Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:1101

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-02-2016
Datum publicatie
02-05-2016
Zaaknummer
SGR 15/6330
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat eiseres niet meer haar hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 15/6330

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 februari 2016 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. H.R.R. Bruggeman),

en

het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek (ISD), verweerder

(gemachtigde: mr. J.F.H. Molema).

Procesverloop

Bij besluit van 2 februari 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiseres over de periode van 1 november 2014 tot en met 31 december 2014 herzien (lees: ingetrokken) en een brutobedrag van € 2.313,81 van haar teruggevorderd.

Eiseres heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is in de uitspraak van 18 juni 2015 (zaaknummer SGR 15/3801) afgewezen.

Bij besluit van 14 juli 2015, verzonden op 16 juli 2015 (het bestreden besluit), heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2016. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Eiseres ontving een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande. Naar aanleiding van een melding van de bijstandsconsulente van eiseres, inhoudende dat de meerderjarige zoon van eiseres weer woont in de woning van eiseres aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: het uitkeringsadres), heeft verweerder een onderzoek naar het recht op bijstand van eiseres ingesteld.

1.2

Verweerder heeft in het kader van dit onderzoek op 3 november 2014 een huisbezoek afgelegd op het uitkeringsadres. Eiseres was op dat moment niet in de woning aanwezig. De zoon van eiseres was wel aanwezig en heeft verklaard dat eiseres enkele dagen bij een kennis in [plaats] verblijft. Op 1 december 2014 heeft eiseres tijdens een gesprek met haar bijstandsconsulent onder meer verklaard dat zij woonachtig is op het uitkeringsadres en dat zij af en toe bij de heer [ex-partner] (de vader van haar zoon, hierna: [ex-partner]) komt.

1.3

Naar aanleiding van dit gesprek heeft verweerder nader onderzoek verricht. Verweerder heeft onder meer op 1 en 2 december 2014 waarnemingen verricht. Uit de waarnemingen volgt dat eiseres de woning van [ex-partner] aan het [adres] te [plaats] met een sleutel is binnengegaan. Een medebewoner van het flatgebouw, waarin de woning van eiseres is gelegen, heeft verklaard dat in de woning van eiseres een oudere vrouw met haar zoon zou wonen. Ze zag de zoon regelmatig op het adres, maar de vrouw nooit. Een buurtbewoner van het [straat] heeft verklaard dat eiseres ongeveer een half jaar bij [ex-partner] woont. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in de rapportage van 4 februari 2015.

1.4

Op 28 januari 2015 is eiseres door verweerder verhoord. Eiseres heeft onder meer verklaard dat zij bijna elke dag bij haar ex‑partner ([ex-partner]) in [plaats] is. Hij is ziek en eiseres helpt hem met de dagelijkse gang van zaken. Zij is bijna elke dag bij hem. Vanaf november 2014 brengt zij het grootste deel van haar tijd in [plaats] door. Zij is de week voor het verhoor voor het laatst op het uitkeringsadres geweest.

1.5

Op 28 januari 2015 heeft verweerder een huisbezoek op het uitkeringsadres afgelegd. Tijdens dit huisbezoek zijn kledingstukken en post van eiseres aangetroffen. Vervolgens is een huisbezoek bij de woning aan het [adres] afgelegd. Eiseres opende de woning. In de woning werd nauwelijks kleding van eiseres aangetroffen. In de kamer die eiseres heeft aangewezen als de kamer waar zij verblijft, stond een beslapen bed en is medicatie van eiseres aangetroffen. Voorts lagen in de badkamer twee tandenborstels en een föhn.

2. Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiseres bij het primaire besluit, gehandhaafd bij het bestreden besluit, over de periode van 1 november 2014 tot en met 31 december 2014 herzien (lees: ingetrokken) en een bedrag van € 2.313,81 van haar teruggevorderd. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat eiseres haar hoofdverblijf niet meer heeft op het uitkeringsadres. Hij baseert zich hierbij op de onderzoeksbevindingen zoals neergelegd in het rapport van 4 februari 2015 en kent doorslaggevende betekenis toe aan de verklaringen van eiseres van 28 januari 2015. Door geen melding te maken van het verblijf bij [ex-partner] heeft eiseres haar inlichtingenverplichting geschonden, als gevolg waarvan het recht op bijstand ingetrokken moest worden.

