Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:10608

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-08-2016
Datum publicatie
05-09-2016
Zaaknummer
AWB 16/15446
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uit het arrest van 11 juni 2015, C-554/13, Z.Zh. en I.O. van het Hof van Justitie van de Europese Unie (ECLI:EU:C:2015:377) leidt de rechtbank af dat een lidstaat niet automatisch mag afzien van het toekennen van een termijn voor vrijwillig vertrek in het geval waarin een risico bestaat dat de betrokkene zich aan het toezicht zal onttrekken. Voor de juiste gebruikmaking van de in artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn daartoe geboden mogelijkheid, dient per geval te worden nagegaan of het niet toekennen van een dergelijke termijn verenigbaar zou zijn met de grondrechten van de betrokkene.

De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit geen blijk geeft van de hiervoor bedoelde individuele afweging. Het terugkeerbesluit kent een zorgvuldigheids- en een motiveringsgebrek. Het beroep is om die reden gegrond en het terugkeerbesluit zal worden vernietigd.

In zijn brief van 24 augustus 2016 heeft verweerder het standpunt ingenomen dat hij in het geval van eiser in redelijkheid kon besluiten tot het onthouden van een vertrektermijn, omdat de verklaring van eiser dat hij terug wil naar Marokko en dat hij geen crimineel is, geen reden geeft tot het nemen van een ander besluit.

De rechtbank is met eiser van oordeel dat verweerder hiermee niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom in het geval van eiser een vertrektermijn is onthouden. Daarbij is van belang dat uit het proces-verbaal van gehoor (artikel 59, 59a of 59b, 62a of 66a Vw) blijkt dat eiser heeft verklaard een oom in Rotterdam te hebben. Verweerder heeft deze omstandigheid, die volgens zijn eigen beleid in ieder geval dient te worden betrokken bij de toepassing van artikel 62, tweede lid, van de Vw 2000, ten onrechte niet meegewogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: AWB 16/15446, [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 augustus 2016 in de zaak tussen

[eiser]

gemachtigde: mr. F. el Makhtari,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: drs. P.E.G. Heijdanus Meershoek.

Procesverloop

Verweerder heeft op 18 juni 2016 een terugkeerbesluit tegen eiser uitgevaardigd. Het terugkeerbesluit omvat tevens een inreisverbod voor de duur van twee jaar.

Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2016. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

De rechtbank heeft het onderzoek geschorst om verweerder de gelegenheid te bieden nadere informatie te verstrekken. Verweerder heeft op 24 augustus 2016 nadere informatie verstrekt. Eiser heeft daarop op 24 augustus 2016 gereageerd. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten, waarbij wordt opgemerkt dat partijen reeds ter zitting toestemming hadden gegeven voor het afzien van een nadere zitting.

Overwegingen

1. Het terugkeerbesluit houdt in dat eiser de Europese Unie onmiddellijk moet verlaten. Het inreisverbod houdt in dat eiser de Europese Unie twee jaar niet mag inreizen, te rekenen vanaf de datum waarop hij de Europese Unie heeft verlaten.

2. Eiser betoogt dat verweerder hem een vertrektermijn van vier weken had moeten geven omdat er geen risico is dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken. Voor zover dat risico wel aanwezig is, had verweerder dienen te volstaan met het verkorten van de vertrektermijn. Verweerder heeft verzuimd in het besluit te motiveren waarom hij ervoor heeft gekozen eiser een vertrektermijn te onthouden. Het onthouden van een vertrektermijn is in dit geval niet proportioneel, aldus eiser.

2.1.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van Richtlijn 2008/115/EG (Terugkeerrichtlijn), wordt in een terugkeerbesluit een passende termijn voor vrijwillig vertrek van zeven tot dertig dagen vastgesteld, onverminderd de in de leden 2 en 4 bedoelde uitzonderingen.

In het vierde lid is bepaald dat, indien er een risico op onderduiken bestaat, de lidstaten kunnen afzien van het toekennen van een termijn voor vrijwillig vertrek, of een termijn kunnen toekennen die korter is dan zeven dagen.

