Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:10629

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-08-2016
Datum publicatie
08-09-2016
Zaaknummer
AMS 15/22963 en 16/13132
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres verzoekt wijziging van de arbeidsmarktaantekening op haar verblijfsvergunning. Uit de aantekening ‘arbeid in loondienst alleen toegestaan met TWV’ blijkt niet duidelijk dat zij wel arbeid als zelfstandige voor de VOF van haar en haar echtgenoot mag verrichten. Anders dan haar echtgenoot is haar vergunning niet verleend onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’, maar onder de beperking dat zij bij haar echtgenoot mag verblijven. Het standpunt van verweerder dat aan eiseres arbeid als zelfstandige is toegestaan en zij daarom geen procesbelang heeft volgt de rechtbank niet. Een arbeidsmarktaantekening is een voor de vreemdeling in het rechtsverkeer relevante mededeling over diens positie als vreemdeling op de arbeidsmarkt. Uit de huidige aantekening blijkt niet ondubbelzinnig welke toegang eiseres tot de arbeidsmarkt heeft. Uit artikel 14, eerste lid, onder b, van de Gezinsherenigingsrichtlijn vloeit mede voort dat eiseres daar wel recht op heeft. Voor zover nationaal recht en het beleid zich verzet tegen wijziging van de arbeidsaantekening moeten die regels wijken voor de Gezinsherenigingsrichtlijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 15/22963 en AWB 16/13132

V-nr: [volgnummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 10 augustus 2016 in de zaak tussen

[de vrouw] ,

geboren op [geboortedatum] 1984, van Libanese nationaliteit, eiseres

(gemachtigde mr. J.B. Bierbach),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde mr. A.M. de Wit).

Procesverloop

Bij besluit van 24 september 2015 heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 7 september 2015 tot vervanging van haar verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) onder de beperking “verblijf als familie- of gezinslid bij [de man] ” afgewezen (het primaire besluit). Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 22 december 2015 ongegrond verklaard (het bestreden besluit I).

Op 28 december 2015 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseres tegen dit besluit ontvangen (AWB 15/22963). Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2016. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen te reageren op hetgeen ter zitting door eiseres naar voren is gebracht. Verweerder heeft bij brief van 10 mei 2016 gereageerd. Eiseres heeft bij brief van 24 mei 2016 gereageerd. Nadat partijen toestemming hebben verleend om zonder nadere zitting uitspraak te doen op het beroep, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Bij besluit van 21 maart 2016 (het bestreden besluit II) heeft verweerder de geldigheidsduur van de aan eiseres verstrekte verblijfsvergunning verlengd tot 20 februari 2021.

Eiseres heeft een bezwaarschrift ingediend tegen dit besluit en aan verweerder gevraagd in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter op grond van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder heeft hiermee ingestemd en het door eiseres ingediende bezwaarschrift als beroepschrift doorgezonden aan de rechtbank (AWB 16/13132). Nadat partijen toestemming hebben verleend om zonder zitting uitspraak te doen op het beroep, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.1

De echtgenoot van eiseres (referent), [de man] , is Amerikaans staatsburger en is in het bezit van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw onder de beperking “arbeid als zelfstandige”. De arbeidsmarktaantekening luidt: “Arbeid in loondienst alleen toegestaan met TWV”.

1.2

Eiseres is met ingang van 6 mei 2014 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) onder de beperking “verblijf als familie- of gezinslid bij [de man] ”, met een geldigheidsduur tot 20 februari 2016. De arbeidsmarktaantekening luidt: “Arbeid toegestaan mits TWV is verleend”.

1.3

Referent en eiseres zijn vennoten van [bedrijf] .

1.4

Eiseres heeft een aanvraag ingediend om vervanging van haar verblijfsdocument, omdat zij een andere arbeidsmarktaantekening wenst. Eiseres wenst een arbeidsmarktaantekening die duidelijk tot uitdrukking brengt dat zij met referent werkzaamheden mag verrichten voor hun onderneming. Volgens eiseres impliceert haar huidige arbeidsmarktaantekening dat als zij die werkzaamheden verricht, zij een TWV dient te hebben, zodat zij bij controle door de Arbeidsinspectie het risico loopt op een boete wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen (WAV).

