Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:9986

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-08-2015
Datum publicatie
31-08-2015
Zaaknummer
C/09/489393 / KG ZA 15-739
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Verbod tenuitvoerlegging Belgisch arrest afgewezen. Geen strijd met artikel 2:10 WETS, oordeel met betrekking tot erkenning niet onzorgvuldig, geen verplichte weigeringsgrond, Belgische regeling vi niet van toepassing, geen strijd met EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/489393 / KG ZA 15-739

Vonnis in kort geding van 24 augustus 2015

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] (gemeente [gemeente] ),

eiser,

advocaat mr. J.A.M. Schoenmakers te Breda,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

de Staat der Nederlanden, (Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 4 juni 2015;

- de door [eiser] overgelegde 18 producties;

- de door de Staat overgelegde 9 producties;

- de op 14 augustus 2015 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Op 8 september 2011 is [eiser] door de Correctionele Rechtbank van Antwerpen veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar en een geldboete van € 1.000,-- in verband met (samengevat) het medeplegen van het vervaardigen van verdovende middelen, bevattende MDMA, alsmede deelneming aan een criminele organisatie.

2.2.

[eiser] heeft hoger beroep ingesteld tegen de in 2.1. vermelde veroordeling en het Hof van beroep Antwerpen heeft [eiser] bij arrest van 20 december 2012, hierna ‘het arrest’, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaar. Bij arrest van 4 juni 2013 heeft het Hof van Cassatie van België het cassatieberoep van [eiser] verworpen en het arrest in stand gelaten. Het arrest is thans onherroepelijk.

2.3.

Bij brief (met bijlagen) van 4 augustus 2014 heeft het Parket bij het Hof van beroep Antwerpen aan de ‘Afdeling Internationale Overdracht Strafvonnissen’, onderdeel van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, verzocht om de aan [eiser] opgelegde gevangenisstraf over te nemen. Daarbij is tevens het ‘Certificaat bedoeld in artikel 4 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie’, hierna ‘het certificaat’, overgelegd.

2.4.

Op 17 november 2014 heeft de officier van justitie in het arrondissement Zeeland West Brabant met betrekking tot [eiser] een bevel tot voorlopige aanhouding ex artikel 2:19 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (WETS) verricht en daarbij de voorlopige aanhouding van [eiser] gelast.

2.5.

[eiser] is op 5 december 2014 aangehouden, waarna hem een op 6 november 2014 door de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI), onderdeel van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, opgestelde brief is uitgereikt. In deze brief wordt het voornemen om de in het arrest aan [eiser] opgelegde gevangenisstraf met toepassing van de WETS ten uitvoer te leggen aan [eiser] kenbaar gemaakt.

2.6.

Bij brief van 18 februari 2015 heeft het Hoofd Afdeling Internationale Overdracht Strafvonnissen (IOS), namens de Minister van Veiligheid en Justitie – voor zover hier van belang – het volgende aan mr. [X], advocaat te Breda en optredende voor [eiser] , hierna ‘mr. [X]’, meegedeeld:

“(…)

De stukken zijn al ter verdere behandeling toegezonden aan de advocaat-generaal van het ressortsparket Arnhem. Volgens art. 5:2 jo. art. 2:11 WETS beziet het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden of de opgelegde sanctie overeenkomt met de sanctie die in Nederland voor het desbetreffende feit zou zijn opgelegd en kan het gerechtshof –voor zover nodig- de sanctie dienovereenkomstig aanpassen. Er vindt geen zitting plaats en betrokkene zal niet aanwezig zijn bij behandeling van zijn dossier.

(…)

Nu sprake is van een terugkeergarantie heeft u de mogelijkheid een schriftelijke inbreng te sturen waarin u uw standpunt namens cliënt uiteenzet. Deze kunt u naar mijn afdeling toezenden. Zodra ik uw inbreng ontvang, zal ik dit zo snel mogelijk doorzenden naar het gerechtshof. Mijn verzoek is om dit zo spoedig mogelijk aan te leveren, zodat het gerechtshof tot een oordeel kan komen.

Voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.)

Bij straffen boven de 3 jaar is het toewijzen van v.i. in België de bevoegdheid van een Strafuitvoeringsrechtbank. De gedetineerde wordt er – voor het tijdstip van zijn eerst mogelijke v.i. – door de gevangenisdirectie op gewezen dat hij/zij een verzoek tot v.i. mag doen.

In het certificaat is dit ook als zodanig aangegeven door de Belgische autoriteiten: de gedetineerde zou voor de eerste maal bij 1/3 van zijn straf kunnen voorkomen voor de strafuitvoeringsrechtbank.

Er is geen ‘recht’ op een eerdere v.i.. Nu de toewijzing daarvoor in België de bevoegdheid is van een rechtbank, betekent dit dat de Belgische autoriteiten in de meeste gevallen geen zekerheid kunnen geven over een eerdere v.i. Ik heb als beleid om alleen dan met een eventuele gunstigere buitenlandse v.i.-datum rekening te houden, wanneer deze zeker is of met grote mate van waarschijnlijkheid vaststaat. Nu in België daarvoor eerst een verzoek moet worden gedaan door betrokkene, een rechter vervolgens nog over het toekennen ervan moet beslissen en onduidelijk is of het zal worden toegekend, kan Nederland geen rekening houden met een eventueel in de toekomst te nemen beslissing.

In het dossier van uw client ga ik uit van de Nederlandse v.i-regeling bij 2/3 van zijn straf. Wanneer ik het oordeel van het gerechtshof heb ontvangen, zal ik met de Belgische autoriteiten contact opnemen over het vervolg.

(…)”.

2.7.

Op 6 maart 2015 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, hierna ‘het gerechtshof’, (samengevat) geoordeeld dat er geen gronden zijn om de erkenning van het arrest te weigeren, dat de feiten waarvoor [eiser] in België is veroordeeld ook naar Nederlands recht strafbaar zijn en er geen wettelijke gronden zijn die aanleiding geven voor aanpassing van de opgelegde vrijheidsbenemende sanctie. Voor zover hier van belang heeft het gerechtshof geoordeeld: “Het hof neemt bij het bepalen van de op te leggen straf als uitgangspunt de straf welke zou zijn opgelegd als de feiten in Nederland zouden zijn begaan. Uit het vonnis van de Belgische autoriteiten blijkt dat de veroordeelde gedurende een periode van bijna twee jaar als deelnemer aan een criminele organisatie betrokken is geweest bij het op grote schaal en op zeer professionele wijze vervaardigen van zeer grote hoeveelheden verdovende middelen. Als de feiten in Nederland zouden zijn gepleegd, zou waarschijnlijk een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van ongeveer acht jaar zijn opgelegd. Rekening houdend met de kennelijk in België levende opvattingen omtrent de ernst van het feit ziet het hof geen aanleiding om de door de Belgische rechter opgelegde straf in duur aan te passen.”.

2.8.

In een door mr. [Y], kantoorgenoot van mr. [X], (hierna ‘mr. [Y]’) per e-mail verzonden brief van mr. [X] van 6 maart 2015, met bijlagen, is namens [eiser] een schriftelijke zienswijze aan IOS kenbaar gemaakt. Samengevat luidt het standpunt van [eiser] dat hij in Nederland niet langer in hechtenis dient te verblijven dan in België het geval zou zijn, hetgeen volgens [eiser] betekent dat de onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet langer dient te zijn dan een derde van de tien jaren die in België zijn opgelegd, aangezien hij alsdan in België in aanmerking zou komen voor voorwaardelijke invrijheidstelling. Voorts is gewezen op een veroordeling van [eiser] tot een gevangenisstraf door de rechtbank Breda, voorafgaand aan het wijzen van het arrest, als gevolg waarvan sprake is van een onevenredigheid waarmee volgens [eiser] bij de omzetting van de straf door het gerechtshof rekening dient te worden gehouden. Toen duidelijk werd dat deze e-mail niet door de betreffende afdeling was ontvangen, heeft mr. [Y] de betreffende brief op 13 maart 2015 nogmaals aan IOS gezonden.

