Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:10310

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-08-2016
Datum publicatie
15-09-2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 2076
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Raad voor Rechtsbijstand. Hight Trust programma

Wetsverwijzingen
Wet op de rechtsbijstand 28, geldigheid: 2010-07-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 16/2076

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 augustus 2016 in de zaak tussen

[eiser] , kantoorhoudende te [vestigingsplaats] , eiser,

en

De Raad voor Rechtsbijstand, verweerder,

(gemachtigde: C.W. Wijstra).

Procesverloop

Bij besluit van 8 oktober 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de vergoeding van de toevoeging met kenmerk 3IO1881 ingetrokken.

Bij besluit van 26 februari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 augustus 2016.

Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

Overwegingen

1. Beoordeeld dient te worden of de in bezwaar gehandhaafde intrekking van de vergoeding van de toevoeging van eiser in rechte kan standhouden.

2. Eiser is advocaat en het kantoor waar hij werkt neemt deel aan het “High Trust” programma van verweerder. Dat houdt in dat een aanvraag om een toevoeging vooraf niet inhoudelijk wordt gecontroleerd. Verweerder controleert vooraf alleen het inkomen van de aanvrager en verleent een toevoeging tenzij het inkomen daaraan in de weg staat. Achteraf kan steekproefsgewijs inhoudelijke controle plaatsvinden.

3. Eiser heeft op 13 februari 2015 namens zijn cliënte, [persoon] , een toevoeging aangevraagd voor het instellen van een bezwaarschrift tegen de weigering van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (de Staatssecretaris) om [persoon] en haar minderjarige kinderen verblijfsvergunningen te verlenen naar aanleiding van de zogenaamde “burgemeestersbrieven”. Verweerder heeft de aanvraag in het kader van het ‘High Trust’ programma enkel financieel beoordeeld en de gevraagde toevoeging verstrekt op 20 februari 2015. Bij besluit van 5 juni 2015 heeft verweerder, conform het declaratieverzoek van eiser, in het kader van het ‘High Trust’ programma, de vergoeding zonder nadere controle vastgesteld.

4. Naar aanleiding van de steekproefcontrole heeft verweerder bij het primaire besluit, zoals gehandhaafd in het bestreden besluit, de vergoeding ingetrokken. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de rechtsbijstand ten tijde van de toevoegingsaanvraag reeds was verleend.

5. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn beroep gesteld dat hij ten tijde van het indienen van zijn bezwaarschrift op 12 januari 2015 nog in afwachting was van de zogenaamde “eigen verklaring asielzoeker” van [persoon] . Daarom heeft hij pas enkele weken later, op 13 februari 2015, de toevoegingsaanvraag ingediend. Op dat moment had eiser nog geen ontvangstbevestiging van het bezwaarschrift ontvangen van de Staatssecretaris. Ook was er nog geen termijn geboden voor het aanvullen van de gronden van het bezwaarschrift. Bij besluit van 18 mei 2015 heeft de Staatssecretaris het bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Vooraf had de Staatssecretaris niet gevraagd om aanvulling van de gronden. Na ontvangst van voormeld besluit heeft eiser zijn cliënte geadviseerd over het al dan niet instellen van beroep tegen dat besluit.

Uitsluitend omdat de toevoeging onder het “High Trust” programma is verleend, heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de rechtsbijstand al was verleend. Door het “High Trust” programma heeft een verschuiving van het beoordelingsmoment plaatsgevonden. Het bestreden besluit is zowel strijdig met artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) als met het “High Trust” programma. Bovendien was er slechts een maand gelegen tussen de indiening van het bezwaarschrift op 12 januari 2015 en de toevoegingsaanvraag op 13 februari 2015.

Niet in geschil is dat eisers werkzaamheden als het doorsturen van het besluit van 18 mei 2015 van de Staatssecretaris aan [persoon] , advisering over het al dan niet instellen van een rechtsmiddel en een bespreking van de kansen en kosten daarvan met [persoon] onder het bereik van de toevoeging voor de procedure die heeft geleid tot het bestreden besluit voor vergoeding in aanmerking kunnen worden gebracht.

6. Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wrb kan verweerder de toevoeging weigeren indien de aanvraag wordt ingediend nadat de rechtsbijstand feitelijk is verleend.
Ingevolge artikel 33, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wrb kan verweerder de toevoeging in trekken indien in een later stadium blijkt dat deze is verleend op basis van onjuiste informatie.

Verweerder voert ten aanzien van de toepassing van de Wrb het beleid, neergelegd in het Handboek Toevoegen 2007 (hierna: het Handboek).

Volgens aantekening 2 bij artikel 28 van de Wrb van het Handboek kunnen zich omstandigheden voordoen op grond waarvan de te late indiening verschoonbaar kan worden geacht, zoals een spoedeisend belang bij de verlening van rechtsbijstand. Verweerder zal echter in ieder geval toepassing geven aan artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wrb, indien de aanvraag wordt ingediend op een moment dat sedert de aanvang van rechtsbijstand meer dan vier weken zijn verstreken. Dit beleid is niet onredelijk.

7. Voorop wordt gesteld dat uit artikel 28 Wrb en hetgeen daaromtrent in het Handboek Toevoegen is opgenomen, volgt dat een toevoeging tijdig, dat wil zeggen in beginsel vier weken na aanvang van de rechtsbijstand, dient te worden aangevraagd. Aangezien de toevoegingsaanvraag bij verweerder op 13 februari 2015 is binnen gekomen en eiser reeds op 12 januari 2015 een bezwaarschrift heeft ingediend tegen de weigering van de Staatssecretaris om [persoon] en haar minderjarige kinderen verblijfsvergunningen te verlenen, heeft verweerder terecht en op goede gronden geoordeeld dat meer dan vier weken zijn verstreken tussen de aanvang van de rechtsbijstand en het indienen van de aanvraag om een toevoeging. Om die reden heeft verweerder de toevoeging alsnog geweigerd en was er een grond de vergoeding in te trekken. Nu de toevoeging geacht wordt niet te zijn verstrekt, geldt dat eiser geen voor vergoeding in aanmerking komende werkzaamheden heeft kunnen verrichten. In dat kader is niet relevant het antwoord op de vraag of er na het besluit van de Staatssecretaris van 18 mei 2015 (advies)werkzaamheden zijn verricht door eiser. Evenmin is relevant de omstandigheid dat eiser geen ontvangstbevestiging van het bezwaarschrift had ontvangen en dat de Staatssecretaris hem geen termijn had geboden voor het aanvullen van de gronden van het bezwaarschrift. Het feit dat eiser op 12 januari 2015 (nog) niet in het bezit was van de zogenaamde “eigen verklaring asielzoeker” van [persoon] maakt voorgaand oordeel niet anders. In het bestreden besluit heeft verweerder gemotiveerd dat de hightrustwerkwijze met zich brengt dat een aanvraag kan worden ingediend zonder nadere stukken en de verleende toevoeging eventueel in een later stadium gemuteerd zou kunnen worden in het geval de verklaring niet zou zijn overgelegd door de rechtzoekende.

Gesteld noch gebleken is dat sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat de te late indiening van de toevoegingsaanvraag verschoonbaar is.

8. Het beroep van eiser is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Belhaj, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 augustus 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.