Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:10985

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-08-2016
Datum publicatie
13-09-2016
Zaaknummer
AWB - 15_16440 e.a.
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2017:2299, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het betreft hier de beroepen tegen de handhaving van de afwijzing van aanvragen van een familie van 4 Soedanese vreemdelingen om een verblijfsvergunning op grond van het kinderpardon respectievelijk om een verblijfsvergunning onder de beperking “conform beschikking staatssecretaris” en onder de beperking “uitoefening van gezinsleven in het kader van artikel 8 van het EVRM”.

Het gaat om twee ouders en twee kinderen (geboren in 1993 en 1996) die sinds begin 2001 onafgebroken in Nederland hebben verbleven. De oudste dochter respectievelijk zus zat met eisers in bovengenoemde procedure, totdat verweerder haar en haar in Nederland geboren minderjarige kinderen, hangende de bezwaarprocedure, een verblijfsvergunning met als doel ‘uitoefening van familie- en gezinsleven met haar echtgenoot’ heeft verleend.

De rechtbank heeft geoordeeld dat met de door verweerder gemaakte afweging en de motivering daarvan geen fair balance is gevonden tussen enerzijds het belang van eisers bij uitoefening van hun privéleven en de belangen van zowel eisers als de oudste dochter/zus en haar kinderen bij uitoefening van het familieleven hier te lande en anderzijds het algemeen belang bij de Nederlandse samenleving. Daarbij heeft de rechtbank in ogenschouw genomen dat

- de kinderen langdurig in Nederland hebben verbleven;

- de kinderen met Nederland intensieve en met hun land van herkomst geen dan wel zeer beperkte banden hebben;

- sprake is van een intensief familie- en gezinsleven met een grote mate van emotionele verbondenheid tussen eisers, de oudste dochter/zus en haar kinderen;

- tegen eisers nooit verwijderingsmaatregelen zijn genomen;

- niet in de belangenafweging is betrokken dat het hele gezin bij terugkeer naar Soedan een “degree of hardship” zal ondervinden;

- de medische klachten van de moeder in het voordeel van eisers moeten worden meegewogen, zeker, gelet op de sterke emotionele verbondenheid tussen de moeder, de overige eisers, de oudste dochter/zus en haar minderjarige kinderen.

Beroepen gegrond, vernietiging bestreden besluiten en opdracht nemen nieuwe besluiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 15/16440, 15/23063, 15/23065, 15/23067 en 15/23069, tezamen AWB 15/16440 e.a. (beroepen)

AWB 15/16445, 15/23064, 15/23066, 15/23068 en 15/2307
tezamen AWB 15/16445 e.a. (voorlopige voorzieningen)

V-nrs: [volgnummers]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 24 augustus 2016 in de zaken tussen

[dochter] ,

geboren op [geboortedatum] 1993, hoofdpersoon 1 en eiseres 1,

[zoon] ,

geboren op [geboortedatum] 1996, hoofdpersoon 2 en eiser 1,

[de man] ,

geboren op [geboortedatum] 1955, vader en eiser 2, en

[de vrouw] ,

geboren op [geboortedatum] 1970, moeder en eiseres 2,

allen van Soedanese nationaliteit, tezamen eisers en verzoekers, hierna te noemen: eisers,

(gemachtigde: mr. A.C. de Klerk),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. N.A.P. Trommelen).

Procesverloop

Bij besluiten van 30 juli 2013 (primaire besluiten I) heeft verweerder de aanvragen van eisers van 11 april 2013 tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “overgangsregeling langdurig verblijvende kinderen” (Regeling) afgewezen. Bij besluit van 1 september 2015 (bestreden besluit I) heeft verweerder de tegen deze besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Op 7 september 2015 heeft de rechtbank het beroepschrift van eisers tegen het bestreden besluit I ontvangen. Dit beroep is geregistreerd als AWB 15/16440. Bij brief van dezelfde datum is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist. Dit verzoek is geregistreerd als AWB 15/16445.

Bij besluiten van 7 november 2012 (primaire besluiten II) heeft verweerder de aanvragen van eisers 1 van 15 augustus 2012 tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “conform beschikking staatssecretaris” afgewezen. Verweerder heeft bij die besluiten eisers 1 tevens opdragen de Europese Unie (EU) onmiddellijk te verlaten en tegen eiseres 1 een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd.

Bij besluiten van 7 november 2012 (primaire besluiten III) heeft verweerder de aanvragen van eisers 2 van 15 augustus 2012 tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “uitoefening van gezinsleven in het kader van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)” afgewezen. Verweerder heeft bij die besluiten eisers 2 tevens opdragen de EU onmiddellijk te verlaten en tegen hen een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd. De daartegen gemaakte bezwaren zijn bij besluiten van 29 december 2015 (bestreden besluiten II) ongegrond verklaard.

Op 29 december 2015 heeft de rechtbank de beroepschriften van eisers tegen de bestreden besluiten II ontvangen. Deze beroepen zijn geregistreerd onder nummers AWB 15/23063, 15/23065, 15/23067 en 15/23069. Bij brieven van dezelfde datum is verzocht voorlopige voorzieningen te treffen die ertoe strekken de uitzetting te verbieden totdat op de beroepen is beslist. Deze verzoeken zijn geregistreerd als AWB 15/23064, 15/23066, 15/23068, 15/23070.

Het onderzoek ter zitting in alle zaken heeft plaatsgevonden op 19 april 2016, waar eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Ten aanzien van alle beroepen en verzoeken om voorlopige voorziening

1. Eisers hebben verzocht om vrijstelling van het griffierecht wegens betalingsonmacht. De rechtbank acht aannemelijk dat de door hen gegenereerde inkomsten beneden de norm, namelijk 90% van de bijstandsnorm ligt. De rechtbank ziet daarom, en in aanmerking genomen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 februari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:283), aanleiding om het verzoek om vrijstelling van het griffierecht toe te wijzen.

Ten aanzien van het beroep, geregistreerd als AWB 15/16440

2.1

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.2

Eisers 2 hebben op 8 mei 2001, mede ten behoeve van eisers 1, een asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 17 januari 2002 heeft, de rechtsvoorganger van, verweerder die aanvragen afgewezen. Dit besluit staat in rechte vast. Op 12 april 2003 hebben eisers 2, mede ten behoeve van eisers 1 een tweede asielaanvraag ingediend. Bij besluiten van 14 april 2003 heeft verweerder deze aanvragen afgewezen. Ook deze besluiten staan in rechte vast. Op 14 juni 2005 hebben eisers 2, mede ten behoeve van eisers 1, een derde asielaanvraag ingediend. Bij besluiten van 20 juni 2005 heeft verweerder ook deze aanvragen afgewezen. Bij uitspraak van 12 juli 2005 (AWB 05/27851, 05/27852, 05/27855 en 05/27856) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, de daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, deze besluiten van 20 juni 2005 vernietigd en verweerder opgedragen opnieuw op de aanvragen te beslissen. Bij uitspraak van 25 augustus 2005 (ECLI:NL:RVS:2005:AU1860) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) de uitspraak van de voorzieningenrechter vernietigd en de beroepen van eisers ongegrond verklaard.

2.3

Eisers hebben op 20 februari 2006 een klacht ingediend bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) op de grond dat hen bij terugkeer naar Soedan een behandeling te wachten staat die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Het EHRM heeft de klacht in behandeling genomen, maar daarop ten tijde van de sluiting van het onderzoek ter zitting nog geen arrest gewezen.

2.4

Bij uitspraak van 15 januari 2013 (AWB 12/35264, 12/35265, 12/35268, 12/35269) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats de hangende de bezwaren tegen de primaire besluiten II en III ingestelde verzoeken om voorlopige voorziening toegewezen, de primaire besluiten II en III geschorst en verweerder verboden eisers uit te zetten totdat op de bezwaren tegen die besluiten is beslist. Bij de bestreden besluiten II heeft verweerder deze bezwaren ongegrond verklaard.

2.5

Bij brief van 24 september 2014 aan de burgemeester van de gemeente Amsterdam heeft verweerder het verzoek van de burgemeester om met betrekking tot eisers over te gaan tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘conform beschikking staatssecretaris’ afgewezen. Bij besluit van 3 februari 2015 heeft verweerder het daartegen door eisers gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 1 september 2015 (AWB 15/3352) heeft deze rechtbank en zittingsplaats het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de besluiten op bezwaar vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

2.6

Bij besluit van 10 februari 2014 heeft verweerder het tegen de primaire besluiten I gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 12 augustus 2014 (AWB 14/4495 en 14/4497) heeft deze rechtbank en zittingsplaats het daartegen door eisers ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 10 februari 2014 vernietigd en bepaald dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar met inachtneming van de uitspraak neemt. Bij uitspraak van 22 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2431) heeft de Afdeling het daartegen ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, maar de aangevallen uitspraak van de rechtbank in stand gelaten. Bij de bestreden besluiten I heeft verweerder de bezwaren opnieuw ongegrond verklaard.

2.7

Bij besluit van 1 september 2015 heeft verweerder aan de oudste dochter van eisers 2, [naam dochter] , geboren op [geboortedatum] 1991, en haar in Nederland geboren minderjarige kinderen [kleinkind 1] , geboren op [geboortedatum] 2011, en [kleinkind 2] , geboren op [geboortedatum] 2013, een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘uitoefening van familie- en gezinsleven met haar echtgenoot
[naam] ’ verleend.

3.1

Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 worden afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd.

3.2

Op grond van artikel 3.71, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 wordt de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv.
Op grond van het tweede lid, aanhef en onder l, wordt een vreemdeling van wie uitzetting in strijd met artikel 8 van het EVRM zou zijn, vrijgesteld van het mvv-vereiste.
Op grond van het derde lid kan verweerder het eerste lid buiten toepassing laten, voorzover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

3.3

Eisers hebben aanvragen ingediend om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in het kader van de Regeling, ten tijde van de aanvragen neergelegd in paragraaf B22/3 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000.

3.4

Volgens paragraaf B22/3.1 van de Vc 2000, zoals luidend ten tijde van de aanvragen en voor zover hier van belang, verleent verweerder een verblijfsvergunning aan een vreemdeling die zich gedurende de periode van verblijf in Nederland niet langer dan een aaneengesloten periode van drie maanden heeft onttrokken aan het toezicht van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V), het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa), de Vreemdelingenpolitie (in het kader van de meldplicht) of, in het geval van alleenstaande minderjarige vreemdelingen, voogdijinstelling Nidos.

3.5

Volgens dezelfde paragraaf neemt verweerder aan dat sprake is van niet langdurig onttrekken aan het toezicht indien de desbetreffende vreemdeling en zijn eventuele gezinsleden sinds 27 juli 2010 bekend zijn bij de hiervoor genoemde instanties en niet langer dan een aaneengesloten periode van maximaal drie maanden uit beeld zijn geweest.

3.6

Volgens paragraaf B22/3.3 van de Vc 2000 wordt de groep vreemdelingen die voldoet aan de voorwaarden van de regeling aangemerkt als bijzondere groep aan wie vrijstelling van het mvv-vereiste wordt verleend in het kader van de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 3.71, derde lid, van het Vb 2000. Voorts bepaalt die paragraaf dat indien de vreemdeling niet voldoet aan de voorwaarden van de regeling en ook overigens niet is gebleken van omstandigheden als neergelegd in paragraaf B1/4.1 de IND de aanvraag afwijst wegens het ontbreken van een mvv.

4. Verweerder heeft de aanvragen afgewezen, omdat eisers niet in het bezit zijn van een geldige mvv en zij niet behoren tot één van de categorieën vreemdelingen die vrijgesteld zijn van de verplichting over een mvv te beschikken. Verweerder heeft eisers tegengeworpen dat zij niet voldoen aan het vereiste dat zij zich sinds 27 juli 2010 niet langer dan een aaneengesloten periode van drie maanden hebben onttrokken aan voornoemd toezicht (het toezichtvereiste). Verweerder heeft evenmin grond aanwezig geacht eisers op grond van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, van het Vb 2000, gelezen in samenhang met artikel 8 van het EVRM van het mvv-vereiste vrij te stellen. Volgens verweerder zijn de bestreden besluiten niet in strijd met de in artikel 8 van het EVRM vervatte bescherming van het recht op gezins-, familie- en privéleven. Voorts heeft verweerder geen bijzondere omstandigheden aanwezig geacht om te oordelen dat toepassing van het mvv-vereiste leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard als bedoeld in artikel 3.71, derde lid, van het Vb 2000.

5.1

Eisers hebben op de zitting het standpunt van verweerder dat zij niet voldoen aan het in de Regeling neergelegde toezichtvereiste bestreden. Zij voeren aan dat zij ervan uit mochten gaan dat zij door hun bij het EHRM ingediende klacht bij de IND in beeld waren. Er is geen interim measure getroffen, omdat verweerder geen uitzettingshandelingen ten aanzien van eisers heeft verricht. Zij bestrijden het standpunt van verweerder dat zij zich hebben onttrokken aan het toezicht. Zij hebben in 2005 verklaringen van de ambassade overgelegd, waaruit blijkt dat zij uit Soedan komen. Verweerder heeft daarna geen uitzettingshandelingen verricht. Verweerder heeft een korte periode van anderhalf jaar tegengeworpen dat eisers niet in beeld zouden zijn. Zij hadden in die periode, behalve de procedure bij het EHRM, geen lopende procedures. Dit wil echter niet zeggen dat zij niet in beeld waren. Dat zij niet proactief contact met de in de Regeling genoemde vijf instanties hebben onderhouden, betekent niet dat die instanties niet wisten waar eisers waren. De kinderen zaten in die periode immers op school.

5.2

De Afdeling heeft in voornoemde uitspraak van 22 juli 2015, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:
“Ter zitting van de Afdeling heeft de staatssecretaris ter toelichting van zijn standpunt opgemerkt dat hij weliswaar aanneemt dat een vreemdeling in beeld is bij de IND gedurende diens verblijfsprocedure, maar dat het indienen van een verzoekschrift bij het EHRM geen voortzetting is van die procedure. Een procedure bij het EHRM draagt niet het karakter van een appelprocedure, aldus de staatssecretaris. Volgens de staatssecretaris wordt een vreemdeling dan ook niet geacht in beeld te zijn bij de IND omdat hij een verzoekschrift heeft ingediend bij het EHRM. Dit is slechts anders indien de president van het EHRM een interim measure heeft getroffen. In dat geval heeft een vreemdeling rechtmatig verblijf, hetgeen ook in de vreemdelingenadministratie wordt geregistreerd, aldus de staatssecretaris. Voorts heeft de staatssecretaris erop gewezen dat de Staat slechts van een verhoudingsgewijs gering aantal van de bij het EHRM aanhangig gemaakte verzoeken op de hoogte wordt gebracht en dat met het behandelen van een verzoek door het EHRM zeer veel tijd gemoeid kan zijn.

(…) De staatssecretaris heeft zich gelet op het voorgaande en mede in het licht van de grote mate van beleidsvrijheid die hij heeft bij het vaststellen van de vereisten voor vergunningverlening op grond van de Regeling, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de enkele omstandigheid dat de vreemdelingen een verzoekschrift bij het EHRM hebben ingediend, niet betekent dat zij, zolang nog niet op dat verzoek is beslist, zich niet hebben onttrokken aan het toezicht bedoeld in de Regeling.
(…)”

5.3

De rechtbank leidt uit de uitspraak van de Afdeling af dat de enkele omstandigheid dat eisers een verzoekschrift bij het EHRM hebben ingediend, niet betekent dat zij, zolang nog niet op dat verzoek is beslist, zich niet hebben onttrokken aan het toezicht bedoeld in de Regeling. Anders dan verweerder ter zitting heeft aangevoerd, heeft de Afdeling hiermee geen finaal oordeel gegeven over de rechtmatigheid van de tegenwerping van het toezichtvereiste door verweerder. Ter beoordeling staat daarom hier of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eisers niet voldoen aan het toezichtvereiste.

5.4

Verweerder heeft aan de afwijzing van de aanvragen van 11 april 2013 ten grondslag gelegd dat eisers 1 van 4 november 2010 tot 17 januari 2012 niet in beeld zijn geweest bij de hiervoor in 3.4 genoemde instanties en dat daardoor niet is voldaan aan het in de Regeling gestelde toezichtvereiste, inhoudend dat de hoofdpersoon of één van de gezinsleden na 27 juli 2010 niet langer dan een aaneengesloten periode van drie maanden buiten beeld is bij voornoemde instanties.

5.5

Niet in geschil is dat eisers van 4 november 2010 tot 17 januari 2012 geen contact hebben opgenomen met één van de in de Regeling genoemde instanties. De omstandigheid dat de kinderen in deze periode op school zaten, maakt dit niet anders, omdat zij daarmee niet bij (één van de) genoemde instanties in beeld waren. De rechtbank is daarom, onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Afdeling, waaronder de uitspraak van 8 maart 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:743), van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eisers niet voldoen aan het toezichtvereiste.

Ten aanzien van alle beroepen

6.1

Eisers voeren aan dat de bestreden besluiten in strijd zijn met artikel 8 van het EVRM. Zij zijn op 28 april 2001 als gezin met drie kinderen Nederland binnengekomen, hebben op veel verschillende plaatsen moeten verblijven en zijn telkens samen opgetrokken. Die perioden waren moeilijk en stressvol voor eisers. Sinds de eveneens in Nederland verblijvende oudste dochter van eisers 2, [naam dochter] , in 2009 een relatie kreeg met haar echtgenoot [naam] en hij een woning (onder)huurde, verblijven eisers steeds bij hen. Zij delen alles met elkaar, zorgen voor elkaar en voor de twee kinderen van [naam dochter] en [naam] . [naam] heeft geen ouders meer. Door de verlening van een verblijfsvergunning aan [naam dochter] en haar kinderen dreigen deze gezinsleden, waaronder de twee kinderen van [naam dochter] , van eisers te worden gescheiden. Door het gezamenlijk verleden en de ziekte van de ouders is tussen de ouders en alle kinderen sprake van ‘more than normal emotional ties’.
Daarnaast doen zich uitzonderlijke omstandigheden voor op grond waarvan in weerwil van tijdens illegaal verblijf opgebouwde banden moet worden overgegaan tot verblijfsaanvaarding van eisers. Uit de IND‑werkinstructie 2015/4 van 9 oktober 2015 (werkinstructie) blijkt dat het nadrukkelijk niet de bedoeling is om pas na een verblijfsduur van 30 jaar aan te nemen dat een vreemdeling privéleven heeft opgebouwd. De verlening van de verblijfsvergunning aan [naam dochter] en haar kinderen is van evident belang voor de banden van eisers met Nederland. In verband met hun jeugdige leeftijd bij binnenkomst, zeven respectievelijk vier jaar, en hun verblijfsduur sindsdien in Nederland hebben eisers 1 hier recht op bescherming van hun privéleven. Zij hebben vrienden en bekenden die zij via school, stages of anderszins hebben leren kennen, die hen hebben geholpen en opgevangen met kleding, geld, stageplaatsen en huisvesting. Door het vrijwilligerswerk en de schoolgang van eiseres 1, de schoolgang van eiser 1 en de perspectieven die zij in Nederland hebben, zijn hun banden met Nederland sterker dan normaal. Eisers 1 zijn in Nederland opgegroeid en hebben hier hun identiteit gevormd.Van belang is dat zij niet alleen hun vormende jaren in Nederland hebben doorgebracht, maar ook geen sociale en culturele banden met het land van herkomst hebben. Ondanks dat eisers Nederland hadden moeten verlaten, heeft verweerder tegen hen geen verwijderingsmaatregelen genomen. Dit kan verweerder worden aangerekend. Eisers verwijzen in dit verband naar het arrest van het EHRM, Butt tegen Noorwegen, van 4 december 2012 (nr. 47017/09, www.echr.coe.int). Omdat eisers 1 bij binnenkomst in Nederland zeven respectievelijk vier jaar waren en hun illegaliteit lange tijd niet konden beseffen, waren zij niet gedurende hun gehele verblijf in Nederland bekend met de onrechtmatigheid van hun verblijf. Verweerder rekent het gedrag van hun ouders ten onrechte aan eisers 1 toe. Uit het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 25 juli 2015 over Soedan blijkt dat genitale verminking bij vrouwen in Soedan nog altijd op grote schaal wordt uitgevoerd. De door eisers bij het EHRM ingediende klacht in verband met de vrees voor vrouwenbesnijdenis bij uitzetting naar Soedan en daarmee voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM heeft nog niet tot een beslissing geleid. Door het risico dat eiseres 1 in Soedan loopt te worden besneden, kan zij zich niet in Soedan staande houden. Zij spreekt Arabisch maar niet op het niveau van haar leeftijdsgenoten in Soedan en haar vernederlandste levensstijl druist in tegen de levensstijl aldaar. Ook eiser 1 spreekt Arabisch, maar enige kennis van de Arabische taal bij eiser 1 brengt geen band met een land mee. Het door verweerder gehanteerde beleid dat sprake moet zijn van onoverkomelijke of bijzondere obstakels is sinds het arrest van het EHRM in de zaak Jeunesse van 3 oktober 2014 (nr. 12738/10, www.echr.coe.int) controversieel. In dit arrest is het criterium of sprake is van ‘a certain degree of hardship’. Eisers 1 hebben het grootste deel van hun leven en het overgrote deel van hun minderjarigheid in Nederland doorgebracht en in Soedan is geen sociaal vangnet. Dat zij samen met hun ouders zullen terugkeren naar Soedan is een onzekere toekomstige gebeurtenis, waar verweerder, gelet op de precaire gezondheidstoestand van beide ouders, niet vanuit kan gaan. Verweerder had over de gezondheidstoestand van eiseres 2 opnieuw advies bij het Bureau Medische Advisering (BMA) moeten opvragen, omdat het eerdere BMA-advies dateert uit 2012 en daarin is vermeld dat een medische noodsituatie op langere termijn niet valt uit te sluiten. Het is onmogelijk om vanuit Soedan banden te onderhouden met [naam dochter] en haar gezin. Ook is onzeker of verweerder in zal stemmen met vakanties van eisers in Nederland wegens de tegenwerping van vestigingsgevaar. Ten slotte heeft verweerder geen zwaarwegende belangen in de belangenafweging, omdat eisers geen criminele antecedenten hebben.

6.2

Uit de jurisprudentie van het EHRM - onder meer de arresten Rodrigues da Silva en Hoogkamer tegen Nederland van 31 januari 2006, nr. 50435/99, Osman tegen Denemarken van 14 juni 2011, nr. 38058/09, Nunez tegen Noorwegen van 28 juni 2011, nr. 55597/09, en het arrest Butt - en de jurisprudentie van de Afdeling - bijvoorbeeld de uitspraak van 2 mei 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1286) - volgt dat bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op eerbiediging van het privéleven onderscheidenlijk het familie- en gezinsleven een 'fair balance' moet worden gevonden tussen het belang van de betrokken vreemdeling en diens familie enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Daarbij moeten alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken.

6.3

Uit het arrest Butt kan voorts worden afgeleid dat zwaarwegende redenen van migratiebeleid in beginsel aanleiding zijn het gedrag van de ouders van een vreemdeling aan de desbetreffende vreemdeling toe te rekenen, in verband met het risico dat ouders gebruikmaken van de positie van hun kinderen om een verblijfsrecht te verkrijgen. Daarnaast kan uit het arrest Butt worden afgeleid dat indien de desbetreffende vreemdeling dan wel diens ouders konden - althans hadden moeten - weten dat het verblijfsrecht van die vreemdeling onzeker was, slechts onder bijzondere omstandigheden reden bestaat voor de conclusie dat op grond van artikel 8 van het EVRM een verplichting bestaat tot het laten voortzetten van het privéleven onderscheidenlijk familie- en gezinsleven. De rechtbank is evenwel van oordeel dat dergelijke bijzondere omstandigheden zich hier voordoen. Zij overweegt in dit verband als volgt.

6.4

Eiser 1 was ten tijde van binnenkomst in Nederland vier en ten tijde van de bestreden besluiten achttien respectievelijk negentien jaar oud. Eiseres 1 was ten tijde van binnenkomst in Nederland zeven jaar oud en ten tijde van de bestreden besluiten 21 respectievelijk 22 jaar oud. Eisers 1 zijn in de tussenliggende periode van ruim veertien jaar niet naar Soedan teruggekeerd, zodat mag worden aangenomen dat zij, ook al beheersen zij in beperkte mate de Arabische taal, geen dan wel zeer beperkte banden hebben met dit land. Zij hebben een groot deel van hun jeugd dan wel gehele jeugd en vormende jaren in Nederland gewoond, hier hun nagenoeg gehele (middelbare) schooltijd doorgebracht, hier een vrienden- en kennissennetwerk opgebouwd, en eiseres 1 heeft bovendien vrijwilligerswerk, bestaande uit het geven van voorlichting over vrouwenbesnijdenis, verricht. Voor de beoordeling van de banden van de vreemdeling met zowel Nederland als zijn land van herkomst is, zoals eveneens volgt uit de werkinstructie, van belang dat eisers 1, zoals ook ter zitting bij de rechtbank is gebleken, de Nederlandse taal zeer goed beheersen, en, zoals verweerder niet heeft bestreden, de Arabische taal in beperktere mate. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder al deze omstandigheden onvoldoende in ogenschouw genomen.

6.5

Daarnaast acht de rechtbank van belang dat eisers Nederland tezamen met [naam dochter] zijn binnengereisd en tezamen met [naam dochter] , tot de verlening van voornoemde verblijfsvergunning aan haar, de hier aan de orde zijnde procedures hebben gevoerd. Niet in geschil is dat eisers allen al geruime tijd woonachtig zijn in de woning van het gezin van [naam] en [naam dochter] , dat eisers en [naam dochter] vanaf hun inreis in Nederland intensief met elkaar zijn opgetrokken, dat zij de zorg dragen voor elkaar, en ook voor de minderjarige kinderen van [naam dochter] . Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee sprake van een intensief familie- en gezinsleven met een grote mate van emotionele verbondenheid tussen eisers, [naam dochter] , [naam] en hun twee minderjarige kinderen. Verweerder heeft ook deze omstandigheden onvoldoende in de besluitvorming betrokken.

6.6

Hoewel enerzijds geldt dat eisers niet zelfstandig aan hun vertrekplicht hebben voldaan, acht de rechtbank ook van belang dat verweerder ten aanzien van eisers, ondanks dat zij ten tijde van de bestreden besluiten ruim veertien jaar in Nederland verbleven, nooit verwijderingsmaatregelen tegen eisers heeft genomen. Gesteld noch gebleken is dat dat niet mogelijk was geweest. Aldus heeft verweerder niet voorkomen dat eisers hun familie-, gezins- en privéleven in Nederland konden intensiveren, hetgeen verweerder niet in de bestreden besluiten heeft meegewogen.

6.7

Zoals volgt uit het arrest Jeunesse van het EHRM moet in de belangenafweging worden betrokken of valt te verwachten dat het hele gezin bij terugkeer naar Soedan een “degree of hardship” zal ondervinden. De door verweerder in de bestreden besluiten toegepaste beoordeling of voor eisers ‘onoverkomelijke of bijzondere obstakels’ bestaan zich in Soedan te vestigen, volstaat hierbij niet. Voorts betrekt de rechtbank in haar beoordeling dat ook de medische klachten van eiseres 2 een rol spelen bij de beoordeling of sprake is van strijd met artikel 8 van het EVRM. Uit het arrest van het EHRM van 10 november 2005 in de zaak Paramsothy tegen Nederland (nr. 14492/03) volgt dat ook als de ernst van de te verwachten gezondheidsproblemen niet voldoet aan de maatstaf van artikel 3 van het EVRM, de nadelige gevolgen van terugkeer wel dienen te worden betrokken bij de afweging in het kader van artikel 8 van het EVRM, indien de te verwachten medische problemen dermate ernstig zijn dat deze in de weg staan aan het in stand houden en ontwikkelen van privéleven in de zin van die bepaling.

