Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:10496

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-06-2016
Datum publicatie
06-09-2016
Zaaknummer
C-09-459805-HA ZA 14-182
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Samenwerkingsovereenkomst over door de ene partij vermarkten van door de andere partij ontwikkeld coderings systeem voor de verpakkingsindustrie. Verwijten over en weer over toerekenbaar tekortschieten in de nakoming, oa ten aanzien van terugbetaling lening, bieden van ondersteuning, contractuele alleenrechten, minimale afname- en verkoopverplichtingen, distributiebepalingen en promotie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/2585
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

team handel

zaak- / rolnummer: C/09/459805 / HA ZA 14-182

Vonnis van 1 juni 2016

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

KORTHOFAH B.V.,

gevestigd te Katwijk,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

verweerster in het incident,

advocaat mr. M.J. van Paridon,

tegen

de rechtspersoon naar buitenlands recht

QUILL CODING SOLUTIONS LTD.,

gevestigd te Dunstable, Bedfordshire, Verenigd Koninkrijk,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

eiseres in het incident,

advocaat mr. W.E. Boonk.

Partijen worden aangeduid als ‘Kortho’ en ‘Quill’.

1 De procedure

1.1

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het vonnis in het bevoegdheidsincident en de daarin genoemde stukken;

- de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie met producties tevens incidentele conclusie;

- het vonnis waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- de conclusie van antwoord in reconventie tevens antwoord in het incident en akte vermeerdering van eis in conventie;

- het proces-verbaal van de op 27 maart 2015 gehouden comparitie van partijen;

- de aktes na comparitie;

- de tijdens het pleidooi op 17 februari 2016 voorgedragen pleitnotities.

1.2

Tot slot is een datum voor het wijzen van vonnis bepaald.

2 De feiten

in de hoofdzaak in conventie en in reconventie en in het incident

2.1.

Quill is in 2005 opgericht door [A] ( [A] ), [B] ( [B] ) en [C] ( [C] ), die eerder alle drie actief waren geweest op het gebied van het ontwerpen van coderingssystemen voor de verpakkingsindustrie als specialisten in elektronica en software ( [A] ), mechanica ( [B] ) en software ( [C] ). Vanaf 2005 is Quill doende geweest een nieuw coderingssysteem te ontwikkelen.

2.2.

Het door Quill ontwikkelde systeem, de coding unit, bestaat uit twee fysiek van elkaar gescheiden delen:

  1. een mechanisch deel: een printer, een kastje waarin het daadwerkelijke printen geschiedt;

  2. een elektronisch deel: de control box, een kastje met electronica met besturingssoftware met een centrale printplaat, de main print board, als hoofdcomponent.

2.3.

In 2006 had Quill een werkend prototype gereed, dat verder ontwikkeld diende te worden om daadwerkelijk op de markt te kunnen worden gebracht. Quill beschikte niet over de financiële middelen daarvoor, noch over de middelen en de capaciteit voor de commerciële productie en vermarkting van het product.

2.4.

Kortho is een producent en distributeur van coderingssystemen. Zij was geïnteresseerd in de door Quill ontwikkelde techniek en benaderde Quill eind 2006.

2.5.

Na een bezoek in december 2006, waarbij Quill het prototype heeft gedemonstreerd, hebben partijen begin 2007 afgesproken om te gaan samenwerken door ontwikkeling van een aantal varianten van het door Quill ontwikkelde systeem. Het ging daarbij om de volgende twee modellen (tezamen: de producten):

  1. de TP-modellen met thermal transfer printing. Deze zouden worden uitgerust met de mechanica van Quill. De TP-modellen zouden door Kortho worden geproduceerd en onder de naam Kortho op de markt worden gebracht.

  2. de GJ-modellen met inktjet printing. Bij deze modellen zou geen gebruik worden gemaakt van de mechanica van Quill, alleen van de electronica en de software, de door Quill ontwikkelde control box, die door partijen ook wordt aangeduid als CCU (Control Circuit Unit) en die een centrale printplaat, de main printboard, als hoofdcomponent heeft.

2.6.

De afspraken tussen partijen zijn neergelegd in de door hen op 1 januari 2007 gesloten overeenkomst (de overeenkomst) die – kort gezegd – inhoudt dat Kortho het door Quill ontwikkelde coderingssysteem voor de verpakkingsindustrie zou vermarkten. Quill leverde de techniek en Kortho de verkoopkanalen. Partijen zouden gelijkelijk delen in de nettowinst van de exploitatie. Quill werd in de ontwikkelfase voorgefinancierd door Kortho.

2.7.

Bij het aangaan van de overeenkomst heeft Kortho de verwachting uitgesproken dat zij jaarlijks 600 TP-modellen en 600 GJ-modellen zou kunnen verkopen.

2.8.

De overeenkomst geldt voor de duur van 60 maanden vanaf 1 januari 2007. Artikel 16.1 bepaalt:

“The Agreement shall enter into force on 1 January 2007 and shall initially remain in force for 60 months, during which period Kortho is expected to purchase a minimum of 2500 print boards.”

2.9.

Nadien is de overeenkomst verlengd. Deze is nog steeds van kracht. Krachtens artikel 16.5 van de overeenkomst kan deze – behoudens de daar genoemde uitzonderingen (zie r.o. 2.1) – alleen door middel van een schriftelijke kennisgeving en met inachtneming van een opzegtermijn van 24 maanden worden beëindigd.

2.10.

Quill heeft in de overeenkomst het exclusieve recht aan Kortho verstrekt om de TP-modellen en de control box te produceren en te verkopen.

2.11.

Artikel 2.2 bepaalt:

“Quill guarantees Kortho that the mentioned CCU boards and functionality of the operating software will work to the appropiate, agreed and published specification with regard to the performance and functionality and undertakes to maintain and keep the software operational. Information on updated versions of the software will be provided to Kortho on an ongoing basis.”

2.12.

Op grond van artikel 4.1 dient Kortho royalties te betalen aan Quill. Deze bedragen 22,5% van de brutomarge per verkocht product.

2.13.

Kortho heeft zich verplicht om de printplaten voor de door haar te produceren TP- en GJ-modellen bij Quill te kopen. Partijen zijn overeengekomen dat Kortho in 2007 een voorschot aan Quill zou verstrekken in de vorm van een renteloze lening op de door haar te betalen royalties in de vorm van een opslag bovenop de kostprijs van GBP 100 per printplaat. De overeenkomst bepaalt hierover:

“3.1 During the term of this Agreement Kortho shall pay the cost price of the main print board that drives the TP-models and the GI-Models. In addition to the cost price Kortho shall pay a surcharge (as –advanced- part of the royalty under clause 4.1 of this Agreement) of (GBP) 100 per board.

(...)

3.4

In relation with clause 3.1 of this Agreement Kortho will pay to Quill during the year 2007 an advance of up to (GBP) 100,000 on the surchage (royalty) over the first 1000 main print boards that Kortho will purchase from Quill under this Agreement. This interest free loan is solely to be used by Quill for the financing of operational expenses that are directly related to the Products under this Agreement.

3.5

In December 2007 an evaluation of Quill’s cash flow position (in relation to the updated expectations for 2008) will take place in order to see whether any new financing will be required and, if so, under which conditions Kortho will be prepared to take care of that financial need of Quill for 2008.

3.6

Kortho has the right to withhold the payment of the surcharge of (GBP) 100 per board under clause 3.1 in order to settle any advances made by Kortho to Quill under the clauses 3.4 and 3.5 of this Agreement. For the period that Quill owes any money to Kortho, Quill will guarantee and be liable for the repayment of this debt, including if necessary the transfer of Quill’s Intellectual Property Rights to Kortho.”

2.14.

In artikel 4.3 bepaalt de overeenkomst:

“The difference between the royalty amount of 22,5% of the total gross Margin and the surcharges paid under clause 3.1 of this Agreement shall be paid by Kortho to Quill on a regular basis within 30 days after the expired reporting quarter.”

2.15.

Artikel 4.4 luidt als volgt:

“Kortho shall keep full accurate records of its production of the TP-models and of the GJ-models (with the CCU-Components incorporated) and of the sale and supply of the same and disclose such records to Quill on its reasonable request.”

