Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:9972

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-07-2015
Datum publicatie
24-08-2015
Zaaknummer
AWB 14/20082 en AWB 14/20084
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2016:2121, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking verblijfsvergunning regulier onbepaalde tijd, beëindiging verblijfsrecht Besluit 1/80, terugkeerbesluit, onthouding vertrektermijn, zwaar inreisverbod, standstillbepaling art. 13 Besluit 1/80, Europees Vestigingsverdrag, B11.4 Vc 2000, horen.

Verweerder heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de standstillbepaling niet in de weg staat aan het uitvaardigen van een inreisverbod, omdat deze bepaling niet ziet op vreemdelingen die illegaal hier te lande verblijven: het besluit tot het intrekken van eisers verblijfsvergunning heeft tot gevolg dat eiser niet langer rechtmatig verblijf heeft, zodat hij niet onder de werkingssfeer van artikel 13 van Besluit 1/80 valt. Naar het oordeel van de rechtbank kan verweerder in dit standpunt niet worden gevolgd. Immers, eiser heeft tot en met de intrekking van zijn verblijfsvergunning en de beëindiging van zijn aanspraken uit Besluit 1/80 legaal verblijf gehad, terwijl in dit geval sprake is van samenloop van bezwaar tegen de intrekking van eisers verblijfsvergunning en de beëindiging van eisers aanspraken uit Besluit 1/80 enerzijds en het uitvaardigen van het inreisverbod tegen eiser anderzijds. Onder deze omstandigheden dient bij de boordeling of eiser onder de werkingssfeer van artikel 13 van Besluit 1/80 valt, uitgegaan te worden van de situatie ten tijde van de intrekking van eisers verblijfsvergunning en de beëindiging van eisers aanspraken uit Besluit 1/80. Op dat moment viel eiser onder de werkingssfeer van de standstillbepaling artikel 13 van Besluit 1/80.

Verweerder heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat het uitvaardigen van een inreisverbod voor de duur van tien jaar voor eiser geen aanscherping betekent ten opzichte van de situatie dat aan hem een ongewenstverklaring zou zijn opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank kan verweerder ook in zijn subsidiaire standpunt niet worden gevolgd. Hiertoe acht de rechtbank het volgende redengevend. Voor zover verweerder beoogt te betogen dat het inreisverbod door een EU-richtlijn is voorgeschreven en dus mag worden uitgevaardigd niettegenstaande de standstillbepaling, overweegt de rechtbank dat uit de rechtspraak van HvJEU (het Hof) volgt dat de standstillbepaling niet alleen geldt als lidstaten hun nationale recht eigenhandig besluiten te wijzigen, maar ook als een wijziging in het nationale recht voortvloeit uit een door de Europese wetgever vastgestelde norm die zij geacht worden in hun nationale wetgeving te incorporeren. Voorts is de rechtbank van oordeel dat het inreisverbod een aanscherping is ten opzichte van de op 1 december 1980 (de datum van de inwerkingtreding van de standstillbepaling van artikel 13 van besluit 1/80) bestaande maatregel van ongewenstverklaring en dus een nieuwe beperking is in de zin van voormelde bepaling. Immers, zoals ook eisers gemachtigde heeft aangevoerd, werkt een inreisverbod binnen de hele Europese Unie, terwijl een ongewenstverklaring enkel in Nederland werkt. Het inreisverbod beperkt eiser dus in zijn vrijheid om rechten uit Besluit 1/80 in andere lidstaten op te bouwen of uit te oefenen. Deze beperking bestond ten tijde van de inwerkingtreding van de standstillbepaling van artikel 13 van besluit 1/80 op 1 december 1980 niet. Op dat moment bestond enkel de maatregel van ongewenstverklaring en zoals reeds vermeld werkt deze enkel in Nederland, zodat een ongewenst verklaarde Turkse vreemdeling destijds niet in zijn vrijheid werd beperkt zich naar een andere lidstaat te begeven en aldaar rechten uit Besluit 1/80 op te bouwen of uit te oefenen. Dat een ongewenstverklaring voor onbepaalde duur en een inreisverbod voor bepaalde duur is en volgens verweerder dus nationaal gezien een inreisverbod voor eiser gunstiger is dan een ongewenstverklaring, maakt het vorenstaande niet anders. Immers, bij een regeling als het Besluit 1/80 is juist het communautaire aspect van belang: dit besluit ziet immers ook op andere lidstaten. Dus dient, anders dan verweerder betoogt, niet enkel gekeken te worden naar wat het effect van het inreisverbod op nationaal niveau is, maar juist wat het effect op Europees niveau is. Uit het voorgaande vloeit voort dat het tegen eiser uitgevaardigde inreisverbod in strijd is met de standstillbepaling van artikel 13 van Besluit 1/80.