3. Eiseres voert aan dat zij haar inlichtingenplicht niet heeft geschonden, omdat zij haar hoofdverblijf op het uitkeringsadres heeft behouden. Uit de onderzoeksbevindingen van verweerder blijkt dat haar persoonlijke eigendommen en post zich op het uitkeringsadres bevonden, terwijl er weinig kleding op het adres van [ex-partner] is aangetroffen. Bovendien is aan eiseres per juli 2015 opnieuw een bijstandsuitkering toegekend. Eiseres betoogt voorts dat onvoldoende is meegewogen dat zij mantelzorg voor [ex-partner] verleende.

Uit diverse verklaringen van familie en kennissen blijkt dat [ex-partner] dag en nacht verzorging nodig had. Tegen deze achtergrond is het verklaarbaar dat eiseres veelvuldig bij [ex-partner] verbleef en een sleutel van zijn woning had. Dat eiseres de intentie had om haar hoofdverblijf te verplaatsen, blijkt nergens uit. Eiseres stelt zich voorts op het standpunt dat verweerder en de voorzieningenrechter op zichzelf staande feiten en opmerkingen van eiseres onjuist hebben geïnterpreteerd. Eiseres heeft hier ter zitting aan toegevoegd dat haar verklaringen tijdens het verhoor verkeerd zijn vastgelegd. Eiseres betoogt tot slot dat de voorzieningenrechter in haar oordeel ten onrechte een verklaring van een anonieme getuige heeft betrokken. Dit is in strijd met artikel 6 van de Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, omdat eiseres deze getuige niet heeft kunnen ondervragen.

4.1

Met ingang van 1 januari 2015 is artikel I van de Invoeringswet Participatiewet (Pw) in werking getreden (Stb. 2014, 270). Daarbij is onder meer de Wet werk en bijstand (Wwb) gewijzigd en ondergebracht in de Pw. Sindsdien is de Pw de formele bevoegdheidsgrondslag voor het toekennen of intrekken van het recht op bijstand en voor het terugvorderen van bijstand. In dit beroep is het primaire besluit – en dus ook het bezwaarschrift – van ná 1 januari 2015, maar heeft het geheel betrekking op het recht op bijstand in een periode die vóór die datum ligt. Hoewel formeel gesproken ingevolge artikel 78z, vierde lid, van de Pw, de Pw op dit beroep van toepassing is, moet het bestreden besluit in zoverre worden getoetst aan de materiële bepalingen van de wetgeving zoals die luidde vóór 1 januari 2015, dus aan de bepalingen van de Wwb. De rechtbank baseert zich voor dit oordeel op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 20 juni 2006 (ECLI:NL:CRVB:2006:AX9529). Op de terugvordering is de Pw van toepassing omdat de vordering na inwerkingtreding van de Pw is ontstaan.

4.2

Artikel 17, eerste lid, van de Wwb bepaalt – voor zover hier van belang – dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

4.3

Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Wwb bestaat het recht op bijstand jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. De vraag waar iemand woonplaats heeft als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de Wwb, dient volgens vaste rechtspraak van de CRvB te worden beantwoord aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden van het geval (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 23 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4381).

4.4

Artikel 54, derde lid, van de Wwb bepaalt – voor zover hier van belang – dat het college een besluit tot toekenning van bijstand intrekt, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wwb heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

4.5

Op grond van artikel 58, eerste lid, van de Participatiewet vordert het college de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet. Ingevolge het achtste lid kan het college, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

5. Een besluit tot herziening en intrekking van een uitkering is een belastend besluit. Het is daarom aan verweerder om aannemelijk te maken dat eiseres de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat daardoor haar recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Indien verweerder zijn standpunt aannemelijk heeft gemaakt, is het aan eiseres om dit te ontkrachten.

6. Verweerder heeft de uitkering van eiseres bij het primaire besluit over de maanden november en december 2014 ingetrokken. Dat betekent dat de te beoordelen periode in dit geval van 1 november 2014 tot en met 31 december 2014 loopt. Dat eiseres na die periode weer voor een bijstandsuitkering in aanmerking kwam, is naar het oordeel van de rechtbank daarom niet relevant.