2.16.

Verder heeft Kortho aan Quill het exclusieve recht verschaft om de producten in het Verenigd Koninkrijk en Ierland te distribueren. Artikel 6.3 van de overeenkomst luidt:

“Quill has the exclusive right to distribute all Kortho Products, including the new generation of the TP-models and the GJ-models, in the United Kingdom and Eire. Quill wil enjoy the same support and purchase conditions that other exclusive Kortho distributers, including Kortho subsidiaries, do enjoy.”

2.17.

Verder bepaalt artikel 5.2 – voor zover hier van belang:

“Kortho shall be responsible for and bear all costs and expenses in connection with the training of and technical support tot its distributors. (...)”

en artikel 6.1 van de overeenkomst bepaalt:

“Kortho shall be responsible for and bear all costs and expenses in connection with the world wide marketing and distribution of the TP-models en the GJ-models, which will be manufactured by Kortho.”

2.18.

Artikel 7.1 bepaalt:

“The copyrights to the design regarding the TP-model and the CCP-Components (de control box, toevoeging rechtbank) remain with Quill as well as all other intellectual property rights connected with the TP-model and CCU-Components, hardware and software, as of the time entering this Agreement.”

2.19.

Artikel 2.1 luidt als volgt:

“Kortho is entitled to develop any mechanical and other parts for eny GJ-model and is entitled to request changes to any TP-models at any time. Quill is entitled to request changes to any GJ-models or TP-models at any time. Any request for change will follow the agreed process for approval before implementation. Any change will have due regard to EC Compliance, EN standards and model build control. The design authority will remain with the party that requested the modification, provided that the requested design change was satisfactorily implemented without further modification. Quill has an exclusive right to develop electronic components (mainly print boards) and the software to drive and control, the TP-models and GJ-models.”

2.20.

Artikel 12 bevat bepalingen over vertrouwelijkheid en geheimhouding:

“12.1 All information exchanged by the Parties or of which the Parties gain knowledge by virtue of the Agreement shall be deemed confidential irrespective of whether the information is in writing, oral, electronic or in any other form.

12.2

The confidential information may not be passed on to any third party without the Parties’ joint prior written consent, unless the information

a. a) was already known by the party in question at the time when the information was received;

b) is or will be made publically availible in another way than by mistakes made by the party in question;

c) is received from a third party in a lawful manner without the party in question being subject to a duty of confidentiality.”

2.21.

Artikel 16.5 bepaalt – voor zover hier van belang:

“In the event of material breach by one of the Parties of its obligations under this Agreement and provided that the breach is not remedied within 30 days after a demand for remedy has been made, this Agreement may be terminated without notice by the other party.

The following factors are deemed material breach of this Agreement. This list is not exhaustive:

(...)

e. Kortho purchases the main print boards for the TP-models and GJ-models from others than Quill, without the prior written consent of Quill.

Any termination shall be made by registered letter.”

2.22.

Artikel 17 bepaalt:

“17.2 In the event that any dispute between the Parties arises out of or in connection with this Agreement, the Parties shall seek to reach settlement through amicable negotiation.

17.3

In the event that settlement cannot be reached through negotiation, the dispute shall be settled by the ordinary courts, at the choice of the Party not in default.”

2.23.

De (verdere) ontwikkeling van de producten heeft langer geduurd dan voorzien en de kostprijs van de producten is hoger uitgevallen dan verwacht. Gedurende het ontwikkelproces is het ontwerp aangepast, nadat Kortho te kennen had gegeven dat het ontwerp niet aan de verwachtingen van de klanten voldeed en zij had verzocht om een aparte control box te ontwerpen die direct met een touch screen kon worden bediend. Daarnaast is de hardware op verzoek van Kortho aangepast met de toevoeging van een usb-poort.

2.24.

In mei 2008 vond de product launch plaats op de vakbeurs Interpack Exhibition te Düsseldorf. De eerste producten zijn in 2008 verkocht. Nadien zijn de producten verder ontwikkeld.

2.25.

De product hand over – het moment dat de productielijn helemaal was uitontwikkeld – vond plaats op 31 juli 2011. Daarna was de voornaamste behoefte van Kortho gelegen in het ontvangen van de overeengekomen ondersteuning ten aanzien van de software. Dit was de specialiteit van [C] , die deze ondersteuning ook heeft geboden aan Kortho.

2.26.

Medio 2011 is binnen Quill een conflict ontstaan tussen [C] enerzijds en [A] en [B] anderzijds.

2.27.

Een e-mail van 20 juli 2011 van Kortho aan Quill luidt – voor zover van belang – als volgt:

“(...) Kortho needs and therefore demands, the support from Quill and all three managing directors/shareholders, whether they are employed by Quill or not!!!!!!

(...)

As long as Quill is an operational R&D company, with all 3 of you employed Quill can guarantee support only because the 3 of you have the specific knowledge (each of you different) to do so. If one of you leaves the company Quill is no longer able to support Kortho and cannot any longer guarantee the necessary support by the lack of specific know how of the leaving person(s). The 3 of you are not interchangeble and you cannot take over each others’ tasks.

(...)

So, get together, feet on the ground, and talk together .... and solve the situation (I cannot call this situation a problem because it is only a problem if you make it one)”

2.28.

In een e-mail van 20 juli 2011 van Quill ( [A] ) aan Kortho staat – voor zover hier van belang:

“I did inform you a while back that UK law prohibits [C] from working outside Quill i.e. taking what should be Quill’s business.

Hoewever, you still appear to be encouraging [C] to directly work with Kortho.

Please understand this is against UK company law and we cannot break the law!

It is very simple. All we have to do is work the way we agreed when you were in the UK i.e. [C] is contracted through Quill.”

2.29.

In oktober 2011 heeft [C] [Handelsnaam C] ( [Handelsnaam C] ) opgericht.

2.30.

Op 1 november 2011 heeft Quill ( [A] ) aan Kortho geschreven (in een e-mailbericht met onder andere [C] in de cc):

“From an accounting point of view I was asked that payments from Kortho to [C] should still go through Quill books and not direct.

This is because we should have a proper paper trail of invoice etc and although we have stripped to the bone all costs, we still have some fixed costs (e.g. business insurance, storage etc) that should be paid from all earnings.

(...)

For September and October 2011 can you please provide details of monies due to [C] and any monies paid.

We will then raise the appropriate invoice etc.”

2.31.

Hierop heeft [C] later die dag gereageerd in een e-mailbericht aan Kortho waarin hij vraagt om hem rechtstreeks te betalen voor de geboden ondersteuning:

“Last week [A] said it was ok to pay me directly.

Clearly he has changed his mind because Quill are running out of cash.

This business of a paper trail is obviously nonsense – he just wants a different paper trail to the one I want!

I have no faith in [A] that he will pay me of my earnings go through quill because I have not been paid by Quill for 3 months now.

If Quill do pay me, it may be as little as 1/3 of the contract. This is insufficient te redress the financial difficulty I am currently in.”

2.32.

Kortho heeft 350 printplaten gekocht van Quill. Op enig moment is Kortho opgehouden de printplaten voor de producten te kopen bij Quill en is zij deze gaan kopen bij de leverancier van Quill, [X] .

2.33.

De verkoopresultaten van het product in 2011 en 2012 bleven achter bij de verwachtingen van partijen. Gaandeweg ontstond wrijving tussen partijen, die hebben gesproken over het bereiken van een oplossing die onder meer inhield dat Quill haar intellectuele eigendomsrechten aan Kortho zou overdragen. Quill heeft in dat verband een lijst opgesteld van de ‘ip’ die zij aan Kortho ter beschikking zou stellen. Ook heeft zij toen de broncode van haar software geïnstalleerd op de computers van Kortho.

2.34.

Partijen zijn niet tot een regeling gekomen. Quill heeft per e-mail van 18 oktober 2012 aan Kortho gevraagd om te bevestigen dat zij de broncode uit haar systemen heeft verwijderd:

“As the IPR was not ultimately purchased by Kortho, can you please confirm all copies of software sources and development envirement installed by [C] , have been removed.”

