Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:1097

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-02-2016
Datum publicatie
30-03-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 6354
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om doorstroming naar de functie van senior medewerker Gebiedsgebonden Politie (GGP) in het kader van de hernieuwde openstelling (voor de voormalige politieregio Haaglanden) van het loopbaanbeleid neergelegd in de circulaire Harmonisatie Arbeidsvoorwaarden Politie (HAP II)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 15/6354

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 februari 2016 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. K. Kromhout),

en

de korpschef van politie, verweerder

(gemachtigden: mr. J.E. Allaart en A.J.M. Zwiep).

Procesverloop

Bij besluit van 19 maart 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om doorstroming naar de functie van senior gebiedsgebonden politie (GGP) afgewezen.

Bij besluit van 23 juli 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2016.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser is sedert 30 oktober 2006 werkzaam bij de voormalige regiopolitie Haaglanden, laatstelijk in de functie van generalist GGP.

2. Op 23 oktober 2014 heeft eiser in het kader van de hernieuwde openstelling (voor de voormalige regiopolitie Haaglanden) van het loopbaanbeleid, neergelegd in Bijlage 6 van de Circulaire Harmonisatie arbeidsvoorwaarden politie, tweede tranche (HAP II), zoals nadien aangevuld, een aanvraag ingediend om door te stromen naar de functie van senior GGP. Eiser heeft bij zijn aanvraag een prestatiebeoordeling over de periode van 30 november 2012 tot en met 30 november 2013, ondertekend op 30 november 2014, overgelegd, waaraan is toegevoegd een verslag van 13 november 2013 van zijn functioneren bij het Veel-voorkomende-criminaliteit-team (VVC-team) basiseenheid Segbroek. In deze beoordeling heeft hij op alle aspecten van zijn functioneren een 8 gescoord. Bij de conclusies is onder meer vermeld dat eiser het afgelopen jaar een groot aantal ontwikkelpunten heeft weggewerkt, dat, zoals het zich laat aanzien, de verwachting is dat eiser de functie van senior medewerker APZ (thans GGP), indien hij op deze weg doorgaat, zeker zal waarmaken en dat om zijn doel te bereiken hij bij goed functioneren in de tweede helft van 2014 stage mag gaan lopen bij senior werkzaamheden. In het verslag staat onder meer dat eiser de capaciteiten heeft om in de nabije toekomst seniormedewerker te worden, dat hij natuurlijk nog wel moet leren, maar dat hij zeker is staat is om snel op dat niveau te komen. Desgevraagd heeft eiser vervolgens nog oudere beoordelingen bij zijn aanvraag gevoegd, onder de mededeling dat een beoordeling over de periode 2010- 2012 niet is opgemaakt. De oudere beoordeling over de periode 1 november 2008 tot en met 1 mei 2009 laat op een aantal aspecten van zijn functioneren een score 6 zien.

3. Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen op de grond dat de overgelegde prestatie en/of potentieelbeoordeling niet voldoet aan de voorwaarden, omdat deze één of meerdere scores 6 bevat.

4. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt. Eiser stelt daarin dat hij door het bevoegd gezag ervan is weerhouden een beoordeling over het tijdvak 1 november 2010 tot en met 31 december 2012 te laten opmaken, omdat hij ten onrechte in de veronderstelling verkeerde dat hij niet aan de voorwaarden voor doorstroming naar de functie van senior-GGP voldoet. Hij heeft alsnog een beoordeling over de periode 1 september 2011 tot 1 september 2012 laten opmaken. Deze is ondertekend op 22 april 2015. In deze beoordeling heeft hij op alle aspecten van zijn functioneren tenminste een 7 gescoord. Tevens heeft hij een verklaring van geschiktheid, gedateerd 8 juni 2015, van de informant [informant] overgelegd.

5. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing gehandhaafd. Daaraan is kort gezegd ten grondslag gelegd dat alleen de beoordeling over de periode van 1 november 2008 tot en met 1 mei 2009 relevant is - immers als enige gelegen binnen het tijdvak 1 november 2008 tot en met 31 december 2012 - en deze bevat niet op alle aspecten tenminste de score 7. De later in de bezwaarprocedure overgelegde beoordeling over de periode 1 september 2011 tot 1 september 2012 is niet gebaseerd op een beoordelingstraject dat uiterlijk in 2012 heeft plaatsgehad en uiterlijk begin 2013 formeel is afgerond en ondertekend. Ook de verklaring geschiktheid kan, hoewel deze ziet op de relevante periode, niet worden meegenomen omdat deze van recente datum is.

6. Eiser voert in beroep aan dat hij ten tijde van belang (vòór 31 december 2012) aan alle voorwaarden voldeed om in aanmerking te komen voor doorstroming naar de functie van senior GGP. Verweerder is ten onrechte voorbij gegaan aan de door eiser in bezwaar overgelegde stukken waaruit blijkt dat hij ten tijde van belang potentieel geschikt was voor doorstroming naar de functie van senior GGP.

Het ontbreken van een vóór 31 december 2012 vastgestelde prestatie- en potentieelbeoordeling kan eiser niet worden tegengeworpen.

7. In het verweerschrift stelt verweerder dat hij terecht slechts rekening heeft gehouden met de beoordeling over de periode 1 november 2008 tot met 1 mei 2009. De beoordeling over de periode van 30 november 2012 tot en met 30 november 2013 en de beoordeling over de periode 1 september 2011 tot 1 september 2012 voldoen, evenals de verklaring van [informant], niet aan de voorwaarden van het loopbaan beleid. Verweerder stelt zich subsidiair op het standpunt dat uit de beoordeling over de periode van 30 november 2012 tot en met 30 november 2013 niet blijkt dat eiser potentieel geschikt werd geacht voor de functie van senior GGP.

8.1.

De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

8.2.

Voor het toepasselijke beleid verwijst de rechtbank naar de uitgebreidere weergave daarvan in het bestreden besluit. De rechtbank volstaat hier met het volgende. Het loopbaanbeleid van Bijlage 6 van HAP II is per 1 januari 2013 beëindigd, zodat ook bij de hernieuwde openstelling is vereist dat vóór 31 december 2012 aan de voorwaarden voor promotie is voldaan. Vereisten om in aanmerking te komen voor de functie van senior GGP zijn onder meer en voor zover thans van belang:

- de medewerker dient in het bezit te zijn van een prestatie- en/of potentieel beoordeling die niet ouder is dan 1 november 2008 en de terugwerkende krachtregeling gaat niet verder terug dan tot 1 november 2010;

- voornoemde prestatie- en/of potentieel beoordeling heeft betrekking op het daadwerkelijk functioneren in de GGP, niet op andere gebieden;

- als werkzaamheden door omstandigheden niet te beoordelen zijn, dan valt er geen beoordeling over de GGP op de maken. Hiermee is de aanvraag onvolledig en wordt niet aan alle criteria voldaan om door te stromen op grond van HAP II.

- de medewerker is in het bezit van een prestatie- en/of potentieel beoordeling die uiterlijk is vastgesteld op 31 december 2012 of waarvan het gehele proces van beoordeling is doorlopen in 2012 en waarbij alleen de bekrachtiging door de beoordelingsautoriteit begin 2013 heeft plaatsgevonden;

- in voornoemde prestatie- en/of potentieel beoordeling is voor ieder beoordelingsaspect ten minste het cijfer 7 gegeven;

- uit voornoemde prestatie- en/of potentieel beoordeling blijkt bovendien dat de medewerker in potentie geschikt is voor een volgende loopbaanstap in het bijzonder senior GGP.

8.3.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in dit geval de afwijzing van de aanvraag van eiser in redelijkheid niet heeft kunnen handhaven.

