomst.

4.5.

Bij de wijze waarop de bruikleenovereenkomst wordt opgezegd dient de gemeente – mede gelet op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur – rekening te houden met de omstandigheden van het geval. Daarbij is aan de ene kant van belang de lange duur van de bruikleenovereenkomst (vanaf 1 december 1992), het feit dat [gedaagden] jarenlang met medeweten van de gemeente op vervuilde grond heeft gewoond en de ingrijpende gevolgen die opzegging van de overeenkomst voor [gedaagden] heeft, te weten dat [gedaagden] moet verhuizen. Aan de andere kant is van belang dat de gemeente in 1990 een volgens beide partijen riante vergoeding van fl. 400.000,- aan [A] heeft betaald voor verhuizing van de door hem gehuurde standplaats naar het perceel en dat [A] en [gedaagden] vanaf 1992 geen vergoeding voor het gebruik van het perceel hebben betaald. Deze omstandigheden in aanmerking genomen acht de rechtbank het door de gemeente bij brief van 9 december 2014 aan [gedaagde sub 1] gedane aanbod voor vrijwillig vertrek van het perceel redelijk. Dit aanbod hield kort gezegd in een vergoeding van € 47.500,- (of van € 26.882,- indien de woonwagen wordt verplaatst) en een aanbod om te helpen bij het vinden van andere huisvesting, waarbij een opzeggingstermijn van bijna negen maanden in acht werd genomen. Onder deze voorwaarden mocht de gemeente derhalve de bruikleenovereenkomst opzeggen. Dat genoemde vergoeding volgens [gedaagden] onvoldoende is om een andere woonwagen op een standplaats te betrekken, maakt dit – wat hier ook van zij – niet anders. Onder voornoemde omstandigheden kan niet worden gezegd dat de gemeente gehouden is alle voor [gedaagden] mogelijk verbonden kosten aan de opzegging van de bruikleenovereenkomst voor haar rekening te nemen.

4.6.

De gemeente stelt echter niet (langer) bereid te zijn voornoemde vergoeding aan [gedaagde sub 1] te betalen, terwijl de gemeente ter zitting heeft verzocht de ontruimingstermijn op maximaal één maand te bepalen. De rechtbank acht een opzegging van de bruikleen-overeenkomst zonder voornoemde vergoeding en met een (nadere) ontruimingstermijn van maximaal één maand niet redelijk en niet in overeenstemming met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De rechtbank zal daarom als het mindere van de gevorderde opzegging zonder vergoeding bepalen dat de bruikleenovereenkomst met ingang van

1 september 2015 rechtsgeldig is geëindigd indien de gemeente alsnog aan [gedaagde sub 1] als vergoeding het eerder aangeboden bedrag van € 47.500,- (dan wel € 26.882,- indien de woonwagen wordt verplaatst) betaalt. De rechtbank ziet, gezien het tijdsverloop na

1 september 2015 geen aanleiding om de ontruimingstermijn op minimaal zes maanden te bepalen, zoals door [gedaagden] is gevorderd, maar zal als uiterste datum van ontruiming

1 mei 2016 bepalen.

Onaanvaardbare doorkruising artikel 61 Woonwagenwet?

4.7.

[gedaagden] stelt dat krachtens het overgangsrecht de bepalingen van de Woonwagenwet nog onverkort op haar van toepassing zijn en dat de gemeente door de privaatrechtelijke weg te bewandelen artikel 61 van de Woonwagenwet, dat volgens haar een verplichting voor de gemeente behelst om haar woonwagen bij ontruiming naar een andere standplaats te brengen, op onaanvaardbare wijze doorkruist. De gemeente voert hiertegen verweer.

4.8.

In dit verband onderscheidt de rechtbank twee mogelijke situaties, te weten (i) de situatie dat ten aanzien van het perceel (impliciet) een ontheffing als bedoeld in artikel 10 van de Woonwagenwet zou zijn verleend en (ii) de situatie dat een dergelijke ontheffing niet zou zijn verleend.

4.9.

In de eerste situatie, dus een standplaats met een artikel 10-ontheffing, blijft op grond van het overgangsrecht de Woonwagenwet van toepassing tot het moment waarop de standplaats werkelijk is verlaten. In dat geval is echter artikel 61 van de Woonwagenwet juist niet van toepassing. Dat artikel geeft immers een bevoegdheid aan burgemeester en wethouders om woonwagens te verplaatsen die – voor zover hier van belang – in strijd met artikel 10, eerste lid, standplaats hebben buiten een centrum, dus verwijdering van illegaal geplaatste woonwagens. In de hier aan de orde zijnde situatie zou er juist geen sprake zijn van een illegaal geplaatste woonwagen, zodat er geen sprake kan zijn van een ongeoorloofde doorkruising van artikel 61 Woonwagenwet.

4.10.

In de tweede situatie, dus een standplaats zonder een artikel 10-ontheffing, is volgens het overgangsrecht de Woonwagenwet niet op het perceel van toepassing, zodat er ook in deze situatie geen sprake kan zijn van doorkruising van de Woonwagenwet.

4.11.

Gelet op het voorgaande is, nog daargelaten of uit artikel 61 van de Woonwagenwet de door [gedaagden] gestelde verplichting voortvloeit, in beide situaties geen sprake van ongeoorloofde doorkruising. De gemeente vordert ontruiming op grond van het niet-naleven van de civielrechtelijke verplichting waartoe [gedaagde sub 1] na opzegging van de bruikleenovereenkomst was gehouden en de gemeente is hiertoe ook gerechtigd.

Overige verweren van [gedaagden]

4.12.