2.35.

Kortho heeft daarop niet gereageerd.

2.36.

Bij e-mailbericht van 26 oktober 2012 heeft Kortho aan Quill laten weten dat zij aanspraak maakt op terugbetaling van het (toen) openstaande bedrag van de lening binnen veertien dagen (uiterlijk op 10 november 2012). Op 31 november 2012 heeft zij dit herhaald. Zij heeft daarbij te kennen gegeven dat zij van mening was dat Quill tekortschoot in de nakoming van de overeenkomst omdat het intellectuele eigendomsrecht van de modellen niet bij Quill zou liggen, maar bij [X] .

2.37.

Kortho heeft producten aan Quill geleverd voor verkoop in het Verenigd Koninkrijk. Quill heeft daarop betrekking hebbende facturen onbetaald gelaten.

2.38.

Begin 2013 heeft Kortho het distributeurschap van Quill in het Verenigd Koninkrijk en Ierland beëindigd. Zij heeft eind januari aan Quill geschreven:

“As Quill did not show any (significant) sales results on Kortho products in the UK, Quill is no longer recognized as an exclusive Kortho distributor.”

2.39.

Eind januari 2013 heeft Kortho aan Quill laten weten:

“Independent of Quill we will start a new project to update and improve our KGJ. New electronics (new PCB, etc) and new software !”

2.40.

Kortho heeft intussen een nieuw model, de QiC 30i Thermal Transferprinter (QiC 30i), op de markt gebracht.

2.41.

In 2013 heeft Quill tijdens een bezoek van Kortho haar gehele voorraad Kortho producten geretourneerd.

3 Het geschil

3.1.

Kortho vordert in de hoofdzaak in conventie na wijziging van eis dat bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis

Quill wordt veroordeeld tot betaling van:

A € 796.604,05, vermeerderd met de overeengekomen rente van 6,5% dan wel wettelijke handelsrente over dit bedrag vanaf de datum waarop de gelden zijn uitgeleend, dan wel 26 oktober 2012 dan wel de dag der dagvaarding;

B € 138.951,78, vermeerderd met de overeengekomen rente van 6,5% dan wel wettelijke handelsrente over dit bedrag vanaf de vervaldata van de facturen.

C € 6.775, vermeerderd met wettelijke (handels) rente vanaf de dag der dagvaarding

D de proceskosten;

E € 458.061,91, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van dit vonnis;

F voor recht wordt verklaard dat Quill aansprakelijk is voor de door Kortho geleden schade bestaande uit de gederfde winst ten gevolge van het tekortschieten door Quill in haar verplichtingen om deugdelijke producten te leveren krachtens de tussen partijen gesloten overeenkomst;

G Quill wordt veroordeeld tot betaling aan Kortho van de door Kortho gederfde winst, nader op te maken bij staat.

3.2.

Kortho stelt dat:

- Quill het krachtens artikel 6:38 BW terstond opeisbare openstaande bedrag van de lening dient terug te betalen;

- Quill na het verstrijken van de daarin opgenomen vervaldata in verzuim is met betaling van de facturen, die zij dient te voldoen;

- zij schade lijdt doordat Quill toerekenbaar is tekortgeschoten in de uitvoering van de overeenkomst door:

a. de producten te leveren die niet voldeden aan en functioneerden overeenkomstig de daaraan te stellen eisen en

b. geen support te leveren per 31 juli 2011;

- Quill de contractuele rente van 6,5 % subsidiair wettelijke handelsrente verschuldigd is;

- Quill wanprestatie pleegt door gebrekkige producten te leveren;

- Kortho buitengerechtelijke incassokosten heeft gemaakt.

3.3.

Quill voert verweer in de hoofdzaak in conventie en vordert in de hoofdzaak in reconventie

i. (a) Kortho te verbieden de elektronische componenten of software voor haar TP-modellen en GJ-modellen zelf te ontwikkelen of deze door anderen dan Quill te doen ontwikkelen;

(b) Kortho te verbieden de printplaten ten behoeve van de GJ- en TP-modellen rechtstreeks bij producent [X] of een andere derde in te kopen;

(c) Kortho te verbieden direct of indirect opdrachten te verlenen aan [C] of diens vennootschap [Handelsnaam C] Ltd;

(d) Kortho te verbieden haar TP- en GJ-modellen of delen daarvan te verkopen of ten verkoop aan te bieden of aan te prijzen, voor zover de betreffende modellen elektronische componenten of software bevatten die niet door Quill zijn ontwikkeld, waaronder maar niet beperkt tot de control box van het model QiC 30i;

(e) Kortho te gebieden om binnen veertien dagen na het vonnis aan Quill ter beschikking te stellen de broncode en de software gebruikt voor de nieuwe control box behorende bij het model QiC 30i;

(f) Kortho te gebieden om binnen veertien dagen na het vonnis aan Quill, althans aan een onafhankelijke derde, inzage te verstrekken in haar volledige in- en verkoopadministratie over de periode 2007 tot heden, althans die onderdelen die redelijkerwijs zijn vereist voor Quill om vast te stellen welk bedrag aan winstdelingen haar over die periode toekomt,

een en ander op straffe van een dwangsom van € 15.000 per overtreding en € 15.000 voor iedere dag dat de overtreding voortduurt

voor recht te verklaren dat Kortho is tekortgeschoten in de nakoming van haar verbintenissen uit de overeenkomst met Quill en dat zij is gehouden de door Quill als gevolg van dat tekortschieten geleden schade te vergoeden;

Kortho te veroordelen aan Quill te betalen GBP 215.000 bij wijze van voorschot op vergoeding van door haar geleden schade;

Kortho te veroordelen aan Quill te betalen een vergoeding van de overige door Quill als gevolg van de tekortkomingen in de nakoming van de overeenkomst geleden schade, op te maken bij staat,

een en ander en met veroordeling van Kortho in de kosten.

3.4.

In het incident vordert Quill als voorlopige voorziening bij uitvoerbaar verklaard vonnis:

  1. Kortho te verbieden de elektronische componenten of software voor haar TP-modellen en GJ-modellen zelf te ontwikkelen of deze door anderen dan Quill te doen ontwikkelen;

  2. Kortho te verbieden de printplaten ten behoeve van de GJ- en TP-modellen rechtstreeks bij producent [X] of een andere derde in te kopen;

  3. Kortho te verbieden direct of indirect opdrachten te verlenen aan [C] of diens vennootschap [Handelsnaam C] Ltd;

  4. Kortho te verbieden haar TP- en GJ-modellen of delen daarvan te verkopen of ten verkoop aan te bieden of aan te prijzen, voor zover de betreffende modellen elektronische componenten of software bevatten die niet door Quill zijn ontwikkeld, waaronder maar niet beperkt tot de control box van het model QiC 30i;

  5. Kortho te gebieden om binnen veertien dagen na het vonnis aan Quill ter beschikking te stellen de broncode en de software gebruikt voor de nieuwe control box behorende bij het model QiC 30i;

  6. Kortho te gebieden om binnen veertien dagen na het vonnis aan Quill, althans aan een onafhankelijke derde, inzage te verstrekken in haar volledige in- en verkoopadministratie over de periode 2007 tot heden, althans die onderdelen die redelijkerwijs zijn vereist voor Quill om vast te stellen welk bedrag aan winstdelingen haar over die periode toekomt,

een en ander op straffe van een dwangsom van € 15.000 per overtreding en € 15.000 voor iedere dag dat de overtreding voortduurt en met veroordeling van Kortho in de kosten van het incident.

3.5.

Quill stelt in de hoofdzaak in reconventie en in het incident dat Kortho toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst door:

- inbreuk te maken op het alleenrecht van Quill op haar ontwerpen;

- printplaten voor de modellen van derden te kopen;

- vertrouwelijke informatie aan derden te verstrekken;

- [C] rechtstreeks in te huren;

- niet te voldoen aan haar minimale afname- en verkoopverplichtingen;

- rechtstreeks aan klanten in het Verenigd Koninkrijk te verkopen en Quill te verwijderen als exclusieve distributeur in het Verenigd Koninkrijk en Ierland;

- de GJ-modellen niet te promoten;

- te weigeren te onderhandelen over een minnelijke oplossing van het geschil.

