Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:1014

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-02-2016
Datum publicatie
30-03-2016
Zaaknummer
15/3787
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 15/3787

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 februari 2016 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder

(gemachtigde: mr. R.A.C. Rijk).

Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres toestemming geweigerd om gebruik te maken van de startersregeling op grond van de Werkloosheidswet (WW).

Bij besluit van 14 april 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2015. Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Bij tussenuitspraak van 25 september 2015 is verweerder in de gelegenheid gesteld om een in het bestreden besluit geconstateerd gebrek te herstellen. Verweerder heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt en op 23 november 2015 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Daarbij is het bezwaar van eiseres andermaal ongegrond verklaard.

Eiseres heeft bij brief van 10 december 2015 op de gewijzigde beslissing gereageerd. Verweerder heeft bij brief van 7 januari 2016 nader verweer gevoerd.


De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 24 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR5704) en 15 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX4694).

2. Verweerder heeft eiseres toestemming geweigerd om gebruik te maken van de startersregeling op grond van de WW. Daartoe heeft verweerder overwogen dat eiseres niet is aan te merken als startende zelfstandige, omdat zij reeds als zelfstandige werkzaam was. Eiseres heeft zich in beroep gemotiveerd tegen dit standpunt van verweerder gekeerd.

3. In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen:

“6.1 Niet in geschil is dat eiseres voorafgaande aan de aanvraag om toestemming voor het gebruik maken van de startersregeling werkzaamheden heeft verricht voor verschillende bezwaar- en adviescommissies. Voor het bijwonen van hoorzittingen ontving zij een vacatievergoeding. Voorts heeft zij in die periode werkzaamheden in loondienst verricht op basis van tijdelijke contracten. De inkomsten die eiseres genoot zijn steeds verrekend met de WW-uitkering.

6.2.

Ten einde te kunnen beoordelen of de werkzaamheden die eiseres in de hoedanigheid van zelfstandige met een juridische adviespraktijk wil gaan verrichten in het verlengde liggen van de werkzaamheden die zij als jurist in het recente verleden heeft gedaan, dient inzicht te bestaan in de aard van de verrichte en in de toekomst te verrichten werkzaamheden. De rechtbank heeft geconstateerd dat het oordeel van verweerder dat eiseres reeds als zelfstandige werkzaam was, niet is gebaseerd op een deugdelijke vergelijking van de werkzaamheden vóór en na aanvang van de startperiode. Hierbij is met name van belang dat verweerder eiseres niet in de gelegenheid heeft gesteld om uiteen te zetten wat zij van plan is te gaan doen als zelfstandige, zodat de noodzakelijke vergelijking ook niet viel te maken. Eiseres beroept zich er niet ten onrechte op dat niet alle werkzaamheden van juridische aard op één hoop kunnen worden gegooid. Zonder inhoudelijke beoordeling van de (aard van de voorgenomen en tot op heden verrichte) werkzaamheden kan verweerder de vereiste toetsing of eiseres aan de voorwaarde van artikel 77a van de WW voldoet, niet uitvoeren. De enkele verwijzing door verweerder naar de uitspraken van 23 april 2014 van de CRvB en de uitspraak van 29 januari 2015 van deze rechtbank ter onderbouwing van zijn standpunt is onvoldoende.

6.3.

Door verweerder moet daarom nog worden getoetst of de voorgenomen werkzaamheden in het verlengde liggen van wat eiseres reeds als free-lancer heeft verricht. Die toets kan verweerder alleen verrichten, nadat eiseres in de gelegenheid is gesteld om (tamelijk gedetailleerd) uit de doeken te doen wat zij precies van plan is met haar juridische adviespraktijk”.

4. Eiseres heeft vervolgens bij schrijven van 10 november 2015 een schets gegeven van haar plannen om als zelfstandige een juridische adviespraktijk op te bouwen. Na kennisneming daarvan heeft verweerder op 23 november 2015 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. De wijziging betreft alleen de motivering; het bezwaar van eiseres is opnieuw ongegrond verklaard. Verweerder stelt zich (bij nader inzien) op het standpunt dat uit de plannen van eiseres niet kan worden afgeleid dat zij met de voorgenomen werkzaamheden structureel in haar bestaan kan voorzien. Dat betekent dat niet wordt voldaan aan artikel 77a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW. Afgezien daarvan blijft verweerder van oordeel dat eiseres reeds voor de aanvraag is begonnen met haar werkzaamheden als zzp-er juridisch advies, en dat zij daarom niet als startende zelfstandige is te beschouwen (artikel 77a, eerste lid, aanhef en onder b van de WW).

5. In de (aanvullende) gronden van beroep stelt eiseres zich op het standpunt dat de afwijzingsgrond van artikel 77a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW geen stand houdt. Afgezien van het feit dat eiseres nooit om een financiële of bedrijfseconomische planning is gevraagd, zijn er voldoende aanknopingspunten om te veronderstellen dat eiseres met de geschetste werkzaamheden structureel in de kosten van het bestaan kan voorzien. Wat de tweede afwijzingsgrond betreft betwist eiseres dat zij als zelfstandige werkzaamheden heeft verricht als juridisch adviseur bij verschillende brancheorganisaties van schoolbesturen. Eiseres stelt dat het hierbij steeds ging om een (verzekeringsplichtige) arbeidsverhouding.