Reeds hierom komt het bestreden besluit, voor zover dat ziet op het inreisverbod, voor vernietiging in aanmerking, onder gegrondverklaring van het beroep tegen het inreisverbod. Nu het inreisverbod zal worden vernietigd, terwijl de opheffing van eisers ongewenstverklaring bij het bestreden besluit thans in rechte vaststaat omdat daartegen geen rechtsmiddel is aangewend, ontstaat daarmee alsnog belang bij beoordeling van eisers beroep tegen het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de intrekking van eisers verblijfsvergunning en de beëindiging van zijn aanspraken uit Besluit 1/80.

Eiser heeft zich beroepen op het Europees Vestigingsverdrag en paragraaf B11.4 Vc 2000, zoals deze luidde vóór 1 april 2013, waarin waarborgen uit voornoemd verdrag zijn neergelegd. Met name heeft eiser gesteld dat nu hij meer dan twee jaar rechtmatig verblijf heeft gehad in Nederland, hij – conform voormelde regeling – op zijn bezwaar had moeten worden gehoord en voorts vier weken de gelegenheid had moeten krijgen om uit Nederland te vertrekken. De rechtbank is van oordeel dat verweerder door eiser niet op zijn bezwaar te horen in strijd heeft gehandeld met het bovenvermelde. Voor zover verweerder zou willen betogen dat het neergelegde in bovenvermelde paragraaf thans niet meer geldt omdat dit niet meer in de Vc 2000 is opgenomen, wijst de rechtbank erop dat – wat daar verder ook van zij – eiser – zoals hierboven reeds is overwogen – onder de werkingssfeer valt van artikel 13 van Besluit 1/80, zodat hij reeds op grond daarvan zich op voormelde paragraaf kan beroepen. Immers, indien eiser geen beroep (meer) zou mogen doen op voormelde voor hem gunstige paragraaf, zou dat een nieuwe beperking opleveren in de zin van artikel 13 van Besluit 1/80. De rechtbank wijst er voorts op dat, anders dan het vermelde in artikelen 7:2 en 7:3 Awb over het horen en het afzien van het horen, in de bovengenoemde paragraaf van de Vc 2000 geen nadere eisen zijn gesteld aan het horen en voorts geen mogelijkheden zijn opgenomen om van het horen af te zien. Reeds het voldoen aan twee jaar rechtmatig verblijf, is – blijkens bovengenoemde paragraaf van de Vc 2000 – voldoende en dat betekent dat verweerder moet horen. In het licht van het vorenstaande, kan verweerder niet in zijn stelling worden gevolgd dat eiser in voldoende mate is gecompenseerd door het uitbrengen van een voornemen en het horen van eiser naar aanleiding van zijn zienswijze op dit voornemen voor het nemen van het primaire besluit.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder door in dit geval een vertrektermijn van nul dagen te hanteren ten onrechte geen acht heeft geslagen op het vermelde in bovengenoemde paragraaf van de Vc 2000 dat wanneer het rechtmatig verblijf van de vreemdeling is beëindigd, hij niet mag worden uitgezet voordat hem vier weken zijn gegund om te vertrekken naar een plaats buiten Nederland waar zijn toelating is gewaarborgd. Verweerder heeft ook in dit verband in strijd gehandeld met het vermelde in bovengenoemde paragraaf van de Vc 2000. De rechtbank wijst er verder op dat van de in bovengenoemde paragraaf van de Vc 2000 vermelde uitzondering, te weten dat de daarin vermelde speciale waarborgen niet gelden indien dwingende overwegingen van nationale veiligheid de uitzetting van de vreemdeling rechtvaardigen, in dit geval gesteld noch gebleken is. Beroepen gegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000, geldigheid: 2015-08-24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 14/20082 en AWB 14/20084

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 juli 2015 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. A. Sarioglu),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.C.O. Stiphout).

Procesverloop

Bij besluit van 11 november 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) ingetrokken, eisers verblijfsrecht op grond van het Besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de Associatie tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Turkije (Besluit 1/80) beëindigd, tegen eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd en eiser ongewenst verklaard.