2.9.

In een e-mailbericht van 16 maart 2015 heeft IOS het gerechtshof verzocht om de hiervoor in 2.8. bedoelde stukken van [eiser] te willen bekijken en om mee te delen of het gerechtshof in die stukken aanleiding ziet om zijn oordeel te wijzigen. In een e-mailbericht van 20 april 2015 is van de zijde van het gerechtshof aan IOS meegedeeld: “Het heeft even geduurd, maar intussen heeft iedereen van de samenstelling de stukken gelezen. Wat ons betreft zijn er geen redenen om het reeds gegeven oordeel te herzien.”.

2.10.

Als bijlagen bij een e-mailbericht van 20 maart 2015 heeft mr. [Y] nog aanvullende stukken aan IOS gezonden, met het verzoek deze stukken aan het gerechtshof voor te leggen. Uit een e-mailbericht van een juridische medewerker van het gerechtshof van 25 maart 2015 aan een medewerkster IOS blijkt dat het gerechtshof deze aanvullende stukken niet bij de beoordeling zal betrekken.

2.11.

In een e-mailbericht van 30 april 2015 heeft DJI aan mr. [Y] meegedeeld dat het gerechtshof op 20 april 2015 heeft laten weten dat de van de zijde van [eiser] op 6/13 maart 2015 aan IOS gezonden stukken het gerechtshof geen aanleiding geven om het eerder gegeven oordeel te herzien.

2.12.

Bij brief van 30 april 2015 heeft IOS, namens de Minister van Veiligheid en Justitie, (samengevat) aan mr. [Y] meegedeeld dat het gerechtshof heeft geoordeeld dat er geen gronden zijn op grond waarvan de verdere tenuitvoerlegging van de aan [eiser] in België opgelegde gevangenisstraf in Nederland dient te worden geweigerd, dat de straf van 3650 dagen zal worden voortgezet in Nederland en dat aan de Belgische autoriteiten is meegedeeld dat het verzoek tot strafoverdracht met betrekking tot [eiser] wordt erkend. Daarbij is in een ten behoeve van [eiser] opgestelde bijlage uitleg gegeven over de gevolgen van de vonnisoverdracht. Samengevat wordt meegedeeld dat het gerechtshof de opgelegde sanctie van 3650 dagen passend heeft geacht, dat rekening zal worden gehouden met aftrek van de 216 dagen die [eiser] in voorarrest heeft gezeten en dat [eiser] in aanmerking komt voor voorwaardelijke invrijheidstelling nadat hij twee derde deel van zijn straf heeft ondergaan, aangezien de Belgische autoriteiten hebben meegedeeld dat niet of niet met een grote mate van waarschijnlijkheid vast staat dat [eiser] in België al na een derde van zijn straf voorwaardelijk in vrijheid zou zijn gesteld.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – de Staat te verbieden over te gaan tot tenuitvoerlegging van het arrest, althans de Staat te veroordelen zich van tenuitvoerlegging te onthouden, althans deze tenuitvoerlegging te schorsen onder in goede justitie te bepalen voorwaarden, een en ander op straffe van een dwangsom en met veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2.

