Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:11016

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-08-2016
Datum publicatie
13-09-2016
Zaaknummer
AMS 16/10366
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank komt tot de conclusie dat de beslistermijn, die ten aanzien van de door eiser ingediende asielaanvraag gold, niet door middel van WBV 2016/3 (categoriaal) is verlengd. Verweerder had eiser dan ook schriftelijk moeten informeren over de verlenging van de beslistermijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/10366

V-nr: [volgnummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 11 augustus 2016 in de zaak tussen

[de man] ,

geboren op [geboortedatum] 1993, van Syrische nationaliteit, eiser

(gemachtigde mr. F. Engelbertink),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: [naam] ).

Procesverloop

De rechtbank heeft op 17 mei 2016 een beroepschrift ontvangen, gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder op de aanvraag van eiser van 21 oktober 2015 om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juli 2016. Eiser en verweerder hebben zich ter zitting laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De zaak is gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met de zaken geregistreerd onder procedurenummers AMS 16/11035, 16/11027, 16/11024,16/10592, 16,11144 en 16/11029.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1.1

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser heeft de Syrische nationaliteit en heeft op 21 oktober 2015 een asielaanvraag ingediend bij verweerder.

1.2

Bij brief van 26 april 2016 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld voor het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn asielaanvraag en verweerder verzocht binnen de toepasselijke wettelijke termijn alsnog te beslissen. Bij brief van 9 mei 2016 heeft verweerder eiser medegedeeld dat de ingebrekestelling ongeldig is, omdat de beslistermijn om op de asielaanvraag te beslissen nog niet is verstreken.

1.3

Op 17 mei 2016 heeft de rechtbank een beroepschrift van eiser ontvangen tegen het uitblijven van de beslissing op zijn aanvraag. Eiser heeft de rechtbank daarbij verzocht verweerder op te dragen binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een beslissing op zijn aanvraag te nemen. Daarnaast heeft eiser de rechtbank verzocht te beslissen over de dwangsommen en verweerder te veroordelen in de proceskosten.

1.4

Bij brief van 19 mei 2016 heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat het beroep versneld zal worden behandeld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Wettelijk kader

2.1

Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. Tegen het niet tijdig beslissen staat dan ook beroep bij de rechtbank open.

2.2

Op grond van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, kan het beroepschrift worden ingediend zodra:

a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en

b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

2.3.

Ingevolge artikel 6:20, derde lid, van de Awb, heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt.

Ingevolge het vijfde lid kan het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit alsnog gegrond worden verklaard, indien de indiener van het beroepschrift daarbij belang heeft.

2.4

Op grond van artikel 4:13, eerste lid, van de Awb - voor zover hier van belang - dient een beschikking te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn.

2.5

Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) wordt op een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking gegeven.

2.6

Op grond van artikel 42, vierde lid aanhef en onder b, van de Vw 2000 kan de termijn, bedoeld in het eerste lid, met ten hoogste negen maanden worden verlengd, indien een groot aantal vreemdelingen tegelijk een aanvraag indient waardoor het in de praktijk zeer moeilijk is de procedure binnen de termijn van zes maanden af te ronden.

2.7

Op grond van artikel 42, zevende lid, van de Vw 2000 stelt Onze Minister de vreemdeling in kennis van de verlenging van de termijn en geeft, indien de vreemdeling daarom verzoekt, informatie over de reden van de verlenging en een indicatie van het tijdsbestek waarbinnen de beschikking, bedoeld in het eerste lid, te verwachten valt.

2.8

Op grond van artikel 3.120 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) wordt de vreemdeling - indien de termijn voor het geven van de beschikking op grond van artikel 42, vierde lid, van de Vw 2000 wordt verlengd - hiervan schriftelijk in kennis gesteld. Bij de kennisgeving wordt aangegeven op welk moment de verlengde beslistermijn eindigt.

2.9

In Werkinstructie 2013/17 van de IND is onder 3.2 het uitgangspunt geformuleerd dat het erg belangrijk is dat de aanvrager goed op de hoogte wordt gehouden van de beslistermijn en de toepassing van de mogelijkheden tot verlenging daarvan. Ook staat in deze werkinstructie dat de beslistermijn niet zonder communicatie vooraf kan worden verruimd en dat het einde van de beslistermijn dient te worden gecommuniceerd.

2.10

In paragraaf C1/2.11 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) is - naar aanleiding van het Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 9 februari 2016, WBV 2016/3 (Stcrt. 2016, 7573) - opgenomen dat de IND met ingang van 11 februari 2016 gebruik zal maken van de in artikel 42, vierde lid, onder b, van de Vw 2000 neergelegde bevoegdheid om in individuele zaken de beslistermijn met maximaal negen maanden te verlengen.