3.6.

Kortho voert verweer in de hoofdzaak in reconventie en in het incident.

4 De beoordeling

in de hoofdzaak

in de hoofdzaak

in conventie en in reconventie

4.1.

Krachtens de daarin vervatte rechtskeuze wordt de overeenkomst beheerst door Nederlands recht.

in conventie voorts

het bezwaar van Quill tegen de eisvermeerdering

4.2.

Het bezwaar van Quill tegen de eisvermeerdering gaat niet op. Quill wijst er terecht op dat hiermee ook de grondslag van de vordering wordt uitgebreid en dat deze grondslag ook reeds in de dagvaarding opgenomen had kunnen worden. Dat is echter onvoldoende om te concluderen dat de eisvermeerdering in strijd is met de goede procesorde. Dit geldt eens temeer als daarbij in aanmerking wordt genomen dat Quill nadien ruimschoots in de gelegenheid is geweest om op deze eisvermeerdering te reageren en ook gebruik heeft gemaakt van deze gelegenheid.

het openstaande bedrag van de lening

4.3.

Niet in geschil is dat Kortho op grond van de overeenkomst geld heeft geleend aan Quill, die gehouden is tot terugbetaling daarvan. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de door Kortho in het geding gebrachte overzichten, berekeningen en andere bescheiden voldoende dat zij in totaal € 938.822,44 heeft uitgeleend aan Quill en dat na verrekening van de royalties (tot 1 november 2013) een openstaand bedrag resteert van € 796.604,05. Quill heeft onvoldoende concreet verweer gevoerd tegen deze gespecificeerde en onderbouwde bedragen, die daarom als vaststaand worden aangenomen.

4.4.

Kern van het geschil over de lening is of het openstaande bedrag opeisbaar is, zoals Kortho stelt. Beslechting van dit geschilpunt vergt uitleg van de relevante bepalingen van de overeenkomst. Uit de overeenkomst blijkt dat de lening aan Quill uit twee delen bestaat:

  1. GBP 100.000 in de vorm van een opslag op de kostprijs van de eerste 1000 door Kortho van Quill gekochte printplaten als te verrekenen voorschot op de aan Quill toekomende royalties (artikel 3.1, 3.4 en 4.1) en

  2. nieuwe financiering naar aanleiding van een evaluatie van de liquiditeitspositie van Quill in december 2007 (artikel 3.5).

4.5.

Nu in artikel 3.5 wordt gesproken over “new financing” en daarin is bepaald dat Kortho zal bezien onder welke condities zij bereid is om Quill te financieren is deel ii) van de lening in redelijkheid niet anders te verstaan dan als een apart, van deel i) te onderscheiden deel van de lening. Hoewel beide leningdelen hetzelfde doel dienen van financiering van Quill gedurende de verdere ontwikkeling en samenwerking, zijn geen aanknopingspunten gesteld of gebleken op grond waarvan kan worden geoordeeld dat partijen hebben beoogd dat deel ii) van de lening net als deel i) zonder meer in de vorm van een voorschot op de royalties werd verstrekt. Dat geldt eens temeer nu in artikel 3.5 staat dat partijen zullen bezien onder welke condities de nieuwe financiering zal worden verstrekt. Een voorschot is een bijzondere vorm van financiering die in de regel wordt vormgegeven als een lening. Zonder nadere – andersluidende – afspraak dient als uitgangspunt te gelden dat het in artikel 3.5 opgenomen deel ii) van de lening aanvullende financiering betreft in de vorm van een reguliere lening, bovenop het voorschot op de royalties van GBP 100.000.

4.6.

Vaststaat dat Kortho 350 printplaten heeft afgenomen en dat zij in 2007 meer dan GBP 100.000 heeft geleend aan Quill (GBP 230.000). Mede gezien het in r.o. 4.5 gegeven oordeel over de overeengekomen wijze waarop Kortho financiering zou verstrekken houdt een redelijke uitleg van de overeenkomst naar het oordeel van de rechtbank in dat GBP 100.000 van het in 2007 aan Quill geleende bedrag geldt als deel i) van de lening (het voorschot op de royalties) en dat de rest van het in 2007 en de daaropvolgende jaren verstrekte bedrag aanvullende financiering betreft in de vorm van een reguliere lening.

4.7.

Quill wijst er terecht op dat partijen niet eind 2007, na een jaar, de samenwerking hebben geëvalueerd zoals vermeld staat in artikel 3.5. Haar in verband hiermee ontwikkelde betoog dat er (dus) nooit een cesuur is geweest bij GBP 100.000 gaat eraan voorbij dat deze cesuur al in de overeenkomst is vastgelegd. Anders dan het bereiken van de grens van GBP 100.000 kan het in artikel 3.5 genoemde evalueren niet als constitutief vereiste worden aangemerkt voor het intreden van deze cesuur. Dit argument van Quill doet dus niet af aan de hiervoor getrokken conclusie dat de financiering die de eerste GBP 100.000 in de vorm van een voorschot te boven gaat, is verstrekt in de vorm van een reguliere lening.

4.8.

Het verweer van Quill dat de enige redelijke uitleg van de overeenkomst luidt dat de gehele lening – en niet alleen het voorschot van GBP 100.000 – moest worden terugbetaald uit de royalties stuit af op het voorgaande. Quill heeft wel het gelijk aan haar zijde met haar standpunt dat de overeenkomst alleen een terugbetalingsregeling bevat voor het voorschot op de aan Quill toekomende royalties (verrekend met de royalties bij verkoop). Voor terugbetaling van deel ii) van de lening bevat de overeenkomst geen regeling. Gesteld noch gebleken is dat partijen aanvullend een regeling over terugbetaling van dit deel van de lening overeen zijn gekomen. Dit betekent dat – zoals Kortho bij brief van 26 oktober 2012 heeft gedaan door terugbetaling op 10 november 2012 te vragen – terstond nakoming kan worden gevorderd op de voet van artikel 6:38 BW, waarbij de schuldenaar zoveel tijd moet worden gelaten als hij redelijkerwijs voor het verrichten van de prestatie nodig heeft. Niet betwist is dat meer tijd nodig was voor de door Kortho gevraagde terugbetaling van het openstaand bedrag van de lening.

4.9.

Quill heeft ook het gelijk aan haar zijde met haar standpunt dat zij geen rente over deze (aanvullende) lening verschuldigd is, aangezien partijen dit nooit (aanvullend) zijn overeengekomen. Nadat Quill had aangevoerd dat Kortho deze rente op enig moment eenzijdig in haar overzichten is gaan verwerken, heeft Kortho gesteld dat zij in overleg met Quill 6,5% rente is gaan berekenen. Zij heeft deze stelling echter op geen enkele manier geconcretiseerd of onderbouwd. Aan bewijslevering van het door Kortho gestelde in overleg gaan berekenen van rente wordt daarom niet toegekomen.

4.10.

Gezien het voorgaande heeft als uitgangspunt te gelden dat Kortho op een gegeven moment eenzijdig 6,5% rente is gaan opnemen in de door haar aan Quill verstrekte overzichten. Quill erkent dat zij destijds nooit veel aandacht heeft besteed aan de met enige frequentie door Kortho aan haar toegezonden overzichten. Het enkele stilzitten van Quill is onvoldoende om te kunnen aannemen dat Quill stilzwijgend instemde met deze rente. Wel is Quill de subsidiair gevorderde wettelijke handelsrente verschuldigd.

4.11.

Het voorgaande en het gegeven dat reeds meer dan GBP 100.000 is verrekend met royalties leidt tot de conclusie dat het openstaande bedrag van de lening vermeerderd met wettelijke handelsrente opeisbaar is vanaf 10 november 2012.

4.12.

Anders dan Quill heeft aangevoerd is de opeisbaarheid van het openstaande bedrag van de lening niet in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

4.13.

