Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:10439

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-07-2016
Datum publicatie
01-09-2016
Zaaknummer
C/09/511658 / KG ZA 16-645
Rechtsgebieden
Aanbestedingsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Opzegging duurovereenkomst ivm aanbesteding; vraag of zwaarwegende grond voor opzegging vereist is kan in midden blijven ivm op Staat rustende verplichting tot aanbesteding, die als zodanig al als zwaarwegende grond geldt; onvoldoende aannemelijk dat opzegtermijn van drie maanden in bodemprocedure als onredelijk kort zal worden gekwalificeerd; afwijzing vorderingen in kort geding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/2535
Module Aanbesteding 2016/481
RVR 2016/112
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/511658 / KG ZA 16-645

Vonnis in kort geding van 25 juli 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] B.V.,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te [plaats] ,

eiseres,

advocaat mr. R.M.E. Geraats te Heerlen,

tegen:

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Financiën/Belastingdienst/IUC Belastingdienst),

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. T.W. Franssen te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiseres] ’ en ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 2 juni 2016, met producties;

- de conclusie van antwoord, met producties;

- de brief van mr. Geraats van 8 juli 2016, met productie;

- de op 11 juli 2016 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door mr. Geraats pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

[eiseres] is een onderneming die zich toelegt op het afslepen en bergen van wegvoertuigen.

2.2.

De Staat, meer in het bijzonder de Belastingdienst, maakt gebruik van afsleepdiensten in het kader van zijn wettelijke taken als inningsgerechtigde van belastingen. Daarbij gaat het om diensten in het kader van executoriaal beslag op auto’s van belastingplichtigen, maar ook om de controle op zogenaamde katvangers, personen (veelal zonder financiële middelen), die ten behoeve van derden tegen een beperkte vergoeding meerdere auto’s op hun naam laten stellen, zodat die derden geen motorrijtuigenbelasting behoeven te betalen. De controle op personen met een belastingschuld en katvangers vindt plaats aan de hand van een verplichtingensignaal (VPS) en meer recentelijk aan de hand van Automatic Number Plate Recognition (ANPR). Bedoelde diensten betreffen het opslepen en in afwachting van executieverkoop stallen van inbeslaggenomen auto’s.

2.3.

[eiseres] heeft in opdracht van de Belastingdienst voormelde afsleep- en stallingsdiensten geleverd. De tussen [eiseres] en de Belastingdienst bestaande overeenkomst is niet schriftelijk vastgelegd.

2.4.

De Belastingdienst heeft op 15 februari 2016 een openbare aanbestedingsprocedure aangekondigd voor de landelijke levering van afsleep- en stallingsdiensten voor auto’s.

2.5.

Bij brief van 26 februari 2016 heeft de Belastingdienst in verband met voormelde aanbestedingsprocedure de met [eiseres] gesloten overeenkomst beëindigd per 1 juni 2016.

2.6.

[eiseres] heeft bij brief van 14 maart 2016 bezwaar gemaakt tegen de voorgenomen aanbesteding en de in het kader van de beëindiging van de overeenkomst door de Belastingdienst gehanteerde opzegtermijn van drie maanden.

2.7.

De Belastingdienst heeft bij brief van 24 maart 2016 onder meer aan [eiseres] bericht dat de omvang van de aan te besteden diensten tot het starten van een aanbestedingsprocedure verplicht en dat de Belastingdienst niet akkoord kan gaan met een langere opzegtermijn.

2.8.

[eiseres] heeft bij monde van haar advocaat vervolgens nog een aantal malen schriftelijk bezwaar gemaakt tegen de voorgenomen aanbesteding en de door de Belastingdienst gehanteerde opzegtermijn, waarbij zij de Belastingdienst laatstelijk tevens heeft verzocht aansprakelijkheid voor de door haar ten gevolge van de beëindiging van de overeenkomst te lijden schade te erkennen. De Belastingdienst heeft in reactie hierop in haar standpunten volhard en iedere aansprakelijkheid voor de door [eiseres] gestelde schade van de hand gewezen.

2.9.

De Belastingdienst heeft de opdracht tot het leveren van afsleep- en stallingsdiensten op 15 april 2016 voorlopig gegund aan de besloten vennootschap VHD Alarmcentrale B.V. Op 19 mei 2016 heeft de Belastingdienst de desbetreffende opdracht door middel van het sluiten van een raamovereenkomst definitief aan VHD Alarmcentrale B.V. gegund. Aan deze overeenkomst wordt sinds 1 juni 2016 uitvoering gegeven.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

  • -

    de gunningsprocedure voor wat betreft de belastingregio Limburg te staken althans te schorsen en gestaakt althans geschorst te houden voor de duur van twintig kalendermaanden, althans voor een in goede justitie te bepalen periode en geografische reikwijdte;

  • -

    de opzegtermijn van de overeenkomst tussen haar en de Belastingdienst te verlengen, althans de opzegging van die overeenkomst op te schorten voor de duur van twintig kalendermaanden, althans voor een in goede justitie te bepalen periode;

subsidiair:

- de Staat te veroordelen tot betaling aan haar van een voorschot op schadevergoeding van € 75.000,--, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met rente en op straffe van verbeurte van een dwangsom;

zowel primair als subsidiair:

- de Staat te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente, alsmede veroordeling van de Staat in de nakosten en buitengerechtelijke kosten van € 1.525,--.