Bij besluit van 5 augustus 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers bezwaar gegrond verklaard voor zover gericht tegen eisers ongewenstverklaring en voor het overige ongegrond verklaard en tegen eiser een (zwaar) inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van tien jaar.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit, met uitzondering van de gegrondverklaring van het bezwaar tegen eisers ongewenstverklaring, een tweetal beroepschriften ingediend.

Het beroep gericht tegen het inreisverbod is geregistreerd onder zaaknummer AWB 14/20084. De gronden van dit beroep dateren van 3 oktober 2014.


Het beroep gericht tegen de overige onderdelen van het bestreden besluit is geregistreerd onder zaaknummer AWB 14/20082. De gronden van dit beroep dateren van 3 oktober 2014.

Beide beroepen zijn bij brief van 13 maart 2015 nader aangevuld.

De minister van Veiligheid en Justitie heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 maart 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Eiser is geboren op [geboortedatum] 1980 en heeft de Turkse nationaliteit.

Hij is met ingang van 31 maart 2003 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf bij echtgenote [naam echtgenote] ’, waarvan de geldigheidsduur laatstelijk is verlengd tot 14 januari 2010.

Eiser is met ingang van 20 augustus 2008, na een daartoe strekkende aanvraag, in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd met de aantekening ‘EG-langdurig ingezetene’.

Op 2 juli 2013 is aan eiser een voornemen verzonden strekkende tot het intrekken van zijn verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd en het uitvaardigen van een inreisverbod voor de duur van tien jaar. Op 31 augustus 2013 is namens eiser gereageerd op dit voornemen. Eiser is op 29 oktober 2013 in de Penitentiaire Inrichting Vught gehoord door een ambtelijke hoorcommissie.


Na het primaire besluit is op 4 juni 2014 aan eiser een voornemen tot het uitvaardigen van een (zwaar) inreisverbod voor de duur van tien jaar verzonden. Op 20 juni 2014 heeft eisers gemachtigde gereageerd op dit voornemen.

2. Verweerder heeft bij het primaire besluit onder meer eisers voormelde verblijfsvergunning ingetrokken en zijn verblijfsrecht op grond van Besluit 1/80 beëindigd, omdat hij een actuele en ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde. Verweerder heeft dit in het bestreden besluit gehandhaafd en heeft voorts tegen eiser een (zwaar) inreisverbod voor de duur van tien jaar uitgevaardigd. Het inreisverbod is gebaseerd op artikel 66a, eerste lid, aanhef onder a, van de Vw 2000 en artikel 6.5a, vijfde lid, aanhef en onder a, van het Vreemdelingenbesluit 2000 en is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vw 2000.

3. Ambtshalve overweegt de rechtbank over het beroep dat is gericht tegen het bestreden besluit voor zover daarbij het bezwaar tegen de intrekking van eisers verblijfsvergunning en de beëindiging van zijn verblijfsrecht ongegrond is verklaard, als volgt. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) (bijvoorbeeld de uitspraken van 18 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:638 en 26 november 2014, 201401643/1/V3, www.raadvanstate.nl) volgt dat een vreemdeling tegen wie verweerder een inreisverbod met de rechtsgevolgen bedoeld in artikel 66a, zevende lid, van de Vw 2000 heeft uitgevaardigd, zolang het zwaar inreisverbod voortduurt, geen belang heeft bij beoordeling van een beroep tegen een besluit over diens verblijfsaanspraken. De vraag of sprake is van rechtmatig verblijf kan ten volle aan de orde worden gesteld bij de beoordeling van het inreisverbod. Aldus wordt gewaarborgd dat in rechte kan worden getoetst of sprake is van rechtmatig verblijf dat aan het gebruik van de bevoegdheid tot het uitvaardigen van een inreisverbod over te gaan in de weg staat. Indien deze toetsing tot het oordeel leidt dat sprake is van rechtmatig verblijf, is daarmee gegeven dat het inreisverbod niet in stand kan blijven (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 4 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA2837).

4. Over het beroep tegen het bestreden besluit, voor zover dit betrekking heeft op het uitgevaardigde inreisverbod, overweegt de rechtbank als volgt.