7.1

De rechtbank is van oordeel dat de onderzoeksbevindingen voldoende grondslag bieden voor het door verweerder ingenomen standpunt dat eiseres gedurende de periode in geding haar hoofdverblijf niet op het uitkeringsadres had. Hierbij acht de rechtbank doorslaggevend dat eiseres tijdens het verhoor op 28 januari 2015 heeft verklaard dat zij bijna elke dag bij [ex-partner] in [plaats] is en daar vanaf november 2014 het grootste deel van haar tijd doorbrengt. Tevens heeft eiseres tijdens het verhoor verklaard dat zij de week daarvoor voor het laatst op het uitkeringsadres is geweest. De rechtbank ziet – ook in de context bezien – geen aanleiding voor het oordeel dat deze verklaringen op andere wijze moeten worden uitgelegd.

7.2

De rechtbank is voorts van oordeel dat niet is gebleken dat de verklaringen van eiseres tijdens het verhoor op 28 januari 2015 onjuist zijn vastgelegd. De rechtbank overweegt daartoe dat volgens vaste rechtspraak van de CRvB (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 25 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:612) in het algemeen mag worden uitgegaan van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en ondertekende verklaring. De rechtbank acht verder van belang dat eiseres ter zitting heeft verklaard dat het verslag van het verhoor aan haar is voorgelezen en dat ze de verklaring vervolgens heeft ondertekend. Eventuele fouten in de verslaglegging hadden toen dus kunnen worden gecorrigeerd.

8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder reeds op grond van de verklaringen van eiseres terecht geconcludeerd dat eiseres haar hoofdverblijf gedurende de periode in geding niet heeft gehad op het uitkeringsadres. Dat eiseres niet de intentie had om haar hoofdverblijf te verplaatsen en slechts vaak in [plaats] was om [ex-partner] te verzorgen maakt niet dat geen sprake was van hoofdverblijf in zijn woning.

9. De rechtbank overweegt voorts dat de bevindingen van het huisbezoek in de woning van [ex-partner] het standpunt van verweerder dat eiseres daar haar hoofdverblijf hield ondersteunen. Tijdens dit huisbezoek werd namelijk geconstateerd dat eiseres een eigen kamer had, waarin een beslapen bed stond en medicatie en toiletspullen van eiseres zijn aangetroffen. Dat er weinig kleding en geen administratie van eiseres in deze woning is aangetroffen leidt niet tot een ander oordeel. De door eiseres in geding gebrachte verklaringen van familie en kennissen doen aan het voorgaande evenmin af, nu deze verklaringen vooral zien op de zorgrelatie tussen eiseres en [ex-partner] en geen onderbouwing geven voor de stelling van eiseres dat zij haar hoofdverblijf op het uitkeringsadres heeft behouden.

10. Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat eiseres in de periode in geding haar hoofdverblijf niet had op het uitkeringsadres. De rechtbank ziet geen aanleiding om de anonieme verklaringen van de twee buurtbewoners in de beoordeling te betrekken. Het betoog van eiseres over deze verklaringen behoeft daarom geen nadere bespreking.

11. Naar het oordeel van de rechtbank had het eiseres redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat haar verblijf in de woning aan het [adres] te [plaats] van invloed is op het recht op bijstand. Nu eiseres hiervan niet uit zichzelf melding heeft gemaakt bij verweerder, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres de inlichtingenverplichting van artikel 17 van de Wwb heeft geschonden. Verweerder was op grond van artikel 54, derde lid, van de Wwb, dan ook gehouden om de bijstand van eiseres over de periode van 1 november 2014 tot en met 31 december 2014 in te trekken. Daarmee is tevens voldaan aan de voorwaarden voor terugvordering op grond van artikel 58, eerste lid, van de Pw van de ten onrechte verleende bijstand. Van dringende redenen om van terugvordering af te zien is de rechtbank niet gebleken.

12. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.X. Cozijn, rechter, in aanwezigheid van mr. J.V. Veldwijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.