Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:10326

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-08-2016
Datum publicatie
01-09-2016
Zaaknummer
VK-16/17473 VK-16/17474
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

- Servië

- Roma

- huiselijk geweld

- bescherming autoriteiten

- veilig land van herkomst

- kennelijk ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 16/17473 (beroep) en AWB 16/17474 (verzoek)

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter voor vreemdelingenzaken van 25 augustus 2016 in de zaak tussen

[naam], eiseres en verzoekster, hierna: eiseres,

mede namens haar minderjarige kind:
[naam kind], hierna: de minderjarige,

gemachtigde mr. M.J. Paffen,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. N.H.T. Jansen.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 3 augustus 2016 (het bestreden besluit), waarbij haar asielaanvraag is afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiseres heeft tevens een voorlopige voorziening verzocht ter voorkoming van uitzetting totdat op het beroep is beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2016. Eiseres is ter zitting verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig N. Rosic, tolk in de Servische taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum 1]. De minderjarige is geboren op [geboortedatum 2]. Beiden bezitten de Servische nationaliteit en behoren tot de Roma bevolkingsgroep. Op 15 juni 2014 heeft eiseres een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. Verweerder heeft deze aanvraag op 8 augustus 2014 kennelijk ongegrond verklaard op grond van artikel 31, eerste lid, juncto artikel 31, tweede lid, sub f en g, van de Vreemdelingenwet (oud). Het hiertegen ingestelde beroep is op 11 september 2014 door deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, ongegrond verklaard (AWB 14/19200 t/m 203). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft deze uitspraak op 10 oktober 2014 bevestigd. Vervolgens is eiseres, samen met haar (ex) echtgenoot, teruggekeerd naar Servië.

2. Op 16 oktober 2015 heeft eiseres, mede namens de minderjarige, de onderhavige (huidige) asielaanvraag ingediend. Eiseres heeft aan haar aanvraag ten grondslag gelegd dat zij meerdere keren door haar ex-echtgenoot is mishandeld. Na een aanrijding op straat door haar ex- echtgenoot is deze gearresteerd en vastgezet. Toen hij op borgtocht was vrijgekomen, heeft hij eiseres en de minderjarige onder bedreiging van een mes mee naar huis genomen. Enige tijd later heeft hij besloten dat het gezin naar Duitsland moest vluchten. Vanuit daar is eiseres met de minderjarige naar Nederland gevlucht, haar echtgenoot in Duitsland achterlatend.

3. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

- eiseres is afkomstig uit Servië, heeft de Servische nationaliteit en behoort tot de Roma bevolkingsgroep;

- eiseres is mishandeld door haar (ex) echtgenoot;

- de politie heeft de echtgenoot uiteindelijk aangehouden en hij is op borgtocht vrijgelaten;

- Roma worden gediscrimineerd;

- de economische situatie in Servië is slecht;

- eiseres heeft psychische klachten door de ervaringen met haar ex-echtgenoot;

- problemen met de familie van eiseres ten gevolge van haar huwelijk.

4. Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres als kennelijk ongegrond afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder heeft de herkomst, etniciteit en nationaliteit van eiseres geloofwaardig geacht. Verder wordt eiseres gevolgd in haar asielrelaas, met uitzondering van de verklaringen omtrent de problemen met haar familie ten gevolge van haar huwelijk. Volgens verweerder kan eiseres echter niet worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag en heeft zij evenmin aannemelijk gemaakt dat zij bij terugkeer naar Servië een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van mens en fundamentele vrijheden. Hierbij neemt verweerder in aanmerking dat eiseres de bescherming kan inroepen van de Servische autoriteiten. Verweerder acht verder van belang dat Servië kan worden beschouwd als een veilig land van herkomst en dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat Servië ten aanzien van haar zijn verdragsverplichtingen niet nakomt.

5. Op wat eiseres daartegen heeft aangevoerd wordt – voor zover van belang – hierna ingegaan.

De rechtbank overweegt als volgt.

6. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat Servië in algemene zin kan worden aangemerkt als veilig land van herkomst. Verder is tussen partijen niet langer in geschil dat tussen eiseres en haar ex-echtgenoot geen sprake was van een gemengd huwelijk, nu beiden Roma zijn.

7. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat Servië voor haar, als vrouw van Roma-afkomst en slachtoffer van huiselijk geweld, niet kan worden beschouwd als veilig land van herkomst nu zij als Roma-vrouw onvoldoende bescherming kan krijgen van de Servische autoriteiten tegen het huiselijk geweld. De genoemde combinatie van factoren maakt, aldus eiseres, dat verweerder nader onderzoek had moeten doen naar de positie van Roma-vrouwen in het kader van huiselijk geweld in Servië. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft eiseres in beroep een stuk, met diverse bijlagen, overgelegd van het Landelijk Bureau van Vluchtelingenwerk Nederland (VWN) van 12 augustus 2016, getiteld ‘Servië – Roma-vrouwen en huiselijk geweld.’ Hieruit volgt, aldus eiseres, dat Roma-vrouwen zeer moeilijk bescherming kunnen krijgen van de overheid.

8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat er aanleiding is om aan te nemen dat Servië ten aanzien van haar zijn verdragsverplichtingen niet nakomt en in haar individuele geval niet als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt. Verweerder heeft terecht verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 24 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1347) en daaraan de conclusie verbonden dat ook voor mensen met de Roma-afkomst Servië in beginsel kan worden aangemerkt als veilig land van herkomst. Eiseres heeft op dit punt geen algemene stukken of documenten overgelegd waaruit het tegendeel blijkt.

9. Daarnaast heeft verweerder terecht gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Servische autoriteiten aan Roma-vrouwen die het slachtoffer zijn geworden van huiselijk geweld in het geheel geen (effectieve) bescherming zouden willen of kunnen bieden. Verweerder heeft in het voornemen, dat onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit, gewezen op het algemeen ambtsbericht van het Duitse ministerie van Buitenlandse zaken over de situatie in Servië van 15 december 2014 waaruit volgt dat er in het algemeen bescherming wordt geboden. Uit het rapport van het Bundesamt für Migration und Flüchtlinge van augustus 2014 blijkt verder dat er speciale instellingen zijn voor (onder meer) vrouwen die het slachtoffer zijn geworden van huiselijk geweld. Het door eiseres overgelegde stuk van VWN kan hier niet aan afdoen. Weliswaar blijkt hieruit dat ten aanzien van de positie van Roma-vrouwen die slachtoffer zijn geworden van huiselijk geweld sprake is van een zorgelijke situatie, maar hieruit kan niet worden afgeleid dat de Servische autoriteiten in het geheel geen bescherming zouden willen of kunnen bieden. De rechtbank volgt verweerder dan ook in het standpunt dat geen (nader) onderzoek noodzakelijk is naar de positie van Roma-vrouwen in het kader van huiselijk geweld in Servië.

10. Uit het persoonlijke relaas van eiseres blijkt evenmin dat Servië voor haar niet als veilig land kan worden beschouwd. Eiseres heeft immers tot twee keer toe de hulp van de politie ingeroepen na incidenten met haar ex-echtgenoot. De politie is ook daadwerkelijk gekomen en heeft haar ex-echtgenoot na de aanrijding aangehouden en vastgezet. Dat de ex-echtgenoot in afwachting van de strafrechtelijke procedure op borgtocht in vrijheid is gesteld, maakt niet dat de autoriteiten geen bescherming hebben geboden. De rechtbank merkt nog op dat ook als de politie eiseres geen of onvoldoende bescherming had kunnen of willen bieden tegen het ondervonden huiselijk geweld, dat onverlet laat dat eiseres heeft nagelaten zich te wenden tot de hogere autoriteiten, de Servische ombudsman of (een) hulporganisatie(s) in Servië. Zij heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij hiertoe de mogelijkheid niet had of dat klagen bij voorbaat zinloos is.

11. Eiseres komt, gezien het voorgaande, op grond van haar asielrelaas niet in aanmerking voor toelating op de in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw genoemde gronden.

12. Nu eiseres ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat Servië voor haar niet heeft te gelden als een veilig land van herkomst, heeft verweerder de aanvraag op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond.

13. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak met AWB-nummer 16/17473:

- verklaart het beroep ongegrond;

De voorzieningenrechter, in de zaak met AWB-nummer 16/17474:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, (voorzieningen)rechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Valk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2016.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen de uitspraak van de rechtbank kan, voor zover deze betrekking heeft op heeft beroep, binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.