2.11

Op grond van artikel 8:55c, eerste volzin, van de Awb stelt de bestuursrechter, indien het beroep gegrond is, desgevraagd tevens de hoogte van de ingevolge afdeling 4.1.3 verbeurde dwangsom vast.

2.12

Op grond van artikel 4:17, eerste lid, van de Awb verbeurt het bestuursorgaan, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde niet van toepassing. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de dwangsom de eerste veertien dagen € 20,- per dag bedraagt, de daaropvolgende veertien dagen € 30,- per dag en de overige dagen € 40,- per dag.

Op grond van het derde lid is de eerste dag waarover een dwangsom is verschuldigd, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

Inhoudelijke beoordeling

3.1.

De rechtbank merkt allereerst het volgende op. Hangende het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is er - een door verweerder niet ingezonden - reëel besluit genomen. Bij dit besluit van 15 juni 2016 is de asielaanvraag ingewilligd. Niet gebleken is dat verweerder in dit besluit een dwangsom heeft toegekend. De gemachtigde van eiser heeft de rechtbank verzocht het beroep tegen het niet tijdig beslissen gegrond te verklaren en de verbeurde dwangsom vast te stellen. Deze gang van zaken heeft als gevolg dat eiser belang heeft bij het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag.

3.2

Verweerder is van mening dat de beslistermijn pas is verstreken op 18 januari 2017. Met WBV 2016/3 is de beslistermijn in iedere lopende asielprocedure - waarin op 11 februari 2016 de beslistermijn van zes maanden nog niet was verlopen - van rechtswege verlengd met negen maanden op grond van artikel 42, vierde lid en onder b, van de Vw 2000. Er is dus geen sprake van een niet tijdig genomen besluit.

3.3

Eiser voert - samengevat weergegeven - aan dat verweerder er ten onrechte van uitgaat dat de beslistermijn met WBV 2016/3 voor alle lopende asielaanvragen van rechtswege is verlengd. Verweerder had eiser per brief moeten informeren over het verlengen van de beslistermijn. Eiser wijst in dit kader op de toelichting bij WBV 2016/3.

3.4

Verweerder heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat uit de toelichting op WBV 2016/3, in het bijzonder de passage “Het besluit om de beslistermijn te verlengen (…) uit het beleid blijkt dat sprake is van dergelijke situatie” ondubbelzinnig volgt dat niet is bedoeld dat de verlenging per zaak kenbaar wordt gemaakt door een individuele brief aan de vreemdeling. De individueel bepaalde verlengingsmogelijkheden zijn zelfs uit de tekst van het beleid geschrapt. Voor alle nieuwe en lopende zaken geldt dat met de publicatie van de WBV de beslistermijn is verlengd. Daarmee is ook voldaan aan het gestelde in artikel 42, zevende lid, van de Vw 2000. De IND probeert de vreemdeling door een informerende brief op de hoogte te stellen van de datum waarop de verlenging eindigt. Die brief wordt echter onverplicht verzonden, omdat uit de wet voortvloeit dat zo’n mededeling alleen hoeft te worden gedaan als de vreemdeling erom verzoekt. Met de passage in de toelichting op de WBV die ziet op aanvragen die voor 11 februari 2016 zijn ingediend wordt nadrukkelijk niet bedoeld dat de categoriale verlenging voor die zaken niet zou gelden.

3.5

De rechtbank stelt vast dat in de toelichting bij WBV 2016/3 staat dat vreemdelingen die met ingang van 11 februari 2016 een asielaanvraag indienen, zullen worden geïnformeerd over de verwachte behandelduur van hun aanvraag. Voor de reeds ingediende aanvragen wordt de termijn van zes maanden als richtsnoer aangehouden die in het beleid vermeld werd op het moment dat die aanvragen werden ingediend. Het is wenselijk dat zoveel mogelijk wordt voorkomen dat de randvoorwaarden van de behandeling van de aanvraag wijzigen gedurende de behandeling daarvan. Dat neemt niet weg dat de werkvoorraden bij de IND zodanig zijn dat niet steeds binnen die termijn beslist zal kunnen worden. Indien er ondanks alle inspanningen niet beslist kan worden binnen zes maanden, zal de termijn van deze zaken tevens op grond van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, Vw 2000, worden verlengd.

3.6

Uit de toelichting op dit besluit volgt dat dit (in ieder geval) betrekking heeft op aanvragen die vanaf 11 februari 2016 zijn ingediend. Dat het besluit ook betrekking heeft op aanvragen die zijn ingediend vóór 11 februari 2016, zoals verweerder heeft betoogd, volgt de rechtbank niet. In de toelichting bij WBV 2016/3 staat immers dat voor reeds ingediende aanvragen de termijn van zes maanden als richtsnoer wordt aangehouden. Dit neemt niet weg dat als er ondanks alle inspanningen niet beslist kan worden binnen zes maanden, de termijn van deze zaken tevens op grond van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 zal worden verlengd. Uit de tekst van de toelichting volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de beslistermijn van deze categorie zaken met de WBV is verlengd. Uit de tekst blijkt dat verweerder voor aanvragen van vóór 11 februari 2016 aan de bevoegdheid tot verlenging invulling geeft door op individueel niveau te beoordelen of de termijn moet worden verlengd.

