Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:10308

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-08-2016
Datum publicatie
13-09-2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 2785
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

X B.V. beschikt in onderhavig tijdvak over een Vergunning opslag in een Accijnsgoederenplaats (AGP). In onderhavig tijdvak zijn partijen minerale oliën (de goederen) onder schorsing van accijns en onder dekking van een elektronisch Administratief Document (e-AD) overgebracht naar de AGP van X.

X heeft voor vrijwel al deze zendingen in het Excise Movement and Control System (EMCS) gemeld dat de goederen conform de e-AD’s zijn ontvangen. Bij een boekenonderzoek zijn bij X tekorten vastgesteld,

de inspecteur heeft hiervoor een naheffingsaanslag accijns opgelegd.

Rechtbank Den Haag oordeelt dat met de door X ingezonden berichten van ontvangst conform de gegevens op de e-AD’s, de overbrenging van de totale hoeveelheid goederen vermeld op de desbetreffende e-AD’s is geëindigd. De verantwoordelijkheid voor de goederen ligt vanaf het moment van het indienen van berichten van ontvangst in EMCS bij X. Nu X voor de tekorten geen andere verklaring heeft gegeven dan dat die berichten van ontvangst onjuist waren, heeft de inspecteur terecht een naheffingsaanslag aan X opgelegd.

Het beroep is ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2016-2272
DouaneUpdate 2016-0478
mr. J. Sanders jr. annotatie in NTFR 2016/2497

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 16/2785

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 augustus 2016 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats 1] , eiseres(gemachtigde: H. Wolthaus),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane [vestigingsplaats 2] , verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres een naheffingsaanslag accijns opgelegd over het tijdvak
1 januari 2010 tot en met 31 december 2013, waarbij € 114.106 aan accijns minerale oliën en € 2.346 aan voorraadheffing is nageheven (de naheffingsaanslag). Bij beschikking is tevens € 6.448 aan heffingsrente en € 10.381,93 aan belastingrente in rekening gebracht (de beschikkingen).

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 1 maart 2016 het bezwaar van eiseres tegen de naheffingsaanslag en de beschikkingen afgewezen.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2016.

Namens eiseres is haar gemachtigde verschenen, tot bijstand vergezeld van [persoon 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon 2] , [persoon 3] , [persoon 4] en [persoon 5] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres beschikt in onderhavig tijdvak over een Vergunning opslag in een Accijnsgoederenplaats (de vergunning). Op grond van de vergunning is het haar, voor zover hier relevant, toegestaan minerale oliën onder schorsing van accijns te ontvangen en op te slaan in haar accijnsgoederenplaats (AGP).

2. In onderhavig tijdvak zijn partijen minerale oliën (de goederen) onder schorsing van accijns en onder dekking van een elektronisch Administratief Document (e-AD) overgebracht naar de AGP van eiseres. Eiseres heeft voor vrijwel al deze zendingen in het Excise Movement and Control System (EMCS) gemeld dat de goederen conform de e-AD’s zijn ontvangen.

3. Bij eiseres is een boekenonderzoek uitgevoerd naar de aanvaardbaarheid van haar aangiften Accijns minerale oliën en de naleving van de voorschriften van de vergunning. Van dat onderzoek is op 6 juli 2015 een rapport uitgebracht waarin onder meer het volgende is vermeld:

“4.3aangifteproces

(…)

Naast de gebrekkige interne beheersing van de mutaties in het voorraadverloop, is vastgesteld dat [eiseres] alle inslagen en uitslagen in EMCS in de controleperiode direct conform heeft afgemeld (…). Door het conform afmelden is in ECMS geen inzicht in de uitlossingsverschillen op e-AD’s.

In de administratie vindt voor zowel de inslagen als uitslagen geen registratie plaats van het ARC-nummer. Hierdoor is geen aansluiting mogelijk tussen het Excise Movement Control System (hierna: EMCS) en de administratie. Ook is geen maandelijkse aansluiting mogelijk tussen de maandverklaringen.

4.4

Conclusie

De conclusie met betrekking tot de administratieve organisatie en interne beheersing is als volgt:

  • -

    De administratieve vastleggingen en beheersingsmaatregelen met betrekking tot de ingeslagen, opgeslagen en uitgeslagen goederen in de controleperiode bieden onvoldoende waarborgen dat de voorgeschreven vastleggingen juist, tijdig en volledig plaats zullen vinden.

  • -

    Daarnaast blijken uit de administratie niet altijd de rechten en verplichtingen van de onderneming inzake de belastingen, zoals gegevens over hoeveelheid, aard en samenstelling van de geproduceerde en/of opgeslagen goederen.

(…) Voldoende zekerheid over de juistheid, tijdigheid en volledigheid van de goederenbeweging in de AGP kan echter niet verkregen worden aangezien de werking van de onvervangbare maatregelen van administratieve organisatie en interne beheersing (bijvoorbeeld toereikende primaire vastleggingen en functiescheiding) in de controleperiode niet vastgesteld kan worden.