3.2.

Daartoe voert [eiseres] – samengevat – het volgende aan. Ruim twintig jaar zijn door [eiseres] werkzaamheden voor de Belastingdienst verricht in de regio Limburg. De Staat erkent dat ter zake tenminste zestien jaar een contractuele relatie met de Belastingdienst heeft bestaan. Door [eiseres] zijn in die jaren aanzienlijke investeringen gedaan om werkzaamheden voor de Belastingdienst te kunnen (blijven) verrichten. In 2012 zijn een nieuwe kantoorunit, mobiele toiletwagen en aggregaat aangeschaft, terwijl tevens een verzekering met extra hoge dekking is afgesloten en drie extra werknemers in dienst zijn genomen. [eiseres] is voor een groot deel van haar omzet afhankelijk van de werkzaamheden voor de Belastingdienst. [eiseres] is eerst in februari 2016 door de Belastingdienst op de hoogte gesteld van het feit dat de werkzaamheden die jarenlang door haar werden verricht zouden worden aanbesteed. Niets stond eraan in de weg om [eiseres] eerder van het voornemen tot aanbesteden op de hoogte te stellen, te meer nu de Belastingdienst in ieder geval sinds april 2013 wist dat tot aanbesteding zou moeten worden overgegaan en de Aanbestedingswet 2012 niet verplicht om voor een bepaalde datum tot aanbesteding over te gaan. [eiseres] heeft niet op de aanbesteding kunnen inschrijven, nu een van de voorwaarden voor gunning was dat de stallingslocaties op maximaal 40 kilometer van een locatie van de belastingdeurwaarder gelegen dienen te zijn. Nu zij door het (voorlopige) gunningsbesluit wordt geschaad, kan [eiseres] daartegen in rechte opkomen.

3.2.1.

De door de Belastingdienst gehanteerde opzegtermijn van drie maanden is niet redelijk. Nu een schriftelijke overeenkomst ontbreekt, dient de te hanteren opzegtermijn in overeenstemming te zijn met de eisen van redelijkheid en billijkheid. Nu tussen partijen sprake is van een bestendige handelsrelatie van twintig jaar, dient een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging te bestaan en dient een redelijke opzegtermijn te worden gehanteerd. Een zwaarwegende grond voor opzegging ontbreekt echter en de termijn van drie maanden, is gelet op de duur van de handelsrelatie, de financiële afhankelijkheid van [eiseres] van de Belastingdienst en de door haar gedane en nog niet terugverdiende investeringen, niet redelijk te achten. Gelet op literatuur en jurisprudentie, is in dit geval een opzegtermijn van ongeveer twintig maanden redelijk te achten teneinde [eiseres] in de gelegenheid te stellen vervangende inkomsten te genereren. Op de Belastingdienst rust een verplichting om een langere opzegtermijn te hanteren dan wel de schade (vooralsnog begroot op € 230.000,--) te vergoeden die als gevolg van de onredelijk korte opzegtermijn wordt geleden. Een voorschot op schadevergoeding is noodzakelijk teneinde [eiseres] in staat te stellen gedurende de bodemprocedure aan haar verplichtingen te voldoen. Het spoedeisend belang bij het gevorderde is daarmee in voldoende mate gegeven, aldus nog steeds [eiseres] .

3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

In dit geschil staat, gelet op de wijze waarop [eiseres] haar vordering heeft ingestoken, allereerst ter beoordeling of de Belastingdienst de overeenkomst met [eiseres] slechts met een beroep op een zwaarwegende grond kon beëindigen en vervolgens of in het kader van die beëindiging van die overeenkomst een langere opzegtermijn diende te worden aangehouden dan de drie maanden waartegen de Belastingdienst thans heeft opgezegd. Indien dit laatste het geval is, dient aansluitend te worden beoordeeld of grond bestaat om de gunningsprocedure te staken dan wel te schorsen dan wel om de opzegtermijn te verlengen en, indien dit (beide) niet mogelijk is, om aan [eiseres] (een voorschot op) schadevergoeding toe te kennen.

4.2.

Hoewel partijen twisten over de vraag sinds wanneer tussen de Belastingdienst en [eiseres] sprake is geweest van een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd, is tussen hen niet in geschil dat dit in ieder geval vanaf 2010 het geval is geweest.

4.2.1.

Vooropgesteld wordt dat volgens vaste rechtspraak een voor onbepaalde tijd aangegane duurovereenkomst in beginsel opzegbaar is, ook indien – zoals in dit geval – wet en overeenkomst niet voorzien in een opzeggingsregeling. De eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien een voldoende zwaarwegende grond voor de opzegging bestaat. Uit diezelfde eisen kan, eveneens in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval, voortvloeien dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen of dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding (vgl. HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ9854 en HR 4 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4163). In zijn arrest van 15 april 2016 (ECLI:NL:HR:2016:660) heeft de Hoge Raad overwogen dat een voor onbepaalde tijd gesloten duurovereenkomst naar de bedoeling van partijen niet-opzegbaar kan zijn, met dien verstande dat de wederpartij van degene die zich op de niet-opzegbaarheid beroept, onder omstandigheden daartegen een beroep kan doen op, kort gezegd, de artikelen 6:248 lid 2 BW en 6:258 BW. Op degene die betoogt dat een zodanige overeenkomst niet opzegbaar is, rusten volgens de Hoge Raad de stelplicht en bewijslast ter zake.

