Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:1079

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-02-2016
Datum publicatie
30-03-2016
Zaaknummer
15/7398
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

aanvraag AIO-aanvulling (bijstand) Bulgaarse man ten onrechte afgewezen. Verblijfsrecht niet-actieve EU-onderdaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2016/93
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 15/7398

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 februari 2016 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. E. Koornwinder),

en

de Sociale Verzekeringsbank, verweerder

(gemachtigde: mr. P.C.A. Buskens).

Procesverloop

Bij besluit van 23 april 2015 heeft verweerder eisers aanvraag om een uitkering ingevolge de Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (AIO-aanvulling) afgewezen.

Bij besluit van 3 september 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2016.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door zijn partner en door [persoon A] in plaats van de gemachtigde. Verweerder heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

Overwegingen

1.1.

De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser, geboren op [datum] 1949, heeft de Bulgaarse nationaliteit. Vanaf april 2013 verblijft hij in Nederland, aanvankelijk bij zijn dochter en vanaf 6 maart 2015 bij zijn echtgenote in Den Haag. Hij heeft zich nog niet gemeld bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND).

1.2

Op 27 december 2014 heeft eiser met een daarvoor bestemd formulier een zogeheten AIO-aanvulling aangevraagd. Bij brief van 2 januari 2015 heeft verweerder eiser om aanvullende informatie gevraagd. Bij brieven van 5 februari 2015 en 17 februari 2015 heeft verweerder vervolgens nog om een aantal bewijsstukken en nadere informatie verzocht. Nadat eiser per 6 maart 2015 bij zijn echtgenote was ingetrokken heeft verweerder opnieuw een aanvraagformulier opgestuurd met het verzoek dit ingevuld te retourneren. Vervolgens heeft verweerder de aanvraag bij primair besluit van 23 april 2015 afgewezen, op de grond dat eiser niet kan worden gelijkgesteld met een Nederlander.

2. Het bestreden besluit, waarbij het bezwaar van eiser ongegrond is verklaard, berust op het standpunt dat eiser de verblijfscode 30 heeft, waarmee hij in beginsel recht heeft op een AIO-aanvulling. Omdat eiser geen werknemer is of zelfstandige, dan wel familielid van een werknemer of zelfstandige, voldoet hij niet aan de voorwaarden voor een rechtmatig verblijf in Nederland en komt hij niet in aanmerking voor de AIO-aanvulling, aldus verweerder.

3. Hetgeen eiser aanvoert komt hierop neer dat hij recht heeft op bijstand omdat hij als burger van de Europese Unie (EU) in dit opzicht gelijkgesteld is aan een in Nederland wonende Nederlander. Zijn dochter heeft nu inkomen, terwijl de waarde van de woning in Bulgarije lager was dan het vrij te laten vermogen voor gehuwden. Overigens is deze woning voor € 5.000,- verkocht om schulden te kunnen afbetalen. Eiser beschikt over een Bulgaars invaliditeitspensioen van ongeveer € 140,- per maand.

4. De rechtbank overweegt dat verweerder op grond van artikel 47a van de Participatiewet (Pw) tot taak heeft om algemene bijstand te verlenen in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen aan de in die bepaling omschreven personen die niet over voldoende middelen beschikken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Hierop is een groot aantal bepalingen van de Pw van overeenkomstige toepassing.

5. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB; zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2011:BQ5776) bestrijkt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in het geval van een aanvraag om bijstand de periode vanaf de datum waarop of met ingang waarvan om bijstand wordt gevraagd tot en met de datum van het primaire besluit. Dit betekent dat hier de periode van 27 december 2014 tot en met 23 april 2015 ter beoordeling voorligt.

6.1

In artikel 17, eerste lid, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (EG-Verdrag), thans artikel 20, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) is - voor zover hier van belang - bepaald dat een burger van de Unie een ieder is die de nationaliteit van een lidstaat bezit.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van het EG-Verdrag, thans artikel 21, eerste lid, van het VWEU, heeft iedere burger van de Unie het recht vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij de Verdragen en bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld.

Uit artikel 21, eerste lid, van het VWEU vloeit voort dat het verblijfsrecht wordt aangenomen, indien en zolang het onderzoek naar de beperkingen en voorwaarden, zoals onder meer vermeld in Richtlijn 2004/38/EG (Richtlijn), niet heeft uitgewezen dat daaraan niet wordt voldaan.