(…)

5.2

Aansluitingen


Zoals reeds aangegeven in § 4.3 is de betrouwbaarheid van het voorraadverloop onvoldoende gewaarborgd (…). Dit wordt veroorzaakt doordat [eiseres] geen zichtbaar vastgelegde aansluiting maakt tussen onder andere:

  • -

    de financiële administratie (Navison) en het voorraadverloop;

  • -

    de ingeslagen en uitgeslagen hoeveelheden volgens ECMS en het voorraadverloop omdat het ARC-nummer niet in Navision wordt geregistreerd;

(…)

De gepeilde hoeveelheden volgens de meterstanden c.q. handmatige inventarisatie door middel van peilstokken wordt wel geregistreerd in Navision en handmatig in omvangrijke maandelijkse Excel-sheets vastgelegd.

(…)

5.4.3.

Verschillen op e-AD

[Eiseres] heeft alle ontvangsten in EMCS ten onrechte voor de volledige hoeveelheid conform afgemeld. In EMCS zijn dus niet de werkelijke ontvangen hoeveelheden opgenomen.

(…) Gezien de omvang van de verschillen, heeft [eiseres] na de eindbespreking van het concept-controlerapport een integraal overzicht verstrekt van alle verschillen op e-AD over de periode 2010 tot en met 2013 (2009 is reeds verjaard).

Uit dit overzicht blijkt dat er sprake is van verschillen groter dan de norm van 0,3% van in totaal 357.191 liter. Aangezien [eiseres] alle ontvangsten op e-AD voor de gehele hoeveelheid conform heeft afgemeld in EMCS, worden deze verschillen groter dan de norm geacht te zijn uitgeslagen tot verbruik. Het conform afmelden van een e-AD, terwijl de hoeveelheid meer dan wel minder is, is niet toegestaan. Dit leidt tot de volgende naheffing:

(…) € 116.452.”

Geschil

4. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht aan eiseres is opgelegd en of de beschikkingen terecht zijn vastgesteld.

5. Verweerder stelt dat sprake is van een onttrekking van accijnsgoederen aan een accijnsschorsingsregeling in de zin van artikel 2, eerste lid, letter a, van de Wet op de accijns (WA). Voorts stelt verweerder dat de administratie van eiseres niet voldoet aan de eisen van artikel 52 van de Algemene wet inzake rijkbelastingen (Awr) en artikel 41 van de WA. De naheffingsaanslag is daarom terecht aan eiseres opgelegd.

6. Eiseres stelt dat de overbrenging van de goederen eerst is geëindigd op het moment dat zij de goederen, nadat het transportmiddel waarin deze zijn vervoerd volledig is uitgeladen, in haar voorraadadministratie heeft opgenomen. Zij wijst in dit verband op artikel 16, tweede lid, letter d, van Richtlijn 2008/118/EG (de Accijnsrichtlijn) en op het arrest van het Hof van Justitie van de EU (HvJ) van 28 januari 2016, C-64/15, ECLI:EU:C:2016:62 (het BP-arrest). Er dient daarom van de gegevens in haar administratie te worden uitgegaan en niet van haar (onjuiste) meldingen in EMCS. Voor de minder-bevindingen zoals die blijken uit haar administratie, is geen sprake van beëindiging van de overbrenging. Verweerder dient zich op grond van artikel 2c van de WA te wenden tot degene die de goederen heeft verzonden en, zo nodig, aan hem de naheffingsaanslag op te leggen. Eiseres weerspreekt dat haar administratie niet voldoet aan de eisen van artikel 52 van de Awr.

Beoordeling van het geschil

7. Op grond van artikel 1 van de WA wordt accijns geheven ter zake van de uitslag tot verbruik van minerale oliën. Volgens artikel 2, eerste lid, letter a, van de WA wordt onder uitslag tot verbruik mede verstaan het aan een accijnsschorsingsregeling onttrekken, daaronder begrepen het onregelmatig onttrekken, van accijnsgoederen.

8. Als uitslag tot verbruik wordt op grond van artikel 2a van de WA niet aangemerkt het, met inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden, brengen van een accijnsgoed naar een AGP. Artikel 2b, tweede lid, van de WA bepaalt dat de overbrenging van accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling eindigt, in het in artikel 2a, eerste lid, onderdeel a, bedoelde geval, op het tijdstip waarop de geadresseerde de accijnsgoederen in ontvangst heeft genomen. Dit is in overeenstemming met het bepaalde in artikel 20, tweede lid, van de Accijnsrichtlijn.