6. De rechtbank is van oordeel dat de gegevens die eiseres aan verweerder heeft verschaft, onvoldoende concrete aanknopingspunten opleveren om aan te nemen - zoals verweerder heeft gedaan - dat eiseres in de toekomst met de voorgenomen werkzaamheden niet structureel in haar bestaan kan voorzien. In de beschrijving van de beoogde juridische adviespraktijk is eiseres uitgegaan van een uurtarief van tussen de € 60 en € 80 exclusief btw, en 8 tot 12 declarabele uren per week. Dit is, zo heeft verweerder ook erkend, een gebruikelijk tarief. Daarmee kan een omzet worden behaald die hoger is dan de WW-uitkering van eiseres. De enkele veronderstelling van verweerder dat in de aanloopfase van een juridisch adviesbureau sprake zal zijn van relatief hoge kosten, die van invloed zijn op het uiteindelijke resultaat, acht de rechtbank onvoldoende om de levensvatbaarheid van een dergelijke adviespraktijk in twijfel te trekken. Gelet op de expertise van eiseres en de jarenlange (werk)ervaring die zij met soortgelijke juridische werkzaamheden heeft opgedaan, kan aan het feit dat eiseres (nog) geen opgave heeft kunnen doen van potentiële klanten, evenmin doorslaggevende betekenis worden toegekend bij de beantwoording van de vraag of aannemelijk is dat eiseres in de toekomst met de werkzaamheden structureel in haar bestaan kan voorzien. De stelling van verweerder dat niet wordt voldaan aan de voorwaarde van artikel 77a, eerste lid, onder a, van de WW houdt al met al geen stand.

7.1

Blijkens de overwegingen van het bestreden besluit en de daarop in het nadere verweer gegeven toelichting baseert verweerder de stelling dat de werkzaamheden van eiseres als zelfstandige reeds vóór de gevraagde startperiode een aanvang hebben genomen, thans uitsluitend nog op de door eiseres in de jaren 2007-2014 verrichte werkzaamheden als adviseur bij verschillende brancheorganisaties van schoolbesturen. Die werkzaamheden zijn namelijk niet in alle gevallen vermeld op een overzicht van inkomstenverhoudingen uit Suwinet. Verweerder leidt hieruit blijkbaar af dat het om freelance-werk ging. Eiseres heeft in haar reactie op het herziene besluit van verweerder uitdrukkelijk betwist dat het (gedeeltelijk) advieswerkzaamheden als zelfstandige betrof; volgens haar ging het steeds om arbeid in dienstbetrekking.

7.2

Op basis van de door eiseres verschafte gegevens gaat de rechtbank er van uit dat verweerder het oog heeft gehad op advieswerk van eiseres in de periode 2007-2009 bij het [bureau X] ([bureau X]). Vast staat immers dat het in alle andere gevallen van soortgelijke adviesfuncties om verzekeringsplichtige arbeid ging.
Naar het oordeel van de rechtbank kan in het midden blijven of de werkzaamheden waarop verweerder doelt als zelfstandige of in een verzekeringsplichtige dienstbetrekking zijn verricht. De enkele omstandigheid dat eiseres in een wat verder verleden als freelancer ooit advieswerkzaamheden heeft verricht voor een brancheorganisatie van schoolbesturen rechtvaardigt niet de conclusie dat eiseres al voor aanvang van de startperiode werkzaam was als zelfstandig juridisch adviseur. Die conclusie zou alleen kunnen worden getrokken indien duidelijk is dat vlak voor de startperiode reeds werkzaamheden als zelfstandige zijn verricht die op één lijn liggen met de adviespraktijk waarvoor de toestemming als bedoeld in artikel 77a van de WW is gevraagd. Dat laatste was in het geval van eiseres niet aan de orde.

8. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat verweerder er niet in is geslaagd om het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Dit betekent dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt. De rechtbank ziet tevens aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit van 19 december 2014, waarbij de aanvraag van eiseres is afgewezen, te herroepen. Aangezien gesteld noch gebleken is dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden die zijn genoemd in artikel 77a, eerste lid, aanhef en onder c tot en met e, van de WW, zal de rechtbank tevens bepalen dat aan eiseres toestemming wordt verleend om gebruik te maken van de in dit artikel bedoelde startersregeling gedurende 26 kalenderweken.

9. Nu niet is gebleken van kosten die daarvoor in aanmerking komen, bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank :

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit van 19 december 2014 en bepaalt dat aan eiseres toestemming wordt verleend om gebruik te maken van de startersregeling van de WW;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,- aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van J.M. Lo-A-Njoe, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.