Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:10288

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-08-2016
Datum publicatie
29-08-2016
Zaaknummer
NL16.1951
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Iran, 3.113, tweede lid, Vb, afvalligheid, relevant element

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL16.1951

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 25 augustus 2016 in de zaak tussen

[naam] , eiser,

gemachtigde mr. drs. J.M. Walls,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. N.H.T. Jansen.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 4 augustus 2016 (het bestreden besluit), genomen in de zogeheten algemene asielprocedure, waarbij de asielaanvraag van eiser is afgewezen.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2016. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en bezit de Iraanse nationaliteit. Op 9 oktober 2015 heeft hij een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.

2. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

  • -

    eiser heeft verklaard dat hij [naam] heet, afkomstig is uit [plaats] en de Iraanse nationaliteit bezit;

  • -

    eiser heeft verklaard dat hij zich oriënteert in andere geloven dan de islam;

  • -

    eiser heeft verklaard dat hij problemen met zijn vader heeft ondervonden omdat zijn vader hem als afvallige beschouwt.

3. Verweerder heeft de aanvraag als ongegrond afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. Verder wordt eiser gevolgd in zijn verklaring dat hij gelooft in een God, maar geen bepaalde, definieerbare religie aanhangt. Deze verklaring is echter onvoldoende zwaarwegend voor de conclusie dat eiser in Iran gegronde reden heeft voor vervolging. Niet gebleken is dat eiser hierdoor in de negatieve aandacht zou staan dan wel zou geraken van de Iraanse autoriteiten, dan wel de maatschappij in het algemeen. De verklaringen van eiser over de gestelde problemen met zijn vader zijn door verweerder niet geloofwaardig geacht. Eiser wordt niet gevolgd in zijn verklaring dat zijn vader werkzaam was bij de inlichtingendienst, omdat eiser summiere en bevreemdingwekkende verklaringen heeft afgelegd over de werkzaamheden van zijn vader. Evenmin is het geloofwaardig dat eiser door zijn vader in het bijzijn van de collega’s van zijn vader zou zijn mishandeld en is aangemerkt als atheïst. Niet valt in te zien waarom de vader van eiser dit in het bijzijn van zijn collega’s zou doen. Immers, op deze wijze lijdt eisers vader, als zijnde een streng religieuze moslim, aan gezichtsverlies in het bijzijn van zijn islamitische collega’s. Tenslotte heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser komt daarom niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw.

4. Op wat eiser daartegen heeft aangevoerd wordt – voor zover van belang – hierna ingegaan.

De rechtbank overweegt als volgt.

5. Eiser heeft zich allereerst, onder verwijzing naar artikel 3.113, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000, op het standpunt gesteld dat verweerder hem, in het kader van de samenwerkingsverplichting, tijdens het nader gehoor ten onrechte niet heeft geconfronteerd met de tegengeworpen bevreemdingwekkende, inconsistente of tegenstrijdige verklaringen. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog. Tijdens het nader gehoor is eiser uitgebreid in de gelegenheid gesteld om te verklaren. Blijkens het verslag van het nader gehoor is door verweerder veelvuldig doorgevraagd of om verduidelijking gevraagd. De rechtbank wijst in dit verband bijvoorbeeld op p. 18 van het gehoor, waar op diverse punten expliciet om een nadere uitleg is gevraagd. Daarnaast is eiser in de gelegenheid gesteld om correcties of aanvullingen te geven op het rapport van het nader gehoor, maar heeft hij aangegeven deze niet te hebben. Tenslotte is nog van belang dat eiser ook in de zienswijze in de gelegenheid is gesteld te reageren op de tegenwerpingen van verweerder in het voornemen.

6. De rechtbank stelt vervolgens vast dat eiser ter zitting heeft opgemerkt dat hij heeft gepersisteerd bij de zienswijze en dus ook de stelling handhaaft dat verweerder ten onrechte de problemen met zijn vader niet geloofwaardig heeft geacht. In het bestreden besluit heeft verweerder daarop uitgebreid en met een deugdelijke motivering gereageerd. Eiser heeft in beroep niet aangegeven waarom de gegeven motivering in het bestreden besluit op dit punt niet juist zou zijn. Deze beroepsgrond kan daarom niet slagen.

7. Tussen partijen is niet langer in geschil dat eiser zich niet heeft bekeerd tot het Christendom.

8. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder ten onrechte de afvalligheid van eiser niet als relevant element van het asielrelaas bij het voornemen heeft betrokken. Verweerder heeft immers geloofwaardig geacht dat eiser in een God gelooft, maar geen bepaalde religie aanhangt. Dit kan slechts worden opgevat als een erkenning van de afvalligheid van eiser. Eiser wijst hierbij op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2015 (ECLI:NL:RBDHA:2015:9835).

9. Verweerder heeft geloofwaardig geacht dat eiser gelooft in een God, maar geen specifieke religie aanhangt. Verweerder verbindt hier echter niet de conclusie aan dat eiser als afvallige is aan te merken.

10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder weliswaar de gestelde afvalligheid van eiser niet expliciet als relevant element van het asielrelaas heeft benoemd, maar deze wel heeft beoordeeld in het kader van de geloofwaardigheid van de stelling van eiser dat hij gelooft in een God, maar geen specifieke religie aanhangt. In dit kader heeft verweerder verwezen naar het verslag van het eerste gehoor waarin eiser verklaard heeft een geboren sjiitisch moslim te zijn. Op de vraag wanneer hij van zijn geloofsovertuiging is afgestapt, heeft eiser geantwoord: “Iedere religie heeft goede en slechte kanten. Het is niet zo dat ik volledig afstand heb genomen”. Eiser heeft verder verklaard dat hij zich heeft georiënteerd op het gebied van religie. Uit de verklaringen van eiser is op te maken dat hij zichzelf nimmer als afvallige heeft aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hieraan dan ook terecht de conclusie verbonden dat eiser niet volledig afstand heeft genomen van de islam en derhalve niet als afvallige is aan te merken. De door eiser overgelegde doopakte van de Pinkstergemeente Morgenstond te Schiedam kan evenmin gelden als onderbouwing van de gestelde afvalligheid. Deze zou slechts kunnen dienen als onderbouwing van een bekering tot het Christendom, maar hiervan is volgens eiser geen sprake.

11. Het beroep van eiser op de uitspraak van zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2015 kan tenslotte evenmin slagen, nu van een vergelijkbaar geval geen sprake is. Anders dan in die zaak is niet gebleken dat eiser zich heeft afgewend van het geloof. Niet gebleken is immers dat eiser zich niet langer ziet als sjiitisch moslim.

12. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser bij terugkeer naar Iran geen gegronde reden heeft om te vrezen voor vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag en geen reëel risico loopt om te worden onderworpen aan een behandeling of bestraffing als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Eiser komt daarom niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw.

13. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Valk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2016.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.