Een aantal van de door Quill genoemde omstandigheden betreft verwijten die – zoals hierna bij de beoordeling in reconventie zal blijken – ongegrond zijn. Verder wordt het door Kortho genoemde profiteren van de door Quill ontwikkelde methode ondervangen door het hierna in reconventie te geven oordeel over de door Quill gestelde inbreuk op haar contractuele alleenrecht op haar ontwerpen. Deze gestelde omstandigheden kunnen Quill in dit verband dus niet baten.

4.14.

Quill stelt verder dat door het opeisen van het openstaande bedrag van de lening dat de financiële consequenties van de tegenvallende verkopen volledig voor rekening van Quill komen, terwijl Kortho juist degene was die voor verkoop moest zorgen. Dit argument legt ten onrechte de oorzaak van het mislukken van de samenwerking en de tegenvallende resultaten geheel bij Kortho. Dat strookt niet met de feiten, die veeleer laten zien dat de samenwerking anders is verlopen dan partijen hadden gehoopt en verwacht en dat beide partijen een aandeel hebben gehad in het ontstaan en het verloop van het conflict.

4.15.

Dit argument gaat er ook aan voorbij dat het risico van mislukking en/of tegenvallen van verwachte resultaten inherent is aan de samenwerking zoals partijen zijn aangegaan, met verdere ontwikkeling en vermarkting van een prototype. Nu de financiële bijdrage van Kortho was vormgegeven als lening – en niet bijvoorbeeld als participatie – was inherent aan de gemaakte afspraken dat bij mislukken van de samenwerking of tegenvallen van de resultaten het door Kortho aan Quill geleende bedrag moest worden terugbetaald en dus dat de financiële consequenties in dat geval voor rekening van Quill kwamen. Dat is geen omstandigheid die Quill in dit verband kan baten, ook niet als zij, zoals zij stelt, niet de middelen heeft om de lening terug te betalen. Dit geldt eens temeer als in ogenschouw wordt genomen dat Quill nog altijd beschikt over het in artikel 2.1 overeengekomen exclusieve recht en Kortho hierna in reconventie schadeplichtig wordt bevonden voor schending daarvan.

4.16.

De slotsom van het voorgaande luidt dus dat de vordering tot betaling van het openstaande bedrag van de lening opeisbaar is. Het beroep van Quill op opschorting van haar verplichting tot nakoming wordt hierna besproken, na de beoordeling in reconventie.

in conventie voorts en in reconventie

4.17.

Het juiste en actuele openstaande bedrag van de openstaande lening moet nog worden vastgesteld. Op grond van artikel 4.4 van de overeenkomst is Kortho gehouden aan Quill de door haar gewenste inzage te verlenen in haar verkoopadministratie. De daartoe strekkende vordering van Quill (onder i) sub f)) wordt toegewezen. Na deze inzage kunnen partijen het juiste en actuele bedrag van de openstaande lening vaststellen.

4.18.

De rechtbank ziet in het voorgaande grond om Quill ter zake van haar tekortkoming in de nakoming van haar verplichting tot terugbetaling van de lening te veroordelen tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat in plaats van tot betaling van het in haar vordering onder A genoemde bedrag.

in conventie voorts

de openstaande facturen

4.19.

Niet in geschil is dat Quill facturen van Kortho voor aan Quill geleverde producten voor verkoop in het Verenigd Koninkrijk onbetaald heeft gelaten. Deze facturen hebben een betalingstermijn van 30 dagen. Na de betwisting door Quill van de verschuldigdheid van de facturen, heeft Kortho de facturen en de pakbonnen ter griffie gedeponeerd. Quill heeft hierop niet gereageerd, zodat het door Kortho gevorderde bedrag voor juist moet worden gehouden. Gezien het hiervoor daarover gegeven oordeel is Quill geen rente van 6,5% verschuldigd over dit bedrag, wel de subsidiair gevorderde wettelijke handelsrente vanaf de vervaldata van de facturen. Het door Kortho in het geding gebrachte overzicht van de facturen waarop haar vordering ziet, waarin de vervaldata worden genoemd, wordt daarom aan dit vonnis gehecht.

4.20.

Kortho heeft op haar beurt niet gereageerd op het verweer van Quill dat Kortho ten onrechte geen rekening houdt met de door Quill gemaakte marketing kosten van GBP 12.016 en kosten van support van GBP 84.962, die op grond van artikel 5 van de overeenkomst voor rekening van Kortho komen. De rechtbank vat de verwijzing naar deze door Kortho verschuldigde bedragen op als een beroep op verrekening met het openstaande factuurbedrag. Nu Kortho niet betwist dat zij deze kosten verschuldigd is, kan Quill deze bedragen (van in totaal GBP 96.978) verrekenen. De rechtbank zal dit in het dictum verwerken bij toewijzing van de vordering onder B.

wanprestatie Quill ?

4.21.

De rechtbank komt nu toe aan bespreking van de door Kortho gestelde wanprestatie van Quill, bestaande uit het leveren van gebrekkige producten. De stelplicht en de bewijslast daarvan rusten op Kortho, van wie kan worden verwacht dat zij haar verwijten voldoende concretiseert en onderbouwt.

4.22.

Kortho wijst op het feit dat het ontwikkelingsproces langer heeft geduurd dan voorzien. Quill heeft daarover onweersproken gesteld dat dit mede te wijten was aan aanvullende eisen van Kortho en veranderingen die Kortho voorstelde – waartoe Kortho op grond van artikel 2.2 van de overeenkomst overigens toe gerechtigd was. Niet valt in te zien hoe dit kan worden aangemerkt als een tekortkoming van Quill.

4.23.

Kortho stelt verder in algemene termen dat de producten niet voldeden en dat “Geen van de door Quill ontwikkelde producten voldeden aan de CE standards en aan EMC, ROHSS en WEEE richtlijnen.” Zonder nadere concretisering, die ontbreekt, kan de rechtbank dit niet vaststellen, ook niet aan de hand van de omvangrijke overzichten met klachten en gebreken die Kortho heeft overgelegd. Van Kortho kon worden verwacht dat zij aan de hand van de overeengekomen specificaties waarnaar wordt verwezen in de overeenkomst en de aanvullende eisen en wijzigingen die partijen hebben doorgevoerd gedurende de looptijd van de overeenkomst, concreet aanduidt wat niet conform de afspraken tussen partijen was. De memo’s en lijsten met gebreken en klachten die zij in het geding heeft gebracht volstaan in dit verband niet, nu iedere (toelichting op de) relatie tussen deze gebreken met de overeengekomen (en gewijzigde) specificaties en eisen ontbreekt. Dat klemt temeer nu het als een feit van algemene bekendheid kan worden beschouwd dat een nieuw ontwikkeld product in de eerste fase ‘kinderziektes’ hebben, die niet onmiddellijk betekenen dat het product niet aan de in de overeenkomst bedoelde specificaties voldoet. Juist om die reden zijn partijen ook ondersteuning door Quill overeengekomen.

4.24.

Tot slot kan de verwijzing van Kortho naar de ontevredenheid van haar klanten, die zouden hebben gevonden dat de producten niet aan de verwachtingen voldeden, haar niet baten, aangezien op geen enkele manier blijkt dat de tevredenheid van de klanten en hun – niet nader gespecificeerde – verwachtingen deel uitmaakten van de door partijen overeengekomen specificaties.

4.25.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vordering onder E tot en met G van Kortho voor afwijzing gereed ligt.

In conventie en reconventie voorts

inhuren door Kortho van [C] voor ondersteuning

4.26.

Kortho verwijt Quill dat zij de overeengekomen ondersteuning niet heeft geboden, en Quill verwijt op haar beurt Kortho dat zij in strijd met de overeenkomst [C] heeft ingehuurd voor het bieden van ondersteuning.

4.27.

Niet in geschil is dat alle drie de oprichters/bestuurders van Quill ieder een eigen taak en expertise hadden. [C] was de aangewezen persoon voor het leveren van de overeengekomen ondersteuning door Quill na de product hand over op 31 juli 2011. Partijen zijn het erover eens dat de overeengekomen ondersteuning juist nodig was na de product hand over. Juist toen is het conflict ontstaan binnen Quill tussen [C] enerzijds en [A] en [B] anderzijds.

4.28.