9. In het Uitvoeringsbesluit Accijns (Besluit) zijn nadere voorwaarden gesteld aan de overbrenging van accijnsgoederen als bedoeld in artikel 2a, eerste lid, letter a, van de WA (de overbrenging). Artikel 2 van het Besluit bepaalt dat de overbrenging geschiedt onder dekking van een e-AD. Aan het e-AD wordt door EMCS een zogenoemde ARC (unieke administratie referentiecode) toegekend. Bij ontvangst van de goederen moet de geadresseerde uiterlijk binnen vijf werkdagen na het beëindigen van de overbrenging overeenkomstig artikel 2b, tweede lid van de WA een bericht van ontvangst zenden. Uit artikel 1a van het Besluit volgt dat onder een bericht van ontvangst moet worden verstaan “het bericht als bedoeld in artikel 7 en tabel 6 van bijlage 1, van de Uitvoeringsverordening” (Verordening (EG) nr. 684/2009 van de Commissie van 24 juli 2009 tot uitvoering van Richtlijn 2008/118/EG van de Raad wat betreft de geautomatiseerde procedures voor de overbrenging van accijnsgoederen onder schorsing van accijns (PbEU 2009, L 197). Artikel 4a, eerste lid, van het Besluit bepaalt dat het bericht van ontvangst het bewijs vormt dat een overbrenging is geëindigd. Dat betekent dat de overbrenging is geëindigd op het moment dat de goederen op de voorgeschreven wijze zijn afgemeld in EMCS.

10. In het BP-arrest is overwogen dat uit artikel 16, tweede lid, letter d, van de Accijnsrichtlijn volgt dat de Unie-wetgever als einde van de overbrenging het tijdstip in aanmerking heeft willen nemen waarop de ontvanger de goederen daadwerkelijk heeft ontvangen en de hoeveelheid ervan nauwkeurig heeft kunnen bepalen. Daaruit volgt echter niet dat voorbij moet worden gegaan aan de verplichting bericht van ontvangst in te sturen of dat aan de inhoud van dat bericht van ontvangst geen betekenis moet worden toegekend. De ontvanger van de goederen in het BP-arrest had een bericht van ontvangst ingestuurd en daarin vermeld dat hij minder had ontvangen dan de op het e-AD vermelde hoeveelheid en het geschil zag in die zaak in het bijzonder op de vraag op welke wijze die minderbevinding in de heffing kon worden betrokken. Het bericht van ontvangst was in die zaak dan ook uitgangspunt.

11. Gezien het voorgaande is met de door eiseres ingezonden berichten van ontvangst conform de gegevens op de e-AD’s, de overbrenging van de totale hoeveelheid goederen vermeld op de desbetreffende e-AD’s geëindigd. De verantwoordelijkheid voor de goederen ligt vanaf het moment van het indienen van berichten van ontvangst in EMCS bij eiseres. Nu eiseres voor de tekorten geen andere verklaring heeft gegeven dan dat die berichten van ontvangst onjuist waren, heeft verweerder de naheffingsaanslag aan eiseres kunnen en mogen opleggen.

12. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat voorbij moet worden gegaan aan haar ontvangstberichten en dat de gegevens in haar administratie leidend moeten zijn omdat dit in strijd is met doel en strekking van het onder dekking van een e-AD doen overbrengen van goederen. Door dit systeem is het mogelijk accijnsgoederen te vervoeren zonder voldoening van accijns en zonder dat bij ieder vervoer en/of lossing van accijnsgoederen een controleambtenaar aanwezig behoeft te zijn en is duidelijk wie wanneer verantwoordelijk kan worden gehouden voor de goederen. Wanneer, zoals eiseres bepleit, geen betekenis zou moeten worden toegekend aan haar meldingen in EMCS, zou dit tot langdurige en grote rechtsonzekerheid leiden bij de verzender. Eiseres had de door haar gestelde tekorten moeten melden aan de verzender en de douaneautoriteiten zodat er onderzoek kon worden ingesteld dan wel maatregelen konden worden getroffen. Het enkel verwerken van gegevens in haar administratie kan niet worden aangemerkt als een dergelijke melding nu die verwerking noch de douaneautoriteiten noch de verzender bekend zijn.

13. De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat niet is vast komen te staan in hoeverre de meldingen in EMCS onjuist waren en dat de informatie in de administratie van eiseres de werkelijk ontvangen hoeveelheden weergeeft. Verweerder heeft weliswaar ter zitting bevestigd dat wanneer van die administratie wordt uitgegaan de bij eiseres vastgestelde verschillen kunnen worden verklaard, maar verweerder heeft er terecht op gewezen dat uit het controlerapport volgt dat die administratie niet zonder meer als juist kan worden aangemerkt.

14. Eiseres heeft geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de beschikkingen en ook overigens is niet gebleken dat de rente niet overeenkomstig de desbetreffende wettelijke bepalingen is berekend.

15. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht de belasting nageheven van eiseres en is het beroep ongegrond.

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Ebbeling, rechter, in aanwezigheid van mr. S.R.M. Dekker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.