Ingevolge artikel 62, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient, nadat tegen de vreemdeling een terugkeerbesluit is uitgevaardigd, hij Nederland uit eigen beweging binnen vier weken te verlaten.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, kan verweerder de voor een vreemdeling geldende termijn, bedoeld in het eerste lid, verkorten, dan wel, in afwijking van het eerste lid, bepalen dat een vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten, indien een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken.

Ter uitvoering van artikel 62, tweede lid, van de Vw 2000 voert verweerder het beleid dat is neergelegd in A3/3 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Dit beleid, voor zover van belang, luidt als volgt:

“Proportionaliteit

De IND ziet af van het onthouden van een vertrektermijn als de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling zodanig zijn dat het onthouden van een vertrektermijn niet proportioneel is. De IND betrekt bij de proportionaliteitstoets alle relevante feiten en omstandigheden, waaronder in ieder geval de aanwezigheid van in Nederland verblijvende familieleden.”

2.2.

Verweerder heeft aan het onthouden van een vertrektermijn ten grondslag gelegd dat eiser:

a. a) Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;

b) zich in strijd met de vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;

c) zich niet aan één of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;

d) geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

e) niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Uit de niet betwiste gronden a), b) en c) heeft verweerder kunnen afleiden dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder was daarom bevoegd op grond van artikel 62, tweede lid, van de Vw 2000 de vertrektermijn te verkorten dan wel te bepalen dat eiser de Europese Unie onmiddellijk moet verlaten.

2.3.

Uit het arrest van 11 juni 2015, C-554/13, Z.Zh. en I.O. van het Hof van Justitie van de Europese Unie (ECLI:EU:C:2015:377) leidt de rechtbank af dat een lidstaat niet automatisch mag afzien van het toekennen van een termijn voor vrijwillig vertrek in het geval waarin een risico bestaat dat de betrokkene zich aan het toezicht zal onttrekken. Voor de juiste gebruikmaking van de in artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn daartoe geboden mogelijkheid, dient per geval te worden nagegaan of het niet toekennen van een dergelijke termijn verenigbaar zou zijn met de grondrechten van de betrokkene.

De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit geen blijk geeft van de hiervoor bedoelde individuele afweging. Het terugkeerbesluit kent een zorgvuldigheids- en een motiveringsgebrek. Het beroep is om die reden gegrond en het terugkeerbesluit zal worden vernietigd.

2.4.

In zijn brief van 24 augustus 2016 heeft verweerder het standpunt ingenomen dat hij in het geval van eiser in redelijkheid kon besluiten tot het onthouden van een vertrektermijn, omdat de verklaring van eiser dat hij terug wil naar Marokko en dat hij geen crimineel is, geen reden geeft tot het nemen van een ander besluit.

De rechtbank is met eiser van oordeel dat verweerder hiermee niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom in het geval van eiser een vertrektermijn is onthouden. Daarbij is van belang dat uit het proces-verbaal van gehoor (artikel 59, 59a of 59b, 62a of 66a Vw) blijkt dat eiser heeft verklaard een oom in Rotterdam te hebben. Verweerder heeft deze omstandigheid, die volgens zijn eigen beleid in ieder geval dient te worden betrokken bij de toepassing van artikel 62, tweede lid, van de Vw 2000, ten onrechte niet meegewogen.

2.5.

Uit het voorgaande volgt dat de rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit niet in stand kunnen blijven.

3. Nu het terugkeerbesluit wordt vernietigd, vervalt daarmee ook de grondslag voor het uitgevaardigde inreisverbod, zodat ook dat voor vernietiging in aanmerking komt.

4. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Het bedrag van deze kosten stelt de rechtbank vast op € 1.240,- voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de nadere reactie, met een waarde per punt van € 496,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het terugkeerbesluit en het inreisverbod;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.240,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van C. Groenewegen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 augustus 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.