Uit de in het geding gebrachte correspondentie, in het bijzonder de in r.o. 2.27 geciteerde passages, leidt dat rechtbank af dat Kortho zich destijds op het standpunt heeft gesteld dat Quill moest zorgen voor ondersteuning en Quill heeft aangespoord om een oplossing te zoeken voor het binnen haar bedrijf gerezen geschil. Ondertussen bood [C] feitelijk ondersteuning aan Kortho. Quill wist dit, benadrukte dat dit via Quill moest gebeuren en gaf te kennen dat het Kortho niet was toegestaan om buiten Quill om [C] in te huren. In november 2011 werd gesproken over de wijze waarop [C] moest worden betaald, rechtstreeks of via Quill. Uit de in r.o. 2.30 geciteerde mail blijkt dat Quill op enig moment had ingestemd met directe betaling aan [C] , maar daarna vanwege de paper trail en de vaste kosten stelde dat betaling via Quill moest lopen.

4.29.

De stelling van Kortho dat Quill in augustus 2011 geen ondersteuning meer bood strookt niet met deze feiten. Daaruit blijkt dat [C] , de daarvoor binnen Quill aangewezen persoon, de ondersteuning feitelijk leverde, ook na augustus 2011, en er eind november 2011 nog werd gesproken over het al dan niet via Quill laten lopen van betaling daarvoor. Niet kan dus worden volgehouden dat Quill de ondersteuning in augustus 2011 heeft gestaakt.

4.30.

Dat [A] in een interne e-mail binnen Quill te kennen heeft gegeven dat Quill vanwege het gerezen conflict met Kortho zou moeten stoppen met het leveren van ondersteuning en aankondigt dit te zullen gaan schrijven aan Kortho, maakt het voorgaande niet anders. Niet blijkt dat Quill dit daadwerkelijk aan Kortho heeft laten weten. En, ook als dat wel zou zijn gebeurd, blijft overeind dat [C] de ondersteuning feitelijk heeft geleverd terwijl Quill steeds aanspraak heeft gemaakt op betaling voor zijn diensten.

4.31.

De stelling van Quill dat Kortho in strijd met de overeenkomst [C] heeft ingeschakeld voor de ondersteuning na de product hand over strookt evenmin met de feiten. Quill zou de ondersteuning in de persoon van [C] bieden. Zij wist ook dat [C] die ondersteuning feitelijk bood aan Kortho toen dat onbetwist nodig was en maakte aanspraak op betaling daarvoor. Daarmee kan niet worden gezegd dat Kortho geheel buiten Quill om iemand anders heeft ingeschakeld voor de overeengekomen ondersteuning.

4.32.

Quill licht nog toe dat zij op enig moment met het oog op de toen aanstaande verkoop van haar onderneming aan Kortho, waarover partijen toen spraken, heeft toegestaan dat [C] werkzaamheden voor Kortho verrichtte, doch dat zij bleef aandringen op facturering via Quill. Deze toelichting leidt niet tot een ander oordeel.

4.33.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat deze verwijten over en weer geen doel treffen. Reeds hierom liggen de hierop gebaseerde vorderingen voor afwijzing gereed.

in reconventie voorts

inbreuk op het alleenrecht van Quill op haar ontwerpen

4.34.

Quill stelt dat Kortho tekortschiet in de nakoming van de artikelen 2.1, 7.1 en 12.2 van de overeenkomst, door:

  1. gebruik te maken van anderen dan Quill voor de ontwikkeling en het onderhoud van de software voor de producten,

  2. zelf en/of met behulp van derden een nieuwe control box te ontwerpen, model QiC 30i en de verdere ontwikkeling van de GJ-modellen buiten Quill om ter hand te nemen;

  3. inbreuk te maken op de auteursrechten van Quill door gebruik te maken van de broncode van de software van Quill.

4.35.

Het inschakelen van [C] voor de ondersteuning is hiervoor behandeld. Quill heeft haar verwijt dat [C] daarbij inbreuk heeft gemaakt op de gestelde intellectuele eigendomsrechten van Quill niet geconcretiseerd. Datzelfde geldt voor de stelling van Quill dat [C] bij het bieden van ondersteuning informatie heeft verkregen van Kortho die binnen de reikwijdte van artikel 12.2 van de overeenkomst valt. Deze verwijten treffen dus geen doel.

4.36.

De door Kortho gemotiveerd betwiste stellingen van Quill over (schending van) aan haar toekomende intellectuele eigendomsrechten zijn onvoldoende geconcretiseerd en onderbouwd. Deze stellingen kunnen dus geen doel treffen. Wel treft het verwijt van Quill over schending van artikel 2.1 van de overeenkomst doel. De rechtbank licht dat als volgt toe.

4.37.

Uit haar in r.o. 2.39 bedoelde bericht blijkt dat Kortho de verdere ontwikkeling van de GJ-modellen ter hand heeft genomen met hulp van derden. Kortho spreekt immers van een “new project to update and improve our KGJ”. Kortho voert aan dat artikel 2.1 van de overeenkomst haar het recht gaf om het GJ-model verder te ontwikkelen en betoogt dat Quill blijkens haar eigen stellingen al sinds 2013 wist dat Kortho haar KGJ model zou ontwikkelen met een nieuwe control box en nieuwe software. Met haar standpunt gaat Kortho echter ten onrechte voorbij aan de inhoud van artikel 2.1 van de overeenkomst. Daarin staat dat Kortho bevoegd is om het GJ-model verder te ontwikkelen voor zover het gaat om de mechanische en andere delen. Uit hoofde van artikel 2.1 heeft Quill echter het exclusieve recht om de elektronische componenten en de software van het aansturingssysteem van het GJ-model (verder) te ontwikkelen. Met haar verweer heeft Kortho dus onvoldoende gemotiveerd betwist dat zij dit contractuele recht van Quill heeft geschonden bij het verder ontwikkelen van het (K)GJ-model. Als vaststaand dient dus te worden aangenomen dat Kortho het in artikel 2.1 neergelegde exclusieve recht van Quill heeft geschonden om de elektronische componenten en de software van het aansturingssysteem van het GJ-model (verder) te ontwikkelen. Kortho heeft verder onvoldoende gemotiveerd betwist dat het model QiC 30i het resultaat is van haar “new project to update and improve our KGJ”. Kortho is hiermee toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst die aan Quill het exclusieve recht geeft om de elektronische componenten en de software van het aansturingssysteem van het GJ-model verder te ontwikkelen. Zij dient de schade die Quill daardoor heeft geleden te vergoeden. De precieze omvang van deze tekortkoming en daarmee van de schade dient in een eventuele schadestaat procedure te worden vastgesteld.

4.38.

De rechtbank komt nu toe aan bespreking van het verwijt over ongeoorloofd gebruik van de broncode. Gesteld noch gebleken is dat Kortho enig recht kan doen gelden ten aanzien van de broncode van Quill. Vaststaat dat Quill de broncode van de producten heeft geïnstalleerd bij Kortho toen partijen eind 2012 spraken over een minnelijke regeling, waarbij Kortho de broncode zou kopen van Quill. Kortho heeft tijdens deze gesprekken vraagtekens gesteld bij de vraag of de broncode auteursrechtelijke bescherming genoot en betwist dat nu. Ook zonder deze bescherming, had Kortho de broncode moeten verwijderen uit haar systemen en was zij niet gerechtigd deze te gebruiken, in ieder geval niet na het mislukken van de onderhandelingen. Gezien de omstandigheden waaronder de broncode van Quill bij Kortho is geïnstalleerd, is het eventueel toegestane gebruik daarvan door Kortho namelijk onlosmakelijk verbonden met het treffen van de regeling waarover partijen spraken. Toen de onderhandelingen mislukten had Kortho de broncode uit haar systeem moeten verwijdere en eindigde haar recht om de broncode te gebruiken, als dat al bestond. Dit betekent dat Quill op 18 oktober 2012 Kortho slechts wees op een toen bestaande onrechtmatige toestand. Kortho heeft niet weersproken dat de broncode nog altijd op haar computers geïnstalleerd is en dat deze is en wordt gebruikt.

4.39.

