Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:10423

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-08-2016
Datum publicatie
28-10-2016
Zaaknummer
16_903 HUUR en ZORG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft met dagtekening 11 december 2015 bezwaar gemaakt tegen besluiten van 1 juni 2013. De besluiten zijn op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt. Met de niet nader onderbouwde stelling dat hij de besluiten niet eerder heeft gezien, heeft eiser geen verschoonbare reden voor de termijnoverschrijding gegeven. De bezwaren zijn terecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:11, geldigheid: 2002-04-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 16/903

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 augustus 2016 in de zaak tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser

en

de Belastingdienst/Toeslagen, kantoor [kantoorplaats] , verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft tegen de hierna onder overweging 2 te noemen besluiten bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft bij beslissing op bezwaar van 8 januari 2016 deze bezwaren kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft daartegen op 3 februari 2016 beroep bij de rechtbank ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juni 2016.

Eiser is bij brief van 25 april 2016 in kennis gesteld van de geplande zittingsdatum op 17 juni 2016. Hij heeft hier niet op gereageerd. Vervolgens heeft de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 25 mei 2016 aan eiser op het adres [adres 1] , onder vermelding van plaats en tijdstip, eiser uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Eiser is niet ter zitting verschenen. De enveloppe waarin die brief is verzonden, is op 14 juni 2016 ter griffie terugontvangen. Bij controle van de adresgegevens door de griffie van de rechtbank is gebleken dat eiser sinds 12 augustus 2014 in de Basisregistratie personen (BRP) staat ingeschreven op genoemd adres. Ter voldoening aan het bepaalde in artikel 8:38, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de brief diezelfde dag per gewone post verzonden. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze tijdig op het juiste adres is aangeboden.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon] .

Op 17 juni 2016 is het onderzoek ter zitting gesloten. Met dagtekening 25 juni 2016 is door de rechtbank een brief ontvangen waarin eiser verzoekt om een nieuwe zitting. Daarbij geeft eiser aan dat hij de uitnodiging om op zitting te verschijnen niet heeft kunnen aannemen, omdat hij tot 23 juni 2016 in een Penitentaire Inrichting verbleef. De rechtbank heeft dit verzoek, dat klaarblijkelijk strekt tot heropening van het onderzoek als voorzien in artikel 8:68 van de Awb, afgewezen. De omstandigheid dat de inkomende post van eiser gedurende zijn verblijf in een Penitentaire Inrichting niet is gelezen en zowel de kennisgeving van 25 april 2016 als de brief van 25 mei 2016 en de brief van 14 juni 2016 eiser niet tijdig hebben bereikt, dient voor zijn rekening en risico te komen. Het mag immers van eiser worden verwacht dat hij bij langdurige afwezigheid maatregelen treft om zijn post in de gaten te houden.

Overwegingen

Feiten

1. In de periode van 5 januari 2012 tot 10 februari 2014 stond eiser in de BRP ingeschreven op het adres [adres 2] .

2. Bij besluiten van 1 juni 2013 is de huur- en zorgtoeslag van eiser voor het berekeningsjaar 2008 definitief vastgesteld op nihil.

3. Met dagtekening 11 december 2015 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de onder 2 genoemde besluiten. Deze bezwaren zijn door verweerder wegens termijnoverschrijding kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Geschil

4. In geschil is of verweerder de bezwaren van eiser tegen de definitieve berekening van zijn huur- en zorgtoeslag voor het berekeningsjaar 2008 terecht kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Beoordeling van het geschil

5. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een termijn van zes weken. Deze termijn begint op grond van artikel 35 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) op de dag na die van de dagtekening van het besluit, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van bekendmaking. Bekendmaking geschiedt op grond van artikel 3:41, eerste lid, van de Awb door toezending of uitreiking van het besluit. Op grond van artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Het tweede lid van artikel 6:9 van de Awb schrijft voor dat een bezwaarschrift bij verzending per post tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Een na afloop van de bezwaartermijn ingediend bezwaarschrift wordt in beginsel niet-ontvankelijk verklaard.

6. Voor zover eiser stelt dat de besluiten van 1 juni 2013 niet op de juiste wijze zijn bekendgemaakt, kan de rechtbank hem niet volgen. Uit de stukken van het geding blijkt dat de besluiten zijn verstuurd naar [adres 2] , ofwel het volledige adres waarop eiser op dat moment in de BRP stond ingeschreven. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de besluiten dan ook op de voorgeschreven wijze bekend gemaakt. Nu niet is gebleken dat de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van bekendmaking, is de termijn voor het indienen van bezwaar aangevangen op 2 juni 2013. De op 11 december 2015 gedagtekende bezwaarschriften zijn door verweerder op 14 december 2015 ontvangen en zijn aldus, gelet op het bepaalde in artikel 6:9, eerste lid, van de Awb, niet tijdig ingediend.

7. Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

8. Eiser heeft in zijn bezwaarschriften gesteld dat hij de besluiten niet eerder heeft gezien. Nu de rechtbank van oordeel is dat de besluiten van 1 juni 2013 op de voorgeschreven wijze bekend zijn gemaakt en eiser niet nader heeft onderbouwd waarom hij de besluiten niet eerder heeft gezien, is van verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb geen sprake.

9. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de bezwaren van eiser terecht kennelijk niet-ontvankelijk zijn verklaard. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.I. Batelaan-Boomsma, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending van de uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. (Nadere informatie www.raadvanstate.nl)