4.2.2.

Naar de voorzieningenrechter begrijpt betoogt [eiseres] dat de eisen van redelijkheid en billijkheid in het onderhavige geval met zich brengen dat sprake moet zijn van een zwaarwegende grond voor opzegging, hetgeen de Staat op zijn beurt gemotiveerd heeft weersproken. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan de vraag of de onderhavige duurovereenkomst voor onbepaalde tijd uitsluitend onder inroeping van een zwaarwegende grond beëindigd kon worden, in dit geding onbeantwoord blijven. Immers, ook indien hetgeen [eiseres] heeft gesteld voldoende is voor het aannemen van een op de Staat rustende verplichting tot het aanvoeren van een zodanige grond, geldt dat – zoals de Staat onweersproken heeft gesteld – jaarlijks voor een dusdanig bedrag aan afsleepdiensten door de Belastingdienst wordt afgenomen, dat de geldende drempelwaarde voor overheidsopdrachten in de vorm van diensten wordt overschreden. Nu evenmin is gesteld of gebleken dat sprake is van een in de Aanbestedingswet 2012 genoemde uitzonderingen op de aanbestedingsplicht, heeft de Staat derhalve met juistheid betoogd dat op de Belastingdienst een verplichting rustte om tot aanbesteding van de afsleepdiensten over te gaan. Deze op de Belastingdienst rustende aanbestedingsplicht is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter als zodanig reeds te beschouwen als een voldoende zwaarwegende grond voor beëindiging van de met [eiseres] bestaande duurovereenkomst voor onbepaalde tijd.

4.3.

Vervolgens is aan de orde de vraag of door de Belastingdienst in de opzegbrief van 26 februari 2016 een redelijke opzegtermijn is gehanteerd en of de Belastingdienst – in het licht van voormelde jurisprudentie – vanwege deze opzegtermijn de opzegging had moeten doen vergezellen van een aanbod tot vergoeding van dientengevolge door [eiseres] te lijden schade. Door de Staat is ter zake ten verwere betoogd dat reeds vanaf 2012 herhaaldelijk met [eiseres] is besproken dat de afsleepdiensten zouden worden aanbesteed, zodat [eiseres] volgens hem feitelijk reeds vanaf 2012 in de gelegenheid is geweest om maatregelen te treffen om een eventueel omzetverlies als gevolg van de op handen zijnde aanbesteding op te kunnen vangen, hetgeen volgens de Staat voor [eiseres] feitelijk ook mogelijk moet zijn geweest omdat [eiseres] niet exclusief voor de Belastingdienst werkte. Daarnaast heeft de Staat de door [eiseres] gestelde aard en duur van de samenwerking weersproken door er aan de hand van een overzicht van de jaarlijks door [eiseres] afgesleepte voertuigen op te wijzen dat niet reeds vanaf 1996 maar eerst vanaf 2010 sprake is geweest van een stelselmatige samenwerking met [eiseres] , die kan worden bestempeld als een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd. Ook heeft de Staat het aandeel van deze samenwerking in de omzet van [eiseres] gemotiveerd weersproken. Ten slotte heeft de Staat weersproken dat door [eiseres] aanzienlijke investeringen zijn verricht om de met de Belastingdienst bedongen werkzaamheden uit te kunnen voeren en dat als gevolg van de aanbesteding en het wegvallen van de opdrachten van de Belastingdienst schade wordt geleden tot het door [eiseres] gestelde bedrag van € 230.000,--.

4.4.

Gelet op voormelde verweren van de Staat, waarvan de gegrondheid zonder nader feitenonderzoek en/of bewijslevering niet kan worden vastgesteld, kan niet met de voor toewijzing (van geldvorderingen) in kort geding vereiste mate van aannemelijkheid worden vastgesteld dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat de door de Belastingdienst gehanteerde opzegtermijn van drie maanden, gelet op alle omstandigheden van het geval, als onredelijk kort moet worden beschouwd en dat de Staat (om die reden) gehouden zal zijn om aan [eiseres] een schadevergoeding te betalen. Dergelijk nader feitelijk onderzoek en bewijslevering gaan het beperkte bestek van deze procedure immers te buiten. Een bodemprocedure is hiervoor de geëigende weg. De slotsom is dan ook dat de vorderingen van [eiseres] in kort geding niet toewijsbaar zijn.

4.5.

[eiseres] zal, als de in het ongelijk te stellen partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding. Voor de door de Staat gevorderde veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237).

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst het gevorderde af;

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 2.745,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 1.929,-- aan griffierecht;

5.3.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2016.

mw