6.2.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Richtlijn heeft iedere burger van de Unie het recht gedurende meer dan drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven indien hij voor zichzelf en voor zijn familieleden over voldoende bestaansmiddelen beschikt om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste komen van het sociale bijstandsstelsel van het gastland en hij over een verzekering beschikt die de ziektekosten in het gastland volledig dekt.

6.3

Ingevolge artikel 14, tweede lid, van de Richtlijn - voor zover thans van belang - behouden burgers van de Unie en hun familieleden het verblijfsrecht van artikel 7 zolang zij voldoen aan de aldaar genoemde voorwaarden. Ingevolge artikel 14, derde lid, van de Richtlijn leidt een beroep van de burger van de Unie of van diens familieleden op het sociale bijstandsstelsel van het gastland niet automatisch tot een verwijderingsmaatregel.

6.4

Uit het eerste lid van artikel 24 van de Richtlijn volgt dat iedere burger van de EU die op basis van deze richtlijn op het grondgebied van een gastland verblijft in beginsel dezelfde behandeling geniet als de onderdaan van dat gastland. In het tweede lid van dat artikel zijn de uitzonderingen op dit beginsel opgenomen. Het gastland is niet verplicht een recht op sociale bijstand toe te kennen gedurende de eerste drie maanden van verblijf of, in voorkomend geval de in artikel 14, vierde lid, onder b, bedoelde langere periode, noch is het verplicht om vóór de verwerving van het duurzame verblijfsrecht steun voor levensonderhoud toe te kennen voor studies, inclusief beroepsopleiding, in de vorm van een studiebeurs of -lening, aan andere personen dan werknemers of zelfstandigen, of personen die deze status hebben behouden, en hun familieleden.

6.5

In artikel 11, eerste lid, van de Pw is bepaald dat iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, recht heeft op bijstand van overheidswege. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, gelijkgesteld wordt de hier te lande woonachtige vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), met uitzondering van de gevallen, bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de Richtlijn.

6.6

Op grond van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000 heeft een vreemdeling in Nederland rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan zolang deze onderdaan verblijf houdt op grond van een regeling krachtens het EG-Verdrag dan wel de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte. Een regeling als bedoeld in deze bepaling is onder meer de Richtlijn, die in nationale wet- en regelgeving is geïmplementeerd en nader is uitgewerkt.

7. Het standpunt van verweerder komt in de kern hierop neer, dat eiser niet (meer) voldoet aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf in Nederland, en daarom niet in aanmerking komt voor de AIO-aanvulling.

8. Niet in geschil is dat eiser langer dan drie maanden maar korter dan vijf jaar in Nederland verblijft, en dat hij moet worden aangemerkt als een economisch niet-actieve Unieburger als bedoeld in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Richtlijn. Gelet hierop ligt het bij de beoordeling van het recht op bijstand (en ook van de hier aan de orde zijnde AIO-aanvulling) op de weg van verweerder om aan de hand van de door eiser verstrekte en zo nodig alsnog te verstrekken informatie, in overleg met de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (staatssecretaris) te onderzoeken of eiser, al dan niet op basis van rechtmatig verblijf in Nederland van zijn familieleden, aan het Unierecht een verblijfsrecht hier te lande kan ontlenen. Zolang door de staatssecretaris geen besluit is genomen omtrent het vervallen van het verblijfsrecht van eiser, moet van rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 worden uitgegaan en kan verweerder dus niet staande houden dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de CRvB van 18 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3853.

9. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het bestreden besluit niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit van 23 april 2015 te herroepen. Nu niet is gebleken van in aanmerking te nemen inkomen of vermogen, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser met ingang van 27 december 2014 (datum aanvraag) een AIO-aanvulling verleent ter hoogte van de voor hem toepasselijke norm. In zoverre treedt deze uitspraak in de plaats van het vernietigde besluit.

10. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser in verband met de bezwaar- en de beroepsprocedure gemaakte proceskosten. Deze kosten, vanwege de aan eiser verleende rechtsbijstand, zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op een bedrag van € 1.488,- (1 punt voor het bezwaarschrift, 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting van de rechtbank).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit van 23 april 2015 en bepaalt dat verweerder aan eiser een AIO-aanvulling uitkeert op basis van de voor eiser geldende norm;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.488,-;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,- aan eiser te vergoeden;

Deze uitspraak is gedaan door mr C.J. Waterbolk, in aanwezigheid van S.V. de Bart-van der Vegte, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hoger beroepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.