Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:10495

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-08-2016
Datum publicatie
01-09-2016
Zaaknummer
5096672 \ RL EXPL 16-15106
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toepassing Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank den haag

zittingsplaats 's-Gravenhage

NS

Rolnr 5096672 \ RL EXPL 16-15106

24 augustus 2016

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eisende partij,

gemachtigde mr. K.A.M.J. Horsch,

tegen

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën),

zetelend te 's-Gravenhage,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. P.H. Jacobs.

Procedure:

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- dagvaarding van 13 mei 2016, met producties.

Op de rolzitting van 25 mei 2016 is op verzoek van gedaagde partij een termijn verleend tot de rolzitting van 22 juni 2016 voor het (mondeling of schriftelijk) nemen van een conclusie van antwoord. Dit is op de zitting aan gedaagde partij meegedeeld, dan wel nadien bij brief van de griffier meegedeeld.

Op de rolzitting van 22 juni 2016 is op verzoek van gedaagde partij een termijn verleend tot de rolzitting van 20 juli 2016 voor het (mondeling of schriftelijk) nemen van een conclusie van antwoord. Dit is op de zitting aan gedaagde partij meegedeeld, dan wel nadien bij brief van de griffier meegedeeld.

Gedaagde partij is op de laatstgenoemde zitting echter niet verschenen en heeft evenmin op andere wijze gereageerd. Op grond daarvan is de uitspraak van het vonnis bepaald op heden.

Rechtsoverwegingen

Voor de omschrijving van de vordering van eisende partij en de daartoe aangevoerde gronden wordt verwezen naar de inleidende dagvaarding waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd. Nu gedaagde partij, hoewel daartoe naar behoren in de gelegenheid gesteld, tegen de vordering van eisende partij geen verweer heeft gevoerd, moet worden uitgegaan van de juistheid van de feiten die eisende partij aan de vordering ten grondslag heeft gelegd. Deze feiten vormen naar het oordeel van de kantonrechter een toereikende grondslag voor de vordering, zodat deze kan worden toegewezen, zij het met inachtneming van het navolgende.

De eisende partij maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim op/na 1 juli 2012 is ingetreden. De kantonrechter zal het bedrag dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief.

Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij wordt gedaagde partij veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van eisende partij.

De wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen als hierna vermeld.

De gevorderde nakosten zullen op de hierna in het dictum weergegeven wijze worden toegewezen.

Beslissing

De kantonrechter:

1. veroordeelt gedaagde partij om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan eisende partij te betalen een bedrag ad € 20.900,61, met de wettelijke rente over € 15.125,61 vanaf 11 maart 2016 tot de dag van de voldoening, over € 600,00 vanaf 19 april 2016 tot de dag van de voldoening en over € 5.175,00 vanaf de dag der dagvaarding tot de dag van de voldoening;

2. veroordeelt gedaagde partij om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan eisende partij te betalen een bedrag ad € 984,00 aan buitengerechtelijke kosten, met de wettelijke rente over € 984,00 vanaf de dag der dagvaarding tot de dag van de voldoening;

3. veroordeelt gedaagde partij in de kosten van de procedure tot hiertoe aan de zijde van eisende partij vastgesteld op € 965,08, waaronder begrepen een bedrag ad € 400,00, als het aan de gemachtigde van eisende partij toekomende salaris en bepaalt dat dit bedrag binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis moet zijn voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening en veroordeelt gedaagde partij tot betaling van € 100,00 aan nasalaris, voor zover eisende partij daadwerkelijk nakosten zal maken, en voorts, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de explootkosten van betekening van het vonnis.

4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.W.D. Bom, kantonrechter te Den Haag en in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2016.

de griffier, de kantonrechter,