5. De rechtbank zal allereerst de beroepsgrond beoordelen dat het inreisverbod in strijd is met de standstillbepaling van artikel 13 van Besluit 1/80. In dit verband heeft eiser aangevoerd dat ten tijde van het sluiten van de associatieovereenkomst de maatregel van inreisverbod nog niet bestond. Daarnaast zijn de rechtsgevolgen van het inreisverbod zwaarder dan de rechtsgevolgen van de ongewenstverklaring. Gelet hierop is er sprake van een aanscherping van de vreemdelingenwetgeving die in strijd is met de standstillbepaling, aldus eiser.

5.1.

Verweerder heeft zich primair – kort weergegeven – op het standpunt gesteld dat de standstillbepaling niet in de weg staat aan het uitvaardigen van een inreisverbod, omdat deze bepaling niet ziet op vreemdelingen die illegaal hier te lande verblijven. In dit geval heeft het besluit tot het intrekken van eisers verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd en het opleggen van het terugkeerbesluit tot gevolg dat eiser niet langer rechtmatig verblijf heeft, zodat hij niet onder de werkingssfeer van artikel 13 van Besluit 1/80 valt. Naar het oordeel van de rechtbank kan verweerder in dit standpunt niet worden gevolgd. Immers, eiser heeft tot en met de intrekking van zijn verblijfsvergunning en de beëindiging van zijn aanspraken uit Besluit 1/80 legaal verblijf gehad, terwijl in dit geval sprake is van samenloop van bezwaar tegen de intrekking van eisers verblijfsvergunning en de beëindiging van eisers aanspraken uit Besluit 1/80 enerzijds en het uitvaardigen van het inreisverbod tegen eiser anderzijds. Onder deze omstandigheden dient bij de boordeling of eiser onder de werkingssfeer van artikel 13 van Besluit 1/80 valt, uitgegaan te worden van de situatie ten tijde van de intrekking van eisers verblijfsvergunning en de beëindiging van eisers aanspraken uit Besluit 1/80. Op dat moment viel eiser onder de werkingssfeer van de standstillbepaling artikel 13 van Besluit 1/80. De door verweerder aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 21 april 2010 (nr. 200807541/1/V2, www.raadvanstate.nl. maakt het vorenstaande niet anders, reeds omdat, anders dan in de zaak van eiser, in de zaak die tot voormelde uitspraak heeft geleid geen sprake was van bovenvermelde samenloop van procedures.

5.2.

Verweerder heeft zich subsidiair – kort weergegeven – op het standpunt gesteld dat het uitvaardigen van een inreisverbod voor de duur van tien jaar voor eiser geen aanscherping betekent ten opzichte van de situatie dat aan hem een ongewenstverklaring zou zijn opgelegd. In dit verband heeft verweerder gesteld dat het uitvaardigen van een inreisverbod rechtstreeks voortvloeit uit communautaire afspraken, in dit geval de Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (Pb 2008 L 348; de Terugkeerrichtlijn). Hieruit volgt de verplichting voor de lidstaten dat zij bij het uitvaardigen van een inreisverbod de desbetreffende vreemdeling in de gelegenheid stellen omstandigheden naar voren te brengen waarom van het uitvaardigen van dit verbod afgezien zou moeten worden of waarom de duur ervan verkort zou moeten worden. In die zin kan de vreemdeling aangeven waarom de territoriale strekking van het verbod over de gehele Unie voor hem bezwaarlijk zou zijn en zal de lidstaat die het inreisverbod uitvaardigt daar bij de besluitvorming op moeten ingaan, aldus verweerder.

5.3.

Naar het oordeel van de rechtbank kan verweerder ook in zijn subsidiaire standpunt niet worden gevolgd. Hiertoe acht de rechtbank het volgende redengevend. Voor zover verweerder beoogt te betogen dat het inreisverbod door een EU-richtlijn is voorgeschreven en dus mag worden uitgevaardigd niettegenstaande de standstillbepaling, overweegt de rechtbank dat uit de rechtspraak van Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (thans de Europese Unie) (het Hof) volgt dat de standstillbepaling niet alleen geldt als lidstaten hun nationale recht eigenhandig besluiten te wijzigen, maar ook als een wijziging in het nationale recht voortvloeit uit een door de Europese wetgever vastgestelde norm die zij geacht worden in hun nationale wetgeving te incorporeren. Zie het arrest van het Hof van 19 februari 2009, C-228/06, Soysal en Savatli, rechtsoverwegingen 57-59, (www.curia.europa.eu). Weliswaar heeft dit arrest betrekking op de standstillbepaling van artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol bij de associatieovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Turkije, doch uit de rechtspraak van het Hof volgt dat het Hof beide standstillbepalingen op gelijke wijze uitlegt: volgens het Hof hebben deze twee bepalingen een identieke betekenis, afgezien van het feit dat aan elk daarvan een eigen gebied is toegewezen (zie bijvoorbeeld de arresten van 21 oktober 2003 de zaken C-317/01 en C-369/01, Eran Abatay e.a. en Nadi Sahin, Internationale Transporten t. Bundesanstalt für Arbeit, rechtsoverwegingen 69-72 en 86, en van 15 november 2011 in de zaak C-256/11, Murat Dereci e.a. t. Bundesministerium für Inneres, rechtsoverweging 81, (www.curia.europa.eu)).

