Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:10349

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-08-2016
Datum publicatie
13-09-2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 17269
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ghana. Vrees voor vervolging en schending van artikel 3 EVRM vanwege stammenstrijd is niet aannemelijk.

Wetsverwijzingen
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden 3, geldigheid: 1998-11-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL16.1909

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 augustus 2016 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [vreemdelingnummer]

(gemachtigde: mr. D. de Heuvel),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.W. Kreumer).

Procesverloop

Bij besluit van 1 augustus 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder, voor zover thans van belang, de aanvraag van eiser om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen en aan hem een inreisverbod opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 augustus 2016.

Eiser is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1988 en bezit de Ghanese nationaliteit. Eiser verblijft als vreemdeling in Nederland.

2. Eiser heeft aan zijn asielverzoek ten grondslag gelegd dat hij vreest voor vervolging en ernstige schade bij terugkeer naar Ghana omdat in 1994 een stammenoorlog heeft plaatsgevonden tussen eisers stam, de Konkomba, en andere stammen, maar ook omdat er sindsdien conflicten hebben plaatsgevonden binnen de Konkomba stam, namelijk tussen verschillende substammen van de Konkomba stam.Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen omdat niet aannemelijk wordt geacht dat eiser vanwege zijn behoren tot de Konbomba-stam bij terugkeer naar Ghana, wat als veilig land van herkomst is aangemerkt, gegronde vrees heeft voor vervolging, dan wel dat hij aldaar een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) omdat de Ghanese autoriteiten de verdragsverplichtingen jegens hem niet nakomen. Daarbij heeft verweerder van belang geacht dat eiser, nadat hij Ghana in 1994 was ontvlucht vanwege de stammenoorlog tussen de Konbomba en de Nanumba, in 1995 is teruggekeerd naar Ghana. Sinds zijn terugkeer heeft eiser geen persoonlijke problemen ondervonden vanwege zijn etniciteit. Evenmin heeft eiser door te verwijzen naar een stuk van het UK Home Office van 11 mei 2012 aannemelijk gemaakt dat er thans nog sprake is van een stammenconflict. Het vermoeden van eiser dat een geweldsuitbarsting zou kunnen plaatsvinden is een toekomstige, onzekere en hypothetische situatie. Daarnaast houdt een dergelijke uitbarsting niet direct in dat Ghana zich niet langer houdt aan haar verdragsverplichtingen, omdat uit een rapport van het UK Visas and Immigration uit 2013 blijkt dat de Ghanese autoriteiten ingrijpen indien etnische geschillen zich voordoen. Verweerder stelt zich voorts op het standpunt dat het opleggen van een inreisverbod aan eiser geen strijd oplevert met het in artikel 8 van het EVRM gewaarborgde recht op privéleven.

3. Eiser voert aan dat uit hetgeen hij naar voren heeft gebracht volgt dat er wel degelijk een stammenstrijd gaande is en dat verweerder heeft miskend dat er een geweldsuitbarsting tussen de verschillende stammen dreigt. Voorts voert eiser aan dat Ghana ten onrechte is aangemerkt als veilig land van herkomst, nu weliswaar is gebleken dat de autoriteiten er tot nu toe in zijn geslaagd om de gewelddadigheden te beëindigen, maar zij niet in staat zijn om verder geweld te voorkomen. Ten aanzien van het inreisverbod voert eiser aan dat het opleggen daarvan een schending van artikel 8 van het EVRM oplevert vanwege zijn recht op privéleven in de zin van dat artikel, nu hij vanwege de geruime tijd die hij in Nederland heeft verbleven om te werken en te studeren hier sociale banden heeft.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

Omdat Ghana is opgenomen op de nationale lijst van veilige landen van herkomst ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of eiser aannemelijk heeft gemaakt dat Ghana zijn verdragsverplichtingen jegens hem niet zal nakomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd dat Ghana als een veilig land van herkomst kan worden aangemerkt. Voor zover eiser heeft betoogd dat de Ghanese autoriteiten niet in staat zijn om de burgers tegen geweld als gevolg van de stammenstrijd te beschermen, heeft verweerder zich terecht onder verwijzing naar het rapport ‘2015 Country Reports on Human Rights Practices’ van het US Department of State van 13 april 2016 op het standpunt gesteld dat er tegenwoordig geen sprake is van geweldsuitbarstingen in Ghana. Daarnaast is de rechtbank met verweerder van oordeel dat eiser er evenmin in is geslaagd aannemelijk te maken dat Ghana in zijn specifieke geval niet als veilig lang van herkomst kan worden beschouwd. Eiser heeft niet aannemelijk heeft gemaakt dat er hem persoonlijk betreffende feiten en omstandigheden bestaan die zijn vrees voor vervolging dan wel voor schending van artikel 3 van het EVRM in Ghana rechtvaardigen, nu hij jaren zonder problemen te hebben ondervonden in Ghana heeft verbleven.

5. Voor zover eiser betoogt dat verweerder aan hem ten onrechte een inreisverbod heeft opgelegd, overweegt de rechtbank als volgt. Niet in geschil is dat eiser gedurende zijn verblijf in Nederland tussen zijn 25e en 28e, privéleven heeft opgebouwd. Dat laat echter onverlet dat eiser niet heeft geconcretiseerd dat de banden die hij in Nederland is aangegaan van dermate groot gewicht zijn dat sprake is van beschermenswaardig privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Daartoe acht de rechtbank van belang dat eiser niet heeft toegelicht met wie hij banden zou hebben. Gelet daarop bestaat in artikel 8 van het EVRM geen belemmering voor verweerder om eiser een inreisverbod op te leggen.

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.E. Bakels, rechter, in aanwezigheid van mr. A.H. Ferment, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 augustus 2016 .

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.