De rechtbank acht op zichzelf genomen het beleid dat er een beoordeling moet worden overgelegd met een positieve potentieelbeoordeling die ziet op een periode gelegen tussen 1 november 2008 en 1 januari 2013 en dat deze uiterlijk begin januari 2013 moet zijn geformaliseerd, niet onredelijk. Echter in de bijzondere omstandigheden van eiser had verweerder in redelijkheid aanleiding moeten zien hiervan af te wijken. Ten aanzien van eiser was immers geen beoordeling in de periode van 2011-2012 opgemaakt, omdat hij daarvan had afgezien aangezien hij meende niet aan het destijds nog geldende vereiste score 8 op alle aspecten te kunnen voldoen. Eiser had echter wel een beoordeling overgelegd die mede betrekking had op december 2012, waarin hij op alle beoordelingsaspecten een 8 heeft gescoord. Onder die omstandigheden had verweerder alsnog rekening moeten houden met de in bezwaar overgelegde beoordeling over de relevante periode van 30 september 2011 tot en met 30 september 2012 en de positieve potentieelbeoordeling van de beoordelingsinformant, ook al zijn deze in 2015 opgesteld. Het ontbreken van een prestatie- en potentieelbeoordeling over de periode van 2011-2012 kon in redelijkheid niet ten laste van eiser worden gelaten, juist omdat de hernieuwde openstelling van het HAP II-beleid zijn oorzaak vond in het feit dat het vereiste van een score op alle gezichtspunten van tenminste 8 werd gewijzigd in tenminste 7.

Het standpunt van verweerder dat een positieve potentieelbeoordeling slechts kan blijken uit een beoordeling volgt de rechtbank niet. Indien in de beoordeling geen expliciete potentieelbeoordeling is opgenomen en de geschiktheid blijkt uit een in andere vorm opgestelde verklaring van een bevoegde autoriteit, is niet in te zien dat aan deze verklaring geen betekenis toekomt. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 24 september 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:3226) waarin de positieve potentieelbeoordeling (in die uitspraak aangeduid als verwachte geschiktheid) bleek uit afwijzingen van sollicitaties naar de functie van senior GGP.

8.4.

De rechtbank volgt verweerder niet in zijn subsidiaire standpunt dat de potentiële geschiktheid niet blijkt uit de prestatiebeoordeling over de periode van 30 september 2011 tot en met 30 september 2012 en de potentieelbeoordeling van de beoordelingsinformant. Uit deze stukken blijkt onmiskenbaar dat eiser potentieel geschikt wordt geacht voor de functie van senior GGP. In de prestatiebeoordeling is immers vermeld dat, zoals het zich laat aanzien, de verwachting is dat eiser de functie van senior medewerker APZ, indien hij op deze weg doorgaat, zeker zal waarmaken. De verklaring van geschiktheid van [informant], is blijkens de inhoud van die verklaring, geschreven om het standpunt dat eiser potentieel geschikt is voor de functie van senior GGP nader te onderbouwen.

Tot slot neemt de rechtbank in aanmerking dat “in potentie geschikt” niet betekent dat de betrokkene al op alle punten volledig geschikt is, maar naar verwachting binnen een redelijke termijn geschikt zal zijn. Dat bij een presteren boven de norm nog ontwikkelpunten worden genoemd in de beoordeling betekent derhalve niet dat de betrokkene niet potentieel geschikt is voor de functie van senior GGP.

8.5.

Het beroep is, gelet op het voorgaande, gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Verweerder zal met in achtneming van het oordeel van de rechtbank dat ten aanzien van eiser moet worden uitgegaan van een functioneren boven de norm en een verwachte geschiktheid voor de functie van senior GGP een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen. De ingangsdatum van de bevordering zal 1 januari 2013 of eerder dienen te zijn, omdat eiser in ieder geval per 1 januari 2013 voldeed aan de voorwaarden voor doorstroming naar de functie van senior GGP.

8.6.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

8.7.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.984,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit van 23 juli 2015;

  • -

    draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 167,-. aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1984,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.G.J. Dop, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Leijten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.