Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:10085

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-08-2016
Datum publicatie
17-10-2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 2476
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rapportage onvoldoende grondslag voor herziening studiefinanciering omdat één van de controleurs een zzp’er is

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 16/2476

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 augustus 2016 in de zaak tussen

[eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde mr. M.C. Schmidt)

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft tegen het hierna onder 3 te noemen besluit bezwaar gemaakt.
Verweerder heeft bij besluit van 17 februari 2016 het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2016.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon 1] .

Overwegingen

1. Bij bericht van 1 juni 2013 is aan eiseres studiefinanciering toegekend vanaf september 2013, naar de norm van uitwonende studerende. Het aan de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) opgegeven woonadres is [adres] .

Op dit adres staat eiseres sinds 7 september 2012 ingeschreven in de gemeentelijke basisregistratie personen (hierna ook: BRP-adres).

2. Op 19 oktober 2015 is door controleurs van DUO in het kader van een controle een huisbezoek uitgevoerd op voornoemd adres. Van dit huisbezoek is een rapport opgemaakt.

3. Bij bericht van 13 november 2015 is de hoogte van de studiefinanciering van eiseres per 1 september 2013 aangepast naar de norm van thuiswonende studerende. De teveel uitgekeerde studiefinanciering ad € 5.225,26 wordt verrekend met de nog door eiseres te ontvangen studiefinanciering.

4. Bij brief van 20 november 2015 heeft verweerder zijn voornemen aangekondigd om aan eiseres een boete van 50% van de teveel toegekende studiefinanciering op te leggen.

5. Bij brief van 27 november 2015 en 21 december 2015 heeft eiseres, voor zover hier van belang, bezwaar gemaakt tegen het besluit van 13 november 2015.

Geschil
6. In geschil is of verweerder terecht de studiefinanciering van eiseres vanaf 1 september 2013 heeft omgezet naar de norm van thuiswonende studerende.

Eiseres betoogt dat zij en haar zus wonen in het huis van hun oma. Oma is verzorgingsbehoeftig. Eiseres en haar zus verlenen ook zorg aan oma en zij ontvangen een vergoeding uit het persoonsgebonden budget. Hun oom, [persoon 2] , staat wel ingeschreven op het BRP-adres maar is er niet constant aanwezig vanwege zijn verslavingsproblematiek. Er zijn drie slaapkamers dus er is voor iedereen een slaapplek. Eiseres draagt net als haar zus traditionele kleding, welke kleding ten tijde van het huisbezoek in de kasten hing. Eiseres heeft voorts nog in beroep een aantal foto’s en een met haar oma gesloten huurovereenkomst overgelegd.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de herziening naar de norm van thuiswonende terecht heeft plaatsgevonden.

Beoordeling van het geschil

7. Op 19 oktober 2015 hebben de controleurs [persoon 3] en [persoon 4] in opdracht van verweerder onderzoek gedaan naar de woonsituatie van eiseres. Zij hebben daartoe een huisbezoek afgelegd op het BRP-adres van eiseres. De bevindingen van het huisbezoek zijn neergelegd in een rapport van 26 oktober 2015. Verweerder heeft dit rapport ten grondslag gelegd aan zijn beslissing tot herziening van de studiefinanciering van eiseres.

7.1.

De Centrale Raad van Beroep heeft in zijn uitspraak van 1 juni 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:1943) geoordeeld dat herziening van eerder toegekende studiefinanciering op basis van een uitwonendencontrole die – mede – is uitgevoerd door een zelfstandige zonder personeel (zzp’er), die voor dat onderzoek is ingeschakeld door een privaat bedrijf, niet mogelijk is. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd verklaard dat de controleur [persoon 4] die het huisbezoek heeft uitgevoerd een zzp’er is, die in opdracht van [bedrijf] huisbezoeken uitvoerde. De controleur [persoon 3] is in dienst van een payrollbedrijf. Nog daargelaten de status van de controleur [persoon 3] , vast staat dat de controleur [persoon 4] een zzp’er is, ten tijde van het huisbezoek niet in dienst was van [bedrijf] en als zodanig niet valt onder het bereik van de in aanwijzingsbesluit nr. 8364 van 1 mei 2012 genoemde personen. Geoordeeld moet daarom worden dat controleur [persoon 4] ten tijde van de huiszoeking niet bevoegd was tot het houden van toezicht op de naleving van artikel 1.5 van de Wsf 2000.

7.2.

De in het rapport van 26 oktober 2015 weergegeven bevindingen van het huisbezoek kunnen niet worden herleid naar de bevindingen van de individuele controleurs. Dit betekent dat de hierboven vastgestelde onbevoegdheid van ten minste één van de twee controleurs ertoe leidt dat de bevindingen van het huisbezoek onrechtmatig zijn verkregen. Dit moet worden aangemerkt als onrechtmatig verkregen bewijs, waarvan moet worden gezegd dat het gebruik maken daarvan door de minister zozeer indruist tegen wat van een behoorlijk handelend bestuursorgaan mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht.

7.3.

Aangezien zonder de bevindingen uit het rapport 26 oktober 2015 onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van verweerder dat eiseres niet woont op het adres waaronder zij in de BRP staat ingeschreven, berust het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering. Het door verweerder ter zitting ingenomen standpunt dat in het geval van de onbevoegdheid van één van de controleurs dit alleen ter zake van een boetebesluit consequenties dient te hebben, volgt de rechtbank niet. De overwegingen in de hierboven genoemde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep geven voor een dergelijk standpunt geen aanleiding.

8. Gelet op wat hiervoor is overwogen, zal het beroep gegrond worden verklaard.

De bestreden beslissing op bezwaar zal worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb en het besluit van 13 november 2015 zal worden herroepen aangezien daaraan hetzelfde gebrek kleeft.

Proceskosten
9. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 992 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de beslissing op bezwaar;

- herroept het besluit van 13 november 2015;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de bestreden beslissing op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 992;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. N. Djebali, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C. Stroebel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending van de uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.