Daartoe stelt [eiser] – samengevat – het volgende. De Staat heeft in strijd met het bepaalde in artikel 2:10 van de WETS gehandeld, door niet binnen negentig dagen na ontvangst van het certificaat over de erkenning van het arrest te beslissen. [eiser] is onvoldoende in de gelegenheid gesteld om zijn zienswijze aan het gerechtshof kenbaar te maken en met door hem ingediende stukken is ten onrechte geen rekening gehouden. Voorts heeft het gerechtshof ten onrechte geen aanleiding gezien om de opgelegde straf in duur aan te passen. De wijze van totstandkoming van het oordeel van het gerechtshof, de onterechte erkenning van het arrest en de tenuitvoerlegging daarvan door de Staat zijn dan ook uitermate onzorgvuldig geweest. Voorts wijkt hetgeen in het certificaat is opgenomen met betrekking tot de plaats waar de feiten zijn gepleegd af van de gerechtelijke beslissing, zodat het gerechtshof op grond van artikel 2:13 lid 1 sub a WETS de erkenning van het arrest had moeten weigeren. Daarnaast is de overname van het arrest in strijd met artikel 2:11 lid 5 in samenhang met lid 7 WETS, doordat geen rekening is gehouden met het uitgangspunt dat een veroordeelde in België na een derde van de straf voorwaardelijk in vrijheid wordt gesteld. Ten behoeve van de zaak waarin het arrest is gewezen, is [eiser] overgeleverd aan de Belgische autoriteiten, waarbij een terugkeergarantie als bedoeld in artikel 6 lid 1 van de Overleveringswet (Olv) en een omzetgarantie (inmiddels op grond van de WETS) is bedongen. In het onderhavige geval is geen sprake van contra-indicaties die aan het toekennen van voorwaardelijke invrijheidstelling na een derde van de straf in de weg staan. De erkenning en tenuitvoerlegging van het arrest is daarnaast in strijd met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). [eiser] is immers door de rechtbank Breda bij vonnis van 16 februari 2012, derhalve voordat het arrest werd gewezen, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar, zodat toepassing van artikel 63 Sr erin zou moeten resulteren dat de naar aanleiding van die veroordeling uitgezeten straf zou worden afgetrokken van het strafmaximum. Ten slotte acht [eiser] de tenuitvoerlegging van het arrest in strijd met de artikelen 5 en 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), aangezien deze in de situatie van [eiser] leidt tot een te lange detentie en daarmee tot een schending van zijn recht op persoonlijke vrijheid en [eiser] voorts geen rechtsmiddel heeft kunnen aanwenden tegen de beslissing van het gerechtshof en de instemming met de tenuitvoerlegging door de Staat. Gelet op al het voorgaande stelt [eiser] zich op het standpunt dat de Staat onrechtmatig jegens hem handelt. [eiser] heeft er dan ook belang bij dat de tenuitvoerlegging van het arrest wordt verboden, althans geschorst.

3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

[eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat de Staat onrechtmatig jegens hem handelt. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de burgerlijke rechter – in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding – tot kennisneming van de vorderingen gegeven. [eiser] is in zijn vorderingen ook ontvankelijk, nu hem voor hetgeen hij wil bereiken geen andere middelen ten dienste staan. In het navolgende zullen de door [eiser] gestelde gronden voor zijn vordering achtereenvolgens worden besproken.

Termijn artikel 2:10 WETS

4.2.

[eiser] heeft gesteld dat de Minister van Veiligheid en Justitie uiterlijk op 6 november 2014 had dienen te beslissen op het verzoek van de Belgische autoriteiten strekkende tot erkenning van het arrest en de tenuitvoerlegging daarvan. [eiser] heeft de brief van 6 november 2014, waarin het voornemen om de in het arrest opgelegde gevangenisstraf met toepassing van de WETS ten uitvoer te leggen aan hem kenbaar wordt gemaakt, pas na zijn aanhouding op 5 december 2014 ontvangen en uiteindelijk heeft de Minister van Veiligheid en Justitie pas op 30 april 2015 beslist tot erkenning van het arrest. Volgens [eiser] is hij door deze vertraging in zijn belangen geschaad en heeft hij recht op en belang bij een spoedige behandeling van zijn zaak. Echter, de Staat heeft onbetwist naar voren gebracht dat op de overschrijding van de in de WETS genoemde termijn geen sanctie is gesteld en dat deze overschrijding in ieder geval niet kan leiden tot het vervallen van de verplichting tot erkenning. Daar komt nog bij dat de Staat voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat aan het ten behoeve van [eiser] opgestelde certificaat gebreken kleefden, in die zin dat daarop niets was vermeld met betrekking tot de bedongen terugkeergaranties, noch met betrekking tot de detentie van [eiser] . Gelet op het bepaalde in artikel 2:10 lid 2 sub b WETS kan de beslissing tot erkenning worden uitgesteld indien het certificaat onvolledig of onjuist is. Naar voorlopig oordeel is voldoende gebleken dat daarvan in de situatie van [eiser] sprake is geweest, zodat de termijnoverschrijding in het onderhavige geval niet onrechtmatig is. Anders dan [eiser] heeft betoogd is naar voorlopig oordeel onvoldoende gebleken dat het arrest en het certificaat niet onverwijld aan het gerechtshof zijn voorgelegd, terwijl overigens niet valt in te zien dat [eiser] hierdoor op onredelijke wijze in zijn belangen zou zijn geschaad.