Gebruikmakend van haar bevoegdheid om de rechtsgronden ambtshalve aan te vullen stelt de rechtbank op grond van het voorgaande vast dat Kortho uit hoofde van onrechtmatige daad aansprakelijk is jegens Quill voor de schade die Quill lijdt als gevolg van het na het stuklopen van de onderhandelingen niet verwijderen en het (blijven) gebruiken van de broncode. De gevorderde verklaring voor recht moet eveneens geacht worden te zien op deze grondslag voor schadevergoeding en zal dus worden toegewezen. De schade dient in een eventuele schadestaatprocedure te worden begroot.

4.40.

De op de voorgaande verwijten gebaseerde reconventionele vorderingen strekkende tot een verklaring voor recht en veroordeling tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat dienen te worden toegewezen, met dien verstande dat de wanprestatie de (verdere) ontwikkeling van de elektronische componenten en de software van het aansturingssysteem van het GJ-model betreft en de schadeplichtigheid met betrekking tot het gebruik van de broncode is gebaseerd op onrechtmatige daad. De vordering onder i) sub (e) ligt als niet weersproken voor toewijzing gereed.

4.41.

Voor toewijzing van de algemeen geformuleerde en zeer verstrekkende verbodsvorderingen sub i) onder (c) en (d) bestaat geen grond. De overeenkomst noch het vastgestelde onrechtmatig handelen geven daar grondslag voor. Voor het onder (c) gevraagde verbod geldt verder dat Quill de door haar gestelde strijd met Britse vennootschapsrechtelijke bepalingen onvoldoende concreet heeft toegelicht en onderbouwd.

Verder geldt dat voor zover [C] en/of zijn vennootschap in opdracht van Kortho de hierboven met de overeenkomst strijdige werkzaamheden uitvoeren, dat is begrepen in het toe te wijzen verbod om elektronica en software van de GJ-modellen anders dan door Quill verder te laten ontwikkelen.

4.42.

Nu vaststaat dat Kortho schadeplichtig is en aannemelijk is dat Quill schade heeft geleden, zal de rechtbank de vordering tot betaling van een voorschot toewijzen. Er zijn echter onvoldoende aanknopingspunten om te oordelen dat de door Kortho te vergoeden schade minimaal het gevorderde voorschotbedrag van GBP 215.000 zal bedragen, temeer daar dit bedrag op veel meer verwijten is gebaseerd. De rechtbank zal daarom het bedrag van het voorschot bepalen op € 50.000.

4.43.

Nu tot slot gesteld noch gebleken is dat het verwijt dat Kortho profiteert van de wanprestatie van [C] jegens Quill tot een ander resultaat leidt dan het voorgaande, kan dit verwijt onbesproken blijven.

bij derden kopen van printplaten voor de modellen

4.44.

Vaststaat dat Kortho na 31 juli 2011 printplaten voor de producten is gaan afnemen bij de leverancier van Quill, [X] . Kortho heeft uiteengezet dat Quill de printplaten zelf niet meer kon afnemen bij [X] omdat zij haar verplichtingen jegens [X] niet meer nakwam. Quill kon daardoor de printplaten niet leveren aan Kortho. Quill heeft dit niet weersproken. Deze feiten dragen de daaraan door Kortho verbonden conclusie dat Quill in schuldeisersverzuim verkeerde. Dit verwijt slaagt dus niet.

4.45.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat Quill de printplaten tegen kostprijs zou leveren. Haar relevante nadeel is voor 2007 gelegen in het mislopen van de opslag over de elders gekochte printplaten. Gezien de beoordeling in conventie, die ervan uitgaat dat GBD 100.000 van het in 2007 aan Quill geleende bedrag het in de vorm van deze opslag overeengekomen voorschot is op de royalties, lijdt Quill geen nadeel.

4.46.

De op dit verwijt gebaseerde reconventionele vorderingen (onder i) sub b) en onder ii), iii) en iv)) liggen voor afwijzing gereed.

niet voldoen aan de minimale afname- en verkoopverplichtingen

4.47.

Een redelijke uitleg van de in artikel 16.1 opgenomen zinsnede waarop Quill zich beroept – “ during which period Kortho is expected to purchase a minimum of 2500 of the main print boards” – houdt in dat partijen hier een gedeelde verwachting formuleren over het door Kortho af te nemen aantal printplaten in de eerste 60 maanden van de overeenkomst. Dat geldt ook als de door Quill geformuleerde vertaling wordt aangehouden die luidt “van Kortho wordt verwacht dat zij...”.

4.48.

De rechtbank neemt bij dit oordeel de aard en inhoud van de overeenkomst in aanmerking: partijen hebben afspraken gemaakt over verdere ontwikkeling en vermarkting van het door Quill ontwikkelde prototype. Er zijn geen aanknopingspunten gesteld of gebleken op grond waarvan kan worden geoordeeld dat partijen bij het aangaan van de overeenkomst meer dan een op de toen geldende inzichten en aannames gebaseerde verwachting konden uitspreken over aantallen door Kortho af te nemen printplaten. Mede gezien de onzekerheid die inherent is aan de verdere ontwikkeling en het in de markt zetten van een nieuw product, kan deze expliciet als verwachting geformuleerde zinsnede in redelijkheid niet worden opgevat als een minimale afnameverplichting binnen de eerste 60 maanden van de looptijd van de overeenkomst. Dat geldt ook als de door Quill voorgestane dwingendheid van de verwachting in aanmerking wordt genomen.

4.49.

De overeenkomst bevat geen enkele bepaling over aantallen door Kortho te verkopen producten. Nu de printplaten nodig zijn voor de productie door Kortho van de door haar te verkopen producten, is er onmiskenbaar een verband tussen de in artikel 16.1 neergelegde verwachting van het aantal af te nemen printplaten en het aantal te verkopen producten. Ook daarvoor geldt dat het een verwachting is, geen resultaatsverbintenis voor Kortho om voor 1 januari 2012 2500 producten te verkopen.

4.50.

Kortho heeft erkend dat zij in 2007 op basis van toen door haar gedane aannames over de gangbare prijzen en de kostprijs de verwachting heeft uitgesproken jaarlijks 600 TP-modellen en 600 GJ-modellen te kunnen verkopen. Kortho heeft ook onweersproken naar voren gebracht dat deze aannames zijn ‘ingehaald’ door de hoger uitvallende kostprijzen. Los daarvan geldt voor deze verwachting hetzelfde als voor de in artikel 16.1 opgenomen verwachting.

4.51.

De op dit verwijt gebaseerde vorderingen (onder ii) tot en met iv)) worden dan ook afgewezen.

rechtstreeks aan klanten in het Verenigd Koninkrijk verkopen en Quill verwijderen als exclusieve distributeur in het Verenigd Koninkrijk en Ierland

4.52.

Kortho betwist niet dat zij rechtstreeks aan klanten in het Verenigd Koninkrijk producten heeft verkocht en voert aan dat Quill door niet of nauwelijks omzet te genereren in het Verenigd Koninkrijk en de openstaande facturen niet te voldoen in schuldeisersverzuim verkeert. Kortho verweert zich verder tegen dit verwijt door aan te voeren dat het juist Quill is die in 2013 de gehele voorraad Kortho-producten heeft geretourneerd en die het exclusieve distributeurschap onmiddellijk beëindigde.

4.53.

In conventie is reeds vastgesteld dat Quill facturen onbetaald heeft gelaten en is Quill veroordeeld tot betaling daarvan. De oudste factuur dateert van 11 april 2007. Quill was (steeds) 30 dagen na de factuurdatum in verzuim. Daarmee verkeerde zij reeds geruime tijd in verzuim toen Kortho in september/oktober 2012 klanten in het Verenigd Koninkrijk rechtstreeks benaderde. Niet blijkt dat Kortho dit (ook) eerder had gedaan. Onduidelijk is voorts wanneer Quill de met de openstaande facturen van Kortho te verrekenen kosten heeft gefactureerd aan Kortho. Er is geen reden om te veronderstellen dat zij dit reeds had gedaan voordat Quill in verzuim was komen te verkeren met betaling van de (vele) facturen van Kortho. Dit geldt eens temeer daar de facturen van Kortho betrekking hadden op de levering van producten. Dat gaat vooraf aan de marketing en support waar de verrekende kosten van Quill betrekking op hebben.