5.4.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat, wat van het gestelde door verweerder over de territoriale strekking ook zij, het inreisverbod een aanscherping is ten opzichte van de op 1 december 1980 (de datum van de inwerkingtreding van de standstillbepaling van artikel 13 van besluit 1/80) bestaande maatregel van ongewenstverklaring en dus een nieuwe beperking is in de zin van voormelde bepaling. Immers, zoals ook eisers gemachtigde heeft aangevoerd, werkt een inreisverbod binnen de hele Europese Unie, terwijl een ongewenstverklaring enkel in Nederland werkt. Het inreisverbod beperkt eiser dus in zijn vrijheid om rechten uit Besluit 1/80 in andere lidstaten op te bouwen of uit te oefenen. Deze beperking bestond ten tijde van de inwerkingtreding van de standstillbepaling van artikel 13 van besluit 1/80 op 1 december 1980 niet. Op dat moment bestond enkel de maatregel van ongewenstverklaring en zoals reeds vermeld werkt deze enkel in Nederland, zodat een ongewenst verklaarde Turkse vreemdeling destijds niet in zijn vrijheid werd beperkt zich naar een andere lidstaat te begeven en aldaar rechten uit Besluit 1/80 op te bouwen of uit te oefenen. Dat een ongewenstverklaring voor onbepaalde duur en een inreisverbod voor bepaalde duur is en volgens verweerder dus nationaal gezien een inreisverbod voor eiser gunstiger is dan een ongewenstverklaring, maakt het vorenstaande niet anders. Immers, bij een regeling als het Besluit 1/80 is juist het communautaire aspect van belang: dit besluit ziet immers ook op andere lidstaten. Dus dient, anders dan verweerder betoogt, niet enkel gekeken te worden naar wat het effect van het inreisverbod op nationaal niveau is, maar juist wat het effect op Europees niveau is.

5.5.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het tegen eiser uitgevaardigde inreisverbod in strijd is met de standstillbepaling van artikel 13 van Besluit 1/80. Reeds hierom komt het bestreden besluit, voor zover dat ziet op het inreisverbod, voor vernietiging in aanmerking, onder gegrondverklaring van het beroep tegen het inreisverbod. De overige beroepsgronden inzake het inreisverbod behoeven geen bespreking meer.

6. Nu het inreisverbod zal worden vernietigd, terwijl de opheffing van eisers ongewenstverklaring bij het bestreden besluit thans in rechte vaststaat omdat daartegen geen rechtsmiddel is aangewend, ontstaat daarmee alsnog belang bij beoordeling van eisers beroep tegen het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de intrekking van eisers verblijfsvergunning en de beëindiging van zijn aanspraken uit Besluit 1/80.

7. Eiser heeft in dat kader aangevoerd dat verweerder ten onrechte zijn verblijfsvergunning heeft ingetrokken, zijn verblijfsrecht op grond van Besluit 1/80 heeft beëindigd en tegen hem een terugkeerbesluit heeft uitgevaardigd met een vertrektermijn van nul dagen.

8. De rechtbank zal allereerst de beroepsgrond inzake het Europees Vestigingsverdrag beoordelen. Eiser heeft zich beroepen op dit verdrag en paragraaf B11.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), zoals deze luidde vóór 1 april 2013, waarin waarborgen uit voornoemd verdrag zijn neergelegd. Met name heeft eiser gesteld dat nu hij meer dan twee jaar rechtmatig verblijf heeft gehad in Nederland, hij – conform voormelde regeling – op zijn bezwaar had moeten worden gehoord en voorts vier weken de gelegenheid had moeten krijgen om uit Nederland te vertrekken.

8.1.