3.7

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen komt de rechtbank tot de conclusie dat de beslistermijn, die ten aanzien van de door eiser ingediende asielaanvraag gold, niet door middel van WBV 2016/3 (categoriaal) is verlengd. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder eiser dan ook, gelet op artikel 42, zevende lid van de Vw, artikel 3.120 Vb 2000 en Werkinstructie 2013/17, schriftelijk dienen te informeren over de verlenging van de beslistermijn.

3.8

Bij brief van 22 april 2016 heeft verweerder eiser meegedeeld dat de beslistermijn in zijn zaak is verlengd van maximaal zes maanden tot maximaal vijftien maanden. De termijn om op de aanvraag te beslissen is dan ook naar het oordeel van de rechtbank door verweerder niet rechtsgeldig verlengd. Verweerder heeft eiser immers niet voor het verstrijken van de beslistermijn bericht dat de termijn verlengd zal worden. Ter zitting is gebleken dat verweerder zich ook niet langer op het standpunt stelt dat de beslistermijn met deze brief rechtsgeldig is verlengd, omdat de beslistermijn niet na het verstrijken daarvan verlengd kan worden.

3.9

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de termijn om op de aanvraag van eiser te beslissen door verweerder niet rechtsgeldig verlengd. Verweerder had daarom - gelet op artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 - uiterlijk op 21 april 2016 moeten beslissen.

3.10

Verder constateert de rechtbank dat eiser verweerder bij brief van 26 april 2016 in gebreke heeft gesteld. De rechtbank stelt vast dat er rechtsgeldig in gebreke is gesteld. Nu de rechtbank op 17 mei 2016 een beroepschrift van eiser heeft ontvangen, is aan de vereisten van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb voldaan.

3.11.

Gelet op het voorgaande is het beroep van eiser gegrond.

4. De rechtbank zal, gezien het verzoek daartoe van eiser, de hoogte van de verbeurde dwangsom vaststellen. Eiser heeft verweerder per fax en post in gebreke gesteld op 26 april 2016. De termijn van twee weken waarbinnen verweerder nog geen dwangsom verschuldigd was (als bedoeld in artikel 4:17, derde lid, van de Awb) liep vanaf 27 april 2016 tot en met 10 mei 2016. Verweerder heeft op de asielaanvraag van eiser beslist op 15 juni 2016. Verweerder is dus 35 dagen in gebreke geweest om een besluit te nemen. Op grond van artikel 4:17, derde lid, van de Awb bedraagt de dwangsom voor de eerste veertien dagen € 280,- (14 x € 20,-), voor de daaropvolgende veertien dagen € 420,- (14 x € 30,-) en voor de laatste zeven dagen € 280,- (7 x € 40,-). De door verweerder verbeurde dwangsom bedraagt dus in totaal € 980,-.

5. Omdat verweerder inmiddels een besluit op de aanvraag bekend heeft gemaakt, zal de rechtbank niet op de voet van artikel 8:55d, eerste lid van de Awb, opdragen alsnog een besluit te nemen.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Met toepassing van de bijlage van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) onder C zal de wegingsfactor licht (0,25) worden gehanteerd. Het gaat hier immers uitsluitend om de vraag of de beslistermijn is overschreden waarbij geen beoordeling plaatsvindt van het materiële geschil. De rechtbank is verder van oordeel dat in de vijf ter zitting behandelde beroepen van de gemachtigde van eiser sprake is van soortgelijke zaken waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onder a, van het Bpb is verleend door dezelfde persoon van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek is. Op grond van artikel 3, tweede lid, van het Bpb moeten deze vijf samenhangende zaken als één zaak worden beschouwd. Er is evenwel sprake van meer dan vier samenhangende zaken zodat de wegingsfactor 1,5 bedraagt (C2 van de bijlage bij het Bpb). De rechtbank zal het toe te delen punt voor het indienen van het beroepschrift en voor de behandeling ter zitting gelijkelijk over de vijf zaken verdelen en stelt de proceskosten op grond van het Bpb aldus vast op € 74,40 (0,2 punt voor het indienen van het beroepschrift plus 0,2 punt voor het bijwonen van de zitting, maal 0,25 voor het gewicht van de zaak, maal 1,5 voor meer dan vier samenhangende zaken, maal € 496,-).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag gegrond;

- stelt vast dat verweerder als gevolg van het niet tijdig beslissen op de aanvraag een

dwangsom, als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb, heeft verbeurd van in totaal € 980,-;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 74,40.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.G. Schoots, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Teggelaar, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2016.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat.