Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:10977

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-08-2016
Datum publicatie
12-09-2016
Zaaknummer
AMS 16/121
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft een onjuiste toepassing gegeven aan zijn beleid, althans het verkeerde onderdeel van het ter zake geldende beleid toegepast. In de Vc 2000 is opgenomen dat verweerder in ieder geval familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM aanneemt tussen ouders en hun uit een niet-huwelijkse relatie geboren kinderen. Aangezien verweerder op zichzelf niet twijfelt aan de relatie tussen eiser en referente, betekent dit dat verweerder in dit geval had moeten uitgaan van het bestaan van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM tussen eiser en zijn uit die relatie geboren zoon. Dit is ook in overeenstemming met de jurisprudentie van het EHRM.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voorts bij de verrichtte belangenafweging de positie van het andere kind van referente in ieder geval onvoldoende betrokken. Uit het bestreden besluit en de daarop gegeven toelichting blijkt niet dat verweerder zich voldoende rekenschap heeft gegeven van het familie- of gezinsleven dat dit kind van referente naar gesteld heeft met eiser en referente, maar ook met zijn biologische vader en zijn grootmoeder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/121

V-nr: [volgnummer]

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 18 augustus 2016 in de zaak tussen

[de man] ,

geboren op [geboortedatum] 1984, van gestelde Burundese nationaliteit, eiser

(gemachtigde mr. J. van Koesveld),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde mr. A.H. Noorderloos).

Procesverloop

Bij besluit van 16 februari 2015 (primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 18 november 2014 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 onder de beperking “verblijf als familie- of gezinslid” afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 7 december 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Op 4 januari 2016 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser tegen dit besluit ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. J. Werner, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig de partner van eiser. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat in dit geding uit van het volgende. Bij besluit van 30 september 2014 heeft verweerder aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar. Het daartegen ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 3 december 2014 ongegrond verklaard (AWB 14/23791). Het hoger beroep van eiser is bij uitspraak van 17 februari 2015 kennelijk ongegrond verklaard door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling, nr. 201410654/1). Hiermee is het inreisverbod onherroepelijk geworden.

De huidige aanvraag van eiser ziet op verblijf bij zijn partner, [de vrouw] (referente), met wie hij naar gesteld sinds 2010 een relatie heeft. Zij hebben samen een kind, [naam kind 1] , en referente heeft nog een kind uit een eerdere relatie, [naam kind 2] . Referente en de kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit.

2. Eiser heeft op 11 februari 2016 verzocht om vrijstelling van het griffierecht. Hij heeft voorts een ‘Verklaring afwezigheid van vermogen’ overgelegd van 19 februari 2016 en bankafschriften van zijn partner. De rechtbank overweegt dat een ‘Verklaring afwezigheid vermogen’ voldoende is om een verzoek om vrijstelling van het griffierecht te honoreren als het de vreemdeling wegens het ontbreken van een geldige verblijfsstatus niet is toegestaan in Nederland te werken of als en om die reden hij geen recht heeft op een socialezekerheidsuitkering (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3650). De rechtbank stelt vast dat van de voornoemde situatie sprake is. Daarbij stelt de rechtbank vast dat de partner van eiser in een schuldsaneringstraject zit. Het verzoek om vrijstelling van het griffierecht wordt dan ook toegewezen.

3. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen omdat eiser niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Verweerder heeft het beroep op vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) niet gevolgd. Verweerder heeft zich primair op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van beschermenswaardig gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Subsidiair heeft verweerder aangevoerd dat de belangenafweging, die in het kader van artikel 8 van het EVRM dient plaats te vinden, in het nadeel van eiser uitvalt.

4. Eiser heeft in beroep onder meer aangevoerd dat de hoorplicht is geschonden. De rechtbank ziet aanleiding om deze beroepsgrond als eerste te bespreken.