In bovengenoemde paragraaf van de Vc 2000 is neergelegd dat indien een onderdaan van een Verdragsluitende Partij voldoet aan de eis van twee jaar rechtmatig wonen op het grondgebied van enige andere Partij, hij moet worden gehoord op zijn bezwaar indien overwogen wordt het bezwaar ongegrond te verklaren. De rechtbank is van oordeel dat verweerder door eiser niet op zijn bezwaar te horen in strijd heeft gehandeld met het bovenvermelde. Voor zover verweerder zou willen betogen dat het neergelegde in bovenvermelde paragraaf thans niet meer geldt omdat dit niet meer in de Vc 2000 is opgenomen, wijst de rechtbank erop dat – wat daar verder ook van zij – eiser – zoals hierboven reeds is overwogen – onder de werkingssfeer valt van artikel 13 van Besluit 1/80, zodat hij reeds op grond daarvan zich op voormelde paragraaf kan beroepen. Immers, indien eiser geen beroep (meer) zou mogen doen op voormelde voor hem gunstige paragraaf, zou dat een nieuwe beperking opleveren in de zin van artikel 13 van Besluit 1/80. De rechtbank wijst er voorts op dat, anders dan het vermelde in artikelen 7:2 en 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht over het horen en het afzien van het horen, in de bovengenoemde paragraaf van de Vc 2000 geen nadere eisen zijn gesteld aan het horen en voorts geen mogelijkheden zijn opgenomen om van het horen af te zien. Reeds het voldoen aan twee jaar rechtmatig verblijf, is – blijkens bovengenoemde paragraaf van de Vc 2000 – voldoende en dat betekent dat verweerder moet horen. In het licht van het vorenstaande, kan verweerder niet in zijn stelling worden gevolgd dat eiser in voldoende mate is gecompenseerd door het uitbrengen van een voornemen en het horen van eiser naar aanleiding van zijn zienswijze op dit voornemen voor het nemen van het primaire besluit.

8.2.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder door in dit geval een vertrektermijn van nul dagen te hanteren ten onrechte geen acht heeft geslagen op het vermelde in bovengenoemde paragraaf van de Vc 2000 dat wanneer het rechtmatig verblijf van de vreemdeling is beëindigd, hij niet mag worden uitgezet voordat hem vier weken zijn gegund om te vertrekken naar een plaats buiten Nederland waar zijn toelating is gewaarborgd. Verweerder heeft ook in dit verband in strijd gehandeld met het vermelde in bovengenoemde paragraaf van de Vc 2000. Overigens wijst de rechtbank erop dat een vertrektermijn van nul dagen bovendien in strijd is met de standstillbepaling van artikel 13 van Besluit 1/80.

8.3.

De rechtbank wijst er verder op dat van de in bovengenoemde paragraaf van de Vc 2000 vermelde uitzondering, te weten dat de daarin vermelde speciale waarborgen niet gelden indien dwingende overwegingen van nationale veiligheid de uitzetting van de vreemdeling rechtvaardigen, in dit geval gesteld noch gebleken is.

8.4.

Reeds op grond van het vorenstaande komt het bestreden besluit, voor zover daarbij het bezwaar tegen de intrekking van eisers verblijfsvergunning en de beëindiging van zijn verblijfsrecht ongegrond is verklaard en tegen eiser een terugkeerbesluit is uitgevaardigd, voor vernietiging in aanmerking, onder gegrondverklaring van het beroep daartegen. De overige beroepsgronden ter zake behoeven geen bespreking meer.

9. De rechtbank ziet bij de huidige stand van zaken geen aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten of de bestuurlijke lus toe te passen. Dus zal de rechtbank bepalen dat verweerder met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar van eiser dient te beslissen.

10. Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht in beide beroepen (2 x €165,-) vergoedt.

11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en gelet op de samenhang tussen beide beroepen vast op € 980,- (1 punt voor het indienen van de beroepschriften, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit voor zover dit betrekking heeft op het uitgevaardigde inreisverbod, gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit in zoverre;
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit voor zover daarbij het bezwaar tegen de intrekking van eisers verblijfsvergunning en de beëindiging van zijn verblijfsrecht ongegrond is verklaard en tegen eiser een terugkeerbesluit is uitgevaardigd, eveneens gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit ook in zoverre;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van (in totaal) € 330,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 980,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van den Brink, voorzitter, en mr. J.M.H. Rijken – Lie en mr. G. Kipping, leden, in aanwezigheid van mr. D.S. Arjun Sharma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.