Ten aanzien van het beroep AWB 15/22963

2. Verweerder heeft het verzoek van eiseres om vervanging van haar verblijfsdocument met een andere arbeidsmarktaantekening afgewezen en het bezwaar daartegen kennelijk ongegrond verklaard. Volgens verweerder is het eiseres toegestaan om, met de huidige arbeidsmarktaantekening, arbeid als zelfstandige te verrichten, net zoals dit aan referent is toegestaan. In het primaire besluit en het bestreden besluit I is ter onderbouwing van de afwijzing van de aanvraag overwogen dat aan eiseres conform de wet- en regelgeving dezelfde arbeidsmarktaantekening is afgegeven als aan referent, namelijk de aantekening dat arbeid alleen is toegestaan mits een TWV is verleend. Er is dan ook geen sprake van strijd met Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (PB 2003 L251; hierna: de Gezinsherenigingsrichtlijn), nu daaruit volgt dat aan eiseres dezelfde arbeidsmarktaantekening dient te worden afgegeven als aan referent. Een andere arbeidsmarktaantekening dan op de huidige vergunning van eiseres staat is ook niet mogelijk, omdat verweerder toepassing moet geven aan het bepaalde in artikel 3.1, derde lid, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV) en daarvan niet kan afwijken.

3. Eiseres heeft in beroep onder meer aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 14, eerste lid, onder b, van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Ter onderbouwing daarvan heeft zij onder meer gesteld dat deze bepaling in het bestreden besluit onjuist is uitgelegd.

4.1

Verweerder heeft in zijn reactie van 10 mei 2016 betoogd dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat eiseres geen procesbelang heeft bij deze procedure. Nu eiseres met het verstrekte verblijfsdocument al gerechtigd is om arbeid als zelfstandige te verrichten, kan zij met deze procedure juridisch niet in een betere positie komen, aldus verweerder.

4.2

De rechtbank volgt dit betoog niet. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres het recht heeft om arbeid als zelfstandige te verrichten in de onderneming waarvan zij en referent vennoten zijn. Onderhavige procedure is echter niet zozeer gericht op het verkrijgen van het recht om arbeid als zelfstandige te verrichten, als wel op het verkrijgen van een arbeidsmarktaantekening waaruit zulks ondubbelzinnig blijkt. Een arbeidsmarktaantekening is, zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft overwogen in de uitspraak van 25 januari 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:2345), een voor de vreemdeling in het rechtsverkeer relevante mededeling over zijn positie als vreemdeling op de arbeidsmarkt. Eiseres heeft dan ook belang bij de beoordeling van de vraag of zij een arbeidsmarktaantekening dient te verkrijgen waaruit blijkt dat zij arbeid als zelfstandige mag verrichten.

4.3

Wel is inmiddels de aan eiseres verleende vergunning verstreken en de daaraan verbonden arbeidsmarktaantekening dus eveneens. Haar document is vervangen door een nieuw document met dezelfde arbeidsmarktaantekening. De nieuwe arbeidsmarktaantekening is onderwerp van het hieronder nog te behandelen beroep. Eiseres houdt belang bij de beoordeling van het beroep over de inmiddels vervallen arbeidsaantekening, omdat zij om proceskostenvergoeding in beroep en bezwaar heeft verzocht. Anders dan verweerder concludeert de rechtbank dan ook dat eiseres ontvankelijk is in haar beroep.

5. Op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gezinsherenigingsrichtijn hebben de gezinsleden van de gezinshereniger, op dezelfde wijze als de gezinshereniger, recht op toegang tot arbeid in loondienst of als zelfstandige.

6. De rechtbank overweegt allereerst dat, anders dan in het bestreden besluit is overwogen, uit artikel 14 van de Gezinsherenigingsrichtlijn niet volgt dat aan eiseres letterlijk dezelfde arbeidsmarktaantekening dient te worden gegeven als aan referent. Uit de tekst van de bepaling volgt wel dat eiseres, op dezelfde wijze als referent, recht heeft op toegang tot arbeid als zelfstandige. Uit dit recht vloeit naar het oordeel van de rechtbank voort dat eiseres ook recht heeft op een vergunning met een arbeidsaantekening waaruit ondubbelzinnig blijkt in hoeverre zij arbeid mag verrichten. De arbeidsmarktaantekening betreft, zoals reeds is overwogen, immers een in het rechtsverkeer relevante mededeling over de positie van de vreemdeling op de arbeidsmarkt. Voor referent blijkt zijn recht op arbeid als zelfstandige ondubbelzinnig uit de beperking waaronder de vergunning is verleend; arbeid als zelfstandige. Voor eiseres geldt dit echter niet. De beperking op haar vergunning luidt verblijf bij referent. Uit haar arbeidsmarktaantekening blijkt evenmin dat zij, net als referent, wel arbeid als zelfstandige mag verrichten. Nu uit het verblijfsdocument van eiseres niet ondubbelzinnig blijkt dat het haar is toegestaan om (zonder TWV) arbeid als zelfstandige te verrichten, is de rechtbank met eiseres van oordeel dat het bestreden besluit I in strijd is met artikel 14 van de Gezinsherenigingsrichtlijn. De beroepsgrond slaagt. Uit het voorgaande volgt dat de overweging in het bestreden besluit, dat geen sprake is van strijd met de Gezinsherenigingsrichtlijn, zowel op een feitelijke onjuistheid als op een ondeugdelijke motivering berust. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12 van de Awb en komt voor vernietiging in aanmerking.