Totstandkoming oordeel gerechtshof

4.3.

Volgens [eiser] is het oordeel van het gerechtshof op een onzorgvuldige wijze tot stand gekomen omdat met zijn zienswijze onvoldoende rekening is gehouden. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de WETS niet voorziet in een recht voor de betrokkene om zijn standpunt met betrekking tot de erkenning en tenuitvoerlegging van een opgelegde straf in een andere lidstaat kenbaar te maken. Het IOS heeft [eiser] in het onderhavige geval deze mogelijkheid wel geboden en [eiser] heeft daarvan ook gebruik gemaakt. Uit de hiervoor in 2.9. en 2.11. vermelde e-mailberichten blijkt genoegzaam dat het gerechtshof op 20 april 2015 heeft laten weten dat de van de zijde van [eiser] op 6/13 maart 2015 aan IOS gezonden stukken het gerechtshof geen aanleiding geven om het eerder gegeven oordeel te herzien. Het gerechtshof heeft deze stukken derhalve wel degelijk beoordeeld en anders dan [eiser] kennelijk meent is voorshands dan ook niet gebleken dat het gerechtshof met de zienswijze van [eiser] geen rekening heeft gehouden. In het licht van de uitzonderlijke situatie dat [eiser] onverplicht in de gelegenheid is gesteld om zijn standpunt toe te lichten, heeft [eiser] naar voorlopig oordeel onvoldoende aannemelijk gemaakt dat op het gerechtshof de verplichting rustte om te onderbouwen waarom geen aanleiding werd gezien om op het eerdere oordeel terug te komen. Voor zover [eiser] heeft betoogd dat het gerechtshof ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om de opgelegde straf in duur aan te passen, wordt overwogen dat dit oordeel is voorbehouden aan het gerechtshof en dat de voorzieningenrechter de rechtmatigheid van dit oordeel slechts marginaal kan toetsen. [eiser] heeft in dit verband naar voorlopig oordeel onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het gerechtshof in redelijkheid niet tot zijn oordeel heeft kunnen komen, zodat aan het betoog van [eiser] op dit punt voorbij wordt gegaan. Gelet op het voorgaande is voorshands onvoldoende gebleken dat het oordeel van het gerechtshof op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Dat het gerechtshof heeft geweigerd de door [eiser] op 20 maart 2015 ingediende aanvullende stukken bij de beoordeling te betrekken leidt niet tot een ander oordeel, aangezien de Staat onbetwist naar voren heeft gebracht dat die stukken betrekking hadden op de voorwaardelijke invrijheidstelling, een kwestie die het gerechtshof gelet op zijn in artikel 2:11 lid 3 WETS omschreven taak niet regardeert. Het gerechtshof dient immers te beoordelen of er gronden zijn om de erkenning van de uitspraak te weigeren, of de ten uitvoer te leggen sanctie is opgelegd voor een feit dat ook naar Nederlands recht strafbaar is en of er aanleiding bestaat voor aanpassing van de sanctie. Het gerechtshof oordeelt dus niet over de termijn van de voorwaardelijke invrijheidstelling en de beoordeling van de vraag of de strafrechtelijke positie van [eiser] door tenuitvoerlegging van de straf in Nederland wordt verzwaard is voorbehouden aan de Minister van Veiligheid en Justitie. Derhalve valt niet in te zien dat [eiser] door de weigering van het gerechtshof om acht te slaan op de aanvullende stukken in zijn belangen is geschaad.