4.54.

Kortho heeft dus het gelijk aan haar zijde met haar standpunt dat Quill in schuldeisersverzuim verkeerde. Dit staat in de weg aan toewijzing van dit onderdeel van de vordering. De andere geschilpunten daarover kunnen onbesproken blijven.

Kortho heeft de GJ-modellen niet gepromoot

4.55.

Quill stelt dat zij inkomsten misloopt omdat Kortho – anders dan de door haar uitgesproken verwachting bij het aangaan van de overeenkomst – de GJ-modellen in het geheel niet in de markt heeft gezet, waardoor Quill inkomsten misloopt.

4.56.

Kortho heeft toegelicht dat haar prioriteit lag bij het in de markt zetten van de TP-modellen. Zij heeft verder onweersproken toegelicht dat de kostprijs van het GJ-model uiteindelijk dusdanig hoog uitviel dat dit niet concurrerend in de markt kon worden gezet. Zonder nadere toelichting – die ontbreekt – valt onder deze omstandigheden niet in te zien hoe Kortho een verwijt treft aangaande het niet in de markt zetten van de GJ-modellen.

4.57.

Los van het voorgaande kan deze verwachting – zoals hiervoor is overwogen – niet leiden tot wanprestatie van Kortho. Dit verwijt treft dus geen doel en de daarop gebaseerde vorderingen dienen te worden afgewezen.

Kortho weigert te onderhandelen over een minnelijke oplossing van het geschil.

4.58.

Quill verwijt Kortho overtreding van artikel 17 van de overeenkomst, bestaande uit het aanhangig maken van deze procedure zonder eerst met Quill te trachten een minnelijke regeling te bereiken. Dit verwijt gaat niet op. De kennelijk strekking van artikel 17 van de overeenkomst is dat pas een procedure aanhangig wordt gemaakt nadat partijen tevergeefs hebben getracht hun geschil in een minnelijke regeling op te lossen. De rechtbank stelt vast dat partijen eind 2011 tevergeefs hebben getracht tot een minnelijke regeling te komen. Uit de in het geding gebrachte correspondentie blijkt dat partijen daarna, onder meer begin 2012, standpunten hebben uitgewisseld over het tussen hen gerezen geschil en daarbij hebben een oplossing hebben bezien. Vervolgens heeft Kortho deze procedure aanhangig gemaakt. Hangende de procedure hebben partijen opnieuw herhaald getracht tot een minnelijke regeling te komen: voorafgaand aan en tijdens de comparitie van partijen, in de daarna gelegen periode en vervolgens direct voorafgaand en tijdens het pleidooi hebben zij tevergeefs getracht tot een minnelijke regeling te komen.

in conventie voorts

opschortingsrecht Quill

4.59.

De rechtbank komt nu toe aan beoordeling van het beroep van Quill op een haar toekomend opschortingsrecht. Dit gaat niet op, nu uit het voorgaande volgt dat Kortho niet in verzuim verkeerde toen zij op 26 en 30 oktober 2012 Quill sommeerde tot terugbetaling van het openstaande bedrag van de lening en toen vanaf 2007 de verplichting van Quill ontstond om de facturen van Kortho te voldoen waarvan nu betaling wordt gevoerd.

wijziging overeenkomst

4.60.

Tot slot ziet de rechtbank geen grond voor de door Quill gevraagde wijziging van de overeenkomst vanwege onvoorziene omstandigheden bestaande uit – kort gezegd – het anders verlopen van de samenwerking dan partijen allebei hadden verwacht en het tegenvallen van de resultaten. Zoals hiervoor reeds is overwogen is het mogelijk mislukken van de samenwerking en/of het tegenvallen van de resultaten inherent aan een samenwerkingsovereenkomst zoals partijen die hebben gesloten, waarbij een prototype verder wordt ontwikkeld en vermarkt. Er zijn overigens geen onvoorziene omstandigheden gesteld of gebleken die voldoende grond geven voor aanpassing van de overeenkomst.

in reconventie

dwangsom

4.61.

De gevorderde dwangsom op naleving van de geboden en verboden ligt als niet weersproken voor toewijzing gereed. De rechtbank ziet wel grond om de dwangsom te maximeren tot € 100.000 en te bepalen dat de dwangsom vatbaar is voor rechterlijke matiging.

in conventie en in reconventie voorts

buitengerechtelijke kosten

4.62.

De vordering tot betaling van buitengerechtelijke kosten wordt afgewezen, nu onvoldoende blijkt van kosten die niet in een proceskostenveroordeling plegen te worden verdisconteerd.

proceskosten

4.63.

Nu partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld zullen de proceskosten in conventie en in reconventie worden gecompenseerd.

in conventie voorts

uitvoerbaarheid bij voorraad

4.64.

Nu het openstaande bedrag van de lening nog moet worden vastgesteld – zodat de daarop betrekking hebbende vordering wordt afgewezen – en Quill het openstaande factuurbedrag (grotendeels) kan verrekenen, heeft zij geen belang bij haar verzet tegen de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad.

in het incident

4.65.

De incidentele vorderingen worden bij gebrek aan belang afgewezen; zij zijn identiek aan de vordering in reconventie onder i) die hiervoor is beoordeeld en behoeven geen aparte beoordeling. Gelet hierop en nu geen extra conclusies in het incident zijn genomen, worden de proceskosten in het incident op nihil gesteld.

5 De beslissing

De rechtbank,

in conventie

5.1.

veroordeelt Quill ter zake van haar tekortkoming in de nakoming van haar verplichting tot terugbetaling van het openstaande bedrag van de lening tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

5.2.

veroordeelt Quill tot betaling van € 138.951,78, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over dit bedrag vanaf de vervaldata van de facturen (waarvan een

overzicht aan dit vonnis is gehecht) en verminderd met GBP 96.978;

in reconventie

5.3.

verbiedt Kortho de elektronische componenten of software voor haar TP-modellen en GJ-modellen zelf te ontwikkelen of deze door anderen dan Quill te doen ontwikkelen;

5.4.

gebiedt Kortho om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis aan Quill ter beschikking te stellen de broncode en de software gebruikt voor de nieuwe control box behorend bij het model QiC30i;

5.5.

gebiedt Kortho om binnen veertien dagen betekening van het vonnis aan Quill inzage te verstrekken in die onderdelen van haar in- en verkoopadministratie over de periode 2007 tot heden die vereist zijn voor Quill om vast te stellen welk bedrag aan winstdelingen haar over die periode toekomt;

5.6.

De onder 5.6 tot en met 5.8 bedoelde veroordelingen worden uitgesproken op straffe van een dwangsom van € 15.000 per overtreding en € 15.000 per dag dat de overtreding voortduurt met een maximum van € 100.000;

5.7.

bepaalt dat deze dwangsom vatbaar is voor rechterlijke matiging;

5.8.

verklaart voor recht dat Kortho is tekortgeschoten in de nakoming van verbintenissen uit de overeenkomst met Quill door het in artikel 2.1 van de overeenkomst neergelegde exclusieve recht van Quill om de elektronische componenten en de software van het aansturingssysteem van het GJ-model verder te ontwikkelen te schenden;

5.9.

verklaart voor recht dat Kortho onrechtmatig jegens Quill heeft gehandeld door na het stuklopen van de onderhandelingen de broncode van Quill niet verwijderen uit haar systeem en deze te (blijven) gebruiken;

5.10.

veroordeelt Kortho vanwege de in r.o. 5.11 bedoelde wanprestatie en de 5.12 bedoelde onrechtmatige daad tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

5.11.

veroordeelt Kortho tot betaling van een voorschot van € 50.000;

in conventie en in reconventie

5.12.

compenseert de proceskosten in de zin dat partijen ieder hun eigen kosten dragen;

5.13.

verklaart de onder 5.2, 5.6 tot en met 5.8 en de onder 5.14 bedoelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

5.14.

wijst af het meer of anders gevorderde;

in het incident

5.15.

wijst de vordering af;

5.16.

stelt de proceskosten op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. Alwin en in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2016.