6.8

Uit het over de gezondheidstoestand van eiseres 2 opgestelde BMA-advies kan worden afgeleid dat bij eiseres sprake is hypertensie, dat aannemelijk is dat de tensie zal stijgen en dat een medische noodsituatie op lange termijn niet valt uit te sluiten. Uit de opgestelde medische verklaring van 16 november 2015 blijkt dat eiseres 2 deze klachten nog steeds heeft en dat zij onder behandeling bij de huisarts is. Weliswaar is in het BMA-advies ook vastgesteld dat het uitblijven van een behandeling niet zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn, maar de vastgestelde medische klachten bij eiseres 2 moeten in het kader van artikel 8 van het EVRM wel in het voordeel van eisers worden meegewogen, zeker gelet op de, hiervoor in 6.5 reeds vastgestelde, sterke emotionele verbondenheid tussen eiseres 2, de overige eisers, [naam dochter] en haar minderjarige kinderen. Daarnaast is het thans volstrekt onduidelijk of en zo ja, op welke wijze eisers na een vertrek naar Soedan in staat zullen zijn contacten te onderhouden met [naam dochter] en haar gezin en of zij in staat zullen zijn [naam dochter] en haar gezin in Nederland te bezoeken. In het licht van de hiervoor door de rechtbank geoordeelde emotionele verbondenheid tussen deze gezinsleden acht de rechtbank dit wel noodzakelijk. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich hiervan in de bestreden besluiten evenmin voldoende rekenschap gegeven.

6.9

De rechtbank is van oordeel dat in het licht van de hiervoor genoemde omstandigheden in samenhang bezien en enigszins terughoudend toetsend met de door verweerder gemaakte afweging en de motivering daarvan geen fair balance is gevonden tussen enerzijds het belang van eisers bij uitoefening van hun privéleven en de belangen van zowel eisers als [naam dochter] en haar kinderen bij uitoefening van het familieleven hier te lande en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse samenleving.

6.10

Daaruit volgt dat niet kan worden volgehouden dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de afwijzing van de aanvragen en het aan eiseres 1 en eisers 2 uitgevaardigde inreisverbod niet in strijd zijn met artikel 8 van het EVRM.

7. Dit betekent dat de bestreden besluiten zijn genomen in strijd met de artikelen 8 van het EVRM en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. De beroepen zijn gegrond en de rechtbank vernietigt de bestreden besluiten. Verweerder zal daarom nieuwe besluiten moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

Ten aanzien van de verzoeken om een voorlopige voorziening

8. De gevraagde voorzieningen strekken er toe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op de beroepen. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist.

Ten aanzien van de beroepen en de verzoeken om een voorlopige voorziening

9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.480,-- (1 punt voor het indienen van de beroepschriften, 1 punt voor het indienen van de verzoekschriften, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496,--, en een wegingsfactor 1). De rechtbank merkt de beroepen, geregistreerd als AWB 15/16440 en 15/23063 tot en met 15/23069, en de verzoeken, geregistreerd als AWB 15/16445 en 15/23064 tot en met 15/23070, aan als samenhangende zaken in de zin van artikel 3, eerste lid, van het Besluit proceskosten Bestuursrecht. Indien aan eisers een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandsverlener.

Beslissing

De rechtbank,

in de zaken geregistreerd onder nummers: AWB 15/16440, 15/23063, 15/23065, 15/23067 en 15/23069,

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.

De voorzieningenrechter,

in de zaken geregistreerd onder nummer: AWB 15/16445, 15/23064, 15/23066, 15/23068 en 15/23070,

- wijst de verzoeken af.

De rechtbank/voorzieningenrechter,

in alle zaken,

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 2.480,-- (zegge: tweeduizendvierhonderdtachtig euro).

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van Putten, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F.S. Zwerwer, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2016.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: FZ

D: B

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.