Certificaat wijkt af van beslissing?

4.4.

[eiser] stelt zich op het standpunt dat het certificaat dat ten behoeve van hem is ingevuld, afwijkt van de inhoud van het arrest. In het certificaat is immers vermeld dat de strafbare feiten hebben plaatsgevonden in het arrondissement Antwerpen en elders in België, terwijl uit het arrest kan worden afgeleid dat het Hof van beroep Antwerpen van oordeel is dat het bewezen geoordeelde feit mogelijk, in ieder geval gedeeltelijk, op Nederlands grondgebied heeft plaatsgevonden. Volgens [eiser] had het gerechtshof de erkenning van het arrest daarom moeten weigeren op grond van de in artikel 2:13 lid 1 sub a WETS opgenomen verplichte weigeringsgrond. Dit standpunt kan niet worden gevolgd. Nog daargelaten de omstandigheid dat de advocaat van [eiser] dit pas ter zitting aan de orde gestelde punt slechts zeer summier heeft toegelicht, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Hoewel uit de door [eiser] aangehaalde passages uit het arrest blijkt dat tijdens een huiszoeking in de woning van [eiser] onder meer apparatuur voor de aanmaak van synthetische drugs en een werkplaats voor de productie van apparaten die gebruikt worden bij de productie van synthetische drugs zijn aangetroffen, dat in die werkplaats een sterke MDMA-geur is waargenomen en dat volgens het Hof van beroep Antwerpen onduidelijkheid bestaat over de locaties waarop het laboratorium operationeel was en dat dit ‘mogelijk zelfs in Nederland’ is geweest, blijkt daaruit nog niet dat de strafbare feiten waarvoor [eiser] is veroordeeld niet (ook) in het arrondissement Antwerpen, dan wel elders in België zijn gepleegd. Dat het certificaat onjuist en in strijd met de inhoud van het arrest is ingevuld, is dan ook naar voorlopig oordeel onvoldoende gebleken. Daar komt nog bij dat de Staat onbetwist naar voren heeft gebracht dat deze weigeringsgrond in de WETS is opgenomen om te voorkomen dat onduidelijkheid bestaat over welke uitspraak erkend en ten uitvoer moet worden gelegd en gesteld noch gebleken is dat een dergelijke onduidelijkheid zich in het onderhavige geval voordoet.

Toepasselijkheid Belgische regeling voorwaardelijke invrijheidstelling

4.5.

Op grond van artikel 2:11 lid 7 WETS mag de aanpassing van de strafduur als bedoeld in (onder meer) artikel 2:11 lid 5 WETS niet leiden tot een verzwaring van de opgelegde vrijheidsbenemende sanctie. [eiser] stelt zich op het standpunt dat in zijn situatie bij de erkenning van het arrest in strijd met de WETS geen rekening is gehouden met het uitgangspunt dat een veroordeelde in België na een derde van de straf voorwaardelijk in vrijheid wordt gesteld. Het gerechtshof heeft immers nagelaten om de straf die [eiser] moet ondergaan zodanig in duur aan te passen dat hij na een derde van de hem opgelegde gevangenisstraf van 10 jaar vrij komt, aldus [eiser] . Op grond van artikel 17, lid 4, van het hiervoor in 2.3. genoemde Kaderbesluit kan bij de tenuitvoerlegging van een in een andere EU-lidstaat opgelegde gevangenisstraf in Nederland rekening worden gehouden met het tijdstip waarop de veroordeelde in die lidstaat in aanmerking zou zijn gekomen voor voorwaardelijke invrijheidstelling. De Minister van Veiligheid en Justitie kan op grond van artikel 15 lid 7 Sr bepalen dat de voorwaardelijke invrijheidstelling op een eerder tijdstip plaatsvindt dan na het ondergaan van twee derde deel van de opgelegde straf. Echter, daarvoor is noodzakelijk dat zeker of met grote mate waarschijnlijk is dat de veroordeelde op dat eerdere tijdstip in het land van veroordeling ook daadwerkelijk in vrijheid zou zijn gesteld. [eiser] heeft naar voorlopig oordeel onvoldoende aannemelijk gemaakt dat die situatie zich voor doet. Immers, anders dan [eiser] kennelijk meent, komt een veroordeelde in België, in het geval dat hij is veroordeeld tot een gevangenisstraf van meer dan drie jaar, na een derde deel van zijn straf slechts in aanmerking voor voorwaardelijke invrijheidstelling, maar dit betekent geenszins dat daarvan automatisch sprake is. De betrokkene dient de gunstigere regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling immers te ‘verdienen’ door zijn gedrag tijdens detentie en hij dient een verzoek tot toepassing van die gunstigere regeling voor te leggen aan de rechter. Gelet op het voorgaande kan met betrekking tot [eiser] derhalve niet tot uitgangspunt worden genomen dat zeker of met grote mate waarschijnlijk is dat hij in België na een derde van zijn straf voorwaardelijk in vrijheid zou zijn gesteld. Van de door [eiser] gestelde strafverzwaring door tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in Nederland is dan ook voorshands niet gebleken.

Samenloop

4.6.

Volgens [eiser] is in strijd met artikel 63 Sr bij de beoordeling van de erkenning van het arrest en van de vraag of aanleiding bestaat voor aanpassing van de strafduur geen rekening gehouden met de omstandigheid dat [eiser] reeds voorafgaand aan het wijzen van het arrest door de rechtbank Breda is veroordeeld tot een gevangenisstraf, welke straf in mindering zou moeten strekken op het de maximale strafduur. Uit de hiervoor in 2.8. omschreven brief van 6 maart 2015 blijkt dat [eiser] dit standpunt reeds heeft voorgelegd aan het gerechtshof. Kennelijk heeft dit voor het gerechtshof niet tot een ander oordeel geleid omtrent de vraag of de aan [eiser] opgelegde gevangenisstraf dient te worden aangepast en de voorzieningenrechter ziet – gelet op de meergenoemde marginale toetsing – geen aanleiding voor een andersluidend oordeel. Daar komt nog bij dat de Staat onbetwist heeft aangevoerd dat [eiser] deze kwestie aan de Belgische rechter had moeten voorhouden, zodat de Belgische rechter een eventueel geldende samenloopregeling had kunnen toepassen. Naar voorlopig oordeel heeft de Staat in dit verband terecht betoogd dat de procedure tot erkenning van een buitenlandse uitspraak voor het gerechtshof zich niet leent voor een correctie van de strafoplegging door de buitenlandse rechter.

Artikel 5 en 13 EVRM

4.7.

Het betoog van [eiser] dat sprake is van schending van de artikelen 5 en 13 EVRM, aangezien de tenuitvoerlegging van de in België opgelegde straf tot een te lange detentie leidt en er geen rechtsmiddel open staat tegen de beslissing van het gerechtshof, kan niet worden gevolgd. Zoals hiervoor reeds is overwogen is van een onredelijke verzwaring van de aan [eiser] opgelegde gevangenisstraf door tenuitvoerlegging daarvan in Nederland geen sprake, terwijl – zoals de Staat onbetwist naar voren heeft gebracht – artikel 13 EVRM niet vereist dat, naast de doeltreffende rechterlijke toetsing van de erkenningsprocedure door het gerechtshof, nog een rechtsmiddel open staat en het [eiser] overigens vrij staat om de rechtmatigheid van de beslissing tot erkenning bij de burgerlijke rechter ter discussie te stellen.

Slotsom en proceskosten

4.8.

De slotsom van het voorgaande is dat van onrechtmatig handelen jegens [eiser] door de Staat voorshands niet is gebleken, zodat de vorderingen van [eiser] worden afgewezen. [eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusver aan de zijde van de Staat begroot op € 1.429,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 613,-- aan griffierecht;

5.3.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2015.

mvt