De rechtbank stelt vast dat verweerder er in het primaire besluit ten onrechte van uit is gegaan dat [naam kind 1] door eiser zou zijn geadopteerd. [naam kind 1] is immers, zo blijkt uit de gronden van bezwaar, door eiser erkend. Verder heeft eiser in bezwaar zijn beroep op artikel 8 van het EVRM uitgebreid toegelicht. Eiser is uitvoerig ingegaan op zijn relatie met referente, met zijn zoon [naam kind 1] en met [naam kind 2] , het andere kind van referente. Verder heeft eiser gewezen op de banden die [naam kind 2] heeft met zijn biologische vader en zijn oma. Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een kennelijk ongegrond bezwaar. Verweerder heeft dan ook niet op die grond van het horen kunnen afzien. Hieruit volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit.

5. Vervolgens zal de rechtbank beoordelen of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel of gedeeltelijk in stand kunnen blijven. In dat kader overweegt de rechtbank het volgende.

5.1

Verweerder heeft zich met betrekking tot de band tussen eiser en [naam kind 1] primair op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van beschermenswaardig gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft hierbij verwezen naar paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000. Daarin is opgenomen dat familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM tussen een minderjarig kind en zijn erkenner of biologische vader wordt aangenomen indien aan de relatie voldoende invulling wordt gegeven. Daarvan is volgens verweerder onvoldoende gebleken.

5.2

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee een onjuiste toepassing gegeven aan zijn beleid, althans het verkeerde onderdeel van het ter zake geldende beleid toegepast. In dezelfde paragraaf van de Vc 2000 is opgenomen dat verweerder in ieder geval familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM aanneemt tussen ouders en hun uit een niet-huwelijkse relatie geboren kinderen. Aangezien verweerder - zo blijkt uitdrukkelijk uit het verweerschrift - op zichzelf niet twijfelt aan de relatie tussen eiser en referente, betekent dit dat verweerder in dit geval had moeten uitgaan van het bestaan van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM tussen eiser en [naam kind 1] . Dit is ook in overeenstemming met de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), waarin als uitgangspunt geldt dat sprake is van familie- of gezinsleven tussen ouders in een (huwelijks)relatie en de uit deze relatie geboren kinderen. De rechtbank verwijst naar het arrest van het EHRM in de zaak Onur tegen het Verenigd Koninkrijk van 17 februari 2009 (app.nr. 27319/07). Het besluit is op dit onderdeel dan ook onvoldoende gemotiveerd.

5.3

Verweerder heeft verder aangevoerd dat, als uit zou moeten worden gegaan van beschermenswaardig familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, de belangenafweging niet anders wordt en in het nadeel van eiser uitvalt. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding om op grond hiervan de rechtsgevolgen in stand te laten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder bij de verrichtte belangenafweging de positie van [naam kind 2] in ieder geval onvoldoende betrokken. Uit het bestreden besluit en de daarop gegeven toelichting blijkt niet dat verweerder zich voldoende rekenschap heeft gegeven van het familie- of gezinsleven dat [naam kind 2] naar gesteld heeft met eiser en referente, maar ook met zijn biologische vader en zijn grootmoeder.

5.4

De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel of gedeeltelijk in stand te laten. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van tien weken. Verweerder zal eiser in het kader van de besluitvorming moeten horen. In het besluit zal verweerder de verschillende familiebanden van [naam kind 2] moeten betrekken bij de beoordeling. Voor zover verweerder dat noodzakelijk acht, zal verweerder eiser in de gelegenheid moeten stellen om zijn stellingen met nadere stukken te onderbouwen.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 922,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van

€ 496,--, en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandsverlener.

7. Omdat eiser is vrijgesteld van betaling van het griffierecht, hoeft verweerder het griffierecht niet aan eiser te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen tien weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 922,-- (zegge: negenhonderdtweeëntwintig euro).

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Otten, voorzitter, en mrs. A.J. van Putten en V.F.J. Bernt, rechters, in aanwezigheid van L. Fernández Ferreiro, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2016.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: LFF

D: B

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.