7. Uit het bovenstaande vloeit tevens voort dat het primaire besluit onrechtmatig is. Eiseres heeft evenwel geen belang bij herroeping van het primaire besluit, nu haar oude arbeidsmarktaantekening inmiddels is vervallen. Ten behoeve van de finale geschillenbeslechting zal de rechtbank daarom de rechtsgevolgen van het bestreden besluit I in stand laten, met uitzondering van het deel over de proceskosten in bezwaar (zie ook rechtsoverweging 9.2).

8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

9.1

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten voor het beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.240,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het geven van een nadere schriftelijke reactie in beroep met een waarde per punt van € 496,-, en een wegingsfactor 1).

9.2

De rechtbank ziet tevens aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten voor het bezwaar, nu het primaire besluit verwijtbaar onrechtmatig is. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 496,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde van € 496,-, en een wegingsfactor 1).

Ten aanzien van het beroep AWB 16/13132

10.
De rechtbank leidt uit het dossier af dat eiseres op 20 januari 2016 een aanvraag om verlenging van haar verblijfsvergunning heeft ingediend. Verweerder heeft eiseres bij het bestreden besluit II een verblijfsdocument verstrekt met wederom de arbeidsmarktaantekening “Arbeid toegestaan mits TWV is verleend”. Gelet op hetgeen in rechtsoverweging 6 is overwogen, is ook dit besluit in strijd met de Gezinsherenigingsrichtlijn, zodat het voor vernietiging in aanmerking komt. Verweerder zal dan ook opnieuw op de aanvraag van 20 januari 2016 dienen te beslissen en aan eiseres een nieuw verblijfsdocument dienen te verstrekken. In het kader van de finale geschillenbeslechting overweegt de rechtbank nog als volgt. Eiseres is in het bezit van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking “verblijf bij familie- of gezinslid [de man] ”. Volgens verweerders beleid zoals neergelegd in onder meer B7/4 van de Vreemdelingencirculaire 2000, dient eiseres dezelfde arbeidsmarktaantekening te krijgen als referent, te weten “Arbeid in loondienst alleen toegestaan met TWV”. De rechtbank is evenwel van oordeel dat, ook met deze arbeidsmarktaantekening, onvoldoende uit het verblijfsdocument van eiseres blijkt dat het haar is toegestaan om zonder TWV arbeid als zelfstandige te verrichten. Verweerder zal eiseres dan ook een verblijfsdocument dienen te verstrekken met een arbeidsmarktaantekening waaruit expliciet blijkt dat het eiseres is toegestaan om zonder TWV arbeid als zelfstandige te verrichten. Voor zover artikel 3.1, derde lid, van het VV daaraan in de weg staat dient dit artikel in dit geval buiten toepassing te blijven wegens strijd met artikel 14 van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Voor zover de huidige regelgeving niet toestaat om in het geval van eiseres in een passende arbeidsmarktaantekening te voorzien, is de Gezinsherenigingsrichtlijn op dit punt immers onvoldoende geïmplementeerd. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat ook de beperkte schrijfruimte op het verblijfsdocument, zoals verweerder nog in zijn reactie van 10 mei 2016 heeft aangevoerd, niet in de weg kan staan aan het verstrekken van een verblijfsdocument met een passende arbeidsmarktaantekening. Een dergelijke praktische belemmering kan immers, wat er overigens ook van zij, niet rechtvaardigen dat een besluit wordt genomen dat in strijd is met de Gezinsherenigingsrichtlijn.


11. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

12. Gelet op de inhoudelijke samenhang met het beroep AWB 15/22963, waarin verweerder reeds is veroordeeld in de proceskosten, ziet de rechtbank geen aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakt proceskosten voor dit beroep.

Beslissing

De rechtbank,

in de zaken geregistreerd onder nummers: AWB 15/22963 en AWB 16/13132,

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten;

- laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit I in stand, behoudens de beslissing over de proceskostenvergoeding en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit I;

- draagt verweerder op om binnen zes weken opnieuw te beslissen op de aanvraag van 20 januari 2016, met inachtneming van hetgeen is overwogen in deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 335,- (zegge: driehonderd en vijfendertig euro) aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.736,- (zegge: zeventienhonderd en zesendertig euro).

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.L. Fernig-Rocour, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Tax, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2016.

De griffier is niet in staat te tekenen.

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: ST
D: C

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.