De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van [gedaagde sub 1] c.s dat de gemeente een natuurlijke verbintenis heeft om haar een andere standplaats aan te bieden dan wel te zorgen voor haar huisvesting. Daargelaten de vraag of een dergelijke natuurlijke verbintenis voor de gemeente bestaat, is deze verbintenis immers niet rechtens afdwingbaar.

4.13.

[gedaagden] stelt voorts dat de gemeente een ongerechtvaardigd onderscheid maakt tussen haar en de gebruikers van de naastgelegen percelen, omdat de gemeente aan die andere gebruikers wel een andere locatie zou hebben aangeboden. De gemeente heeft dit betwist, stellende dat zij de huurovereenkomsten van de bedrijven in de naastgelegen panden zonder een vergoeding aan te bieden heeft opgezegd en dat die bedrijven zelf vervangende bedrijfsruimte – deels in panden van de gemeente – hebben gevonden. Alleen aan een hulporganisatie die op één van de naastgelegen percelen was gehuisvest, stelt de gemeente tijdelijk een alternatieve locatie voor de opslag van hulpgoederen aangeboden te hebben. Deze stellingen van de gemeente zijn door [gedaagden] niet betwist en zij heeft haar eigen stelling ook niet nader onderbouwd, zodat de rechtbank hieraan voorbijgaat. Nu de gemeente aan [gedaagde sub 1] een vergoeding voor opzegging van de overeenkomst heeft aangeboden en zij tevens heeft aangeboden te helpen bij het vinden van andere huisvesting, terwijl de gemeente de huurovereenkomsten van de bedrijven op de naastgelegen percelen zonder een vergoeding aan te bieden heeft opgezegd en zonder een definitieve vervangende huisvesting aan te bieden, kan niet met recht worden gezegd dat de gemeente een ongerechtvaardigd onderscheid heeft gemaakt ten nadele van [gedaagden]

4.14.

Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de kwalificatie van de rechtsbetrekking tussen partijen, slaagt het beroep van [gedaagden] op (artikel 28e van) de Huurwet niet. Er is immers geen sprake van een huurovereenkomst tussen partijen.

Vorderingen ten aanzien van [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4]

4.15.

Nu de bruikleenovereenkomst tussen de gemeente en [gedaagde sub 1] is geëindigd, zal de vordering ten aanzien van [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] als niet weersproken en op de wet gegrond worden toegewezen, met dien verstande dat de termijn waarbinnen zij het perceel dienen te ontruimen gelijk gesteld wordt aan de voor [gedaagde sub 1] geldende termijn en dat deze vordering eveneens wordt toegewezen onder de voorwaarde dat de gemeente voornoemde vergoeding aan [gedaagde sub 1] betaalt.

Dwangsom

4.16.

Nu [gedaagden] het perceel niet vrijwillig heeft verlaten, ziet de rechtbank aanleiding om de gevorderde dwangsom op te leggen. De rechtbank zal de gevorderde dwangsom ambtshalve maximeren tot € 50.000,- in totaal. Ook bepaalt de rechtbank ambtshalve dat de opgelegde dwangsom naderhand vatbaar is voor verdere matiging en maximering door de rechtbank, indien en voor zover handhaving daarvan in de concrete omstandigheden van het geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

Proceskosten

4.17.

De rechtbank zal [gedaagden] hoofdelijk als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij veroordelen tot betaling van de proceskosten van de gemeente. De rechtbank begroot die proceskosten tot op heden op € 3.359,19, te weten € 94,19 voor deurwaarderskosten inclusief BTW, € 1.909,- voor betaald griffierecht en € 1.356,- voor forfaitair salaris advocaat (drie punten à € 452,-, tarief II). De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal als niet weersproken en op de wet gegrond worden toegewezen.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

verklaart voor recht dat de tussen de gemeente en [gedaagde sub 1] bestaande bruikleenrelatie met betrekking tot het perceel grond ter grootte van circa 440 m2, gelegen aan de [adres 2] nabij nr. [nummer 2] althans aan de [adres 2] [nummer 2a] te Den Haag met ingang van 1 september 2015 is geëindigd, met dien verstande dat de gemeente aan [gedaagde sub 1] nog een vergoeding dient te betalen van € 47.500,- (althans van € 26.882,- indien [gedaagden] hun woonwagen vóór 1 mei 2016 van het perceel verwijderen);

5.2.

verklaart voor recht dat tussen de gemeente en [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] geen huurovereenkomst en/of andersoortige overeenkomst bestaat met betrekking tot het onder 5.1 bedoelde perceel;

5.3.

veroordeelt [gedaagden] om na ontvangst door [gedaagde sub 1] van de onder 5.1 genoemde vergoeding van € 47.500,-, althans € 26.882 en na betekening van dit vonnis, uiterlijk op

1 mei 2016 het onder 5.1. genoemde perceel te ontruimen, althans te verlaten en ter vrije algehele beschikking van de gemeente te stellen en te laten, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag waarop [gedaagden] niet aan deze veroordeling voldoet tot een maximum van € 50.000,-, en bepaalt dat de opgelegde dwangsom naderhand vatbaar is voor verdere matiging en maximering door de rechtbank indien en voor zover algehele handhaving daarvan in de concrete omstandigheden van het geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn;

5.4.

machtigt de gemeente om de ontruiming van het perceel na 1 mei 2016 en na betaling van voornoemde vergoeding van € 47.500,-, althans € 26.882, zo nodig zelf te doen uitvoeren op kosten van [gedaagden] ;

5.5.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van de gemeente begroot op € € 3.359,19, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag met ingang van veertien dagen na de datum van dit vonnis;

5.6.

verklaart dit vonnis tot zover en met uitzondering van het onder 5.1 en 5.2 bepaalde uitvoerbaar bij voorraad;

5.7.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2016.1

1 type: 1881 coll: 2068