Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:9924

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-07-2015
Datum publicatie
21-08-2015
Zaaknummer
13/5219 en 14/3276
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 65 Vw 2000. Risicoaansprakelijkheid vervoerder

Het controleren van de documenten van vreemdelingen maakt onderdeel uit van de zorgplicht in het kader van artikel 4 van de Vw 2000. De nakoming van deze zorgplicht staat echter los van de plicht om een vreemdeling die de toegang is geweigerd terug te vervoeren, indien een ambtenaar belast met de grensbewaking daartoe een aanwijzing heeft gegeven. De zorgplicht en de terugvervoerplicht van eiseres vormen twee verschillende op haar rustende verplichtingen, waarbij de risicoaansprakelijkheid alleen gekoppeld is aan het niet tijdig nakomen van de terugvervoerplicht. Het betoog van eiseres dat het buiten de proporties van redelijkheid en billijkheid zou zijn om ook indien eiseres aan haar zorgplicht heeft voldaan de kosten bij eiseres neer te leggen, volgt de rechtbank daarom niet.

Zowel uit de tekst van artikel 3 van Richtlijn 2001/51/EG, als van artikel 65, tweede lid, van de Vw 2000, blijkt dat de vervoerder aansprakelijk is voor de kosten van uitzetting van een vreemdeling, indien terugvervoer niet binnen redelijke tijd mogelijk is. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit, anders dan eiseres heeft betoogd, een onbeperkte en absolute risicoaansprakelijkheid, waarbij de mate van verwijtbaarheid aan de kant van de vervoerder geen rol speelt. Niet relevant is of de vervoerder enige invloed heeft op de uitzetbaarheid van de vreemdelingen. De onbeperkte en absolute risicoaansprakelijkheid wordt slechts doorbroken indien sprake is van verwijtbaar en/of nalatig handelen van verweerder en er dus feitelijk sprake is van eigen (mede)schuld van verweerder. Niet gebleken is dat daarvan in deze zaak sprake is.

Beroepen ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 13/5219 en AWB 14/3276

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 17 juli 2015 in de zaak tussen

Turkish Airlines, gevestigd te Schiphol, eiseres,gemachtigde: mr. H. Dogan,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,gemachtigde: mr. H.D. Streef.

Procesverloop

De zaak AWB 13/5219

Bij besluiten in de vorm van facturen met nummers 21003429 en 21003430 van 22 maart 2012 (primaire besluiten) heeft verweerder op grond van artikel 65, tweede lid, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 op eiseres de kosten - € 76.609,45 resp. € 26.295,17 - verhaald die in de jaren 2010 resp. 2011 zijn gemaakt in verband met het verblijf en het terugvervoer van in totaal 5 vreemdelingen.

Eiseres heeft tegen deze besluiten op 17 april 2012 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 25 januari 2013 heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard en de primaire besluiten deels herroepen. Verweerder heeft op de factuur met nummer 21003429 een bedrag van € 1.577,16 in mindering gebracht en op de factuur met nummer 21003430 een bedrag van € 1.646,87. Het totaalbedrag van de over de jaren 2010 en 2011 in rekening gebrachte kosten is daarmee bijgesteld tot € 102.680,59.

Op 22 februari 2013 heeft de rechtbank het tegen het besluit van 25 januari 2013 gerichte beroepschrift van eiseres ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Op 26 oktober 2014 heeft verweerder het besluit van 25 januari 2013 in die zin gewijzigd dat het bezwaar gegrond wordt verklaard voor zover het betreft de kosten van verblijf van de vreemdeling [vreemdeling 1]. Verweerder heeft een bedrag van € 705,80 in mindering gebracht op de factuur. Het totaalbedrag dat verweerder aan eiseres heeft gefactureerd bedraagt thans € 101.974,79.

De rechtbank acht het beroep op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede gericht tegen laatstgenoemd besluit.

De zaak AWB 14/3276

Bij besluit in de vorm van een factuur met nummer 21004564 van 16 juli 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 65, tweede lid, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 op eiseres de kosten - € 113.203,00 - verhaald die in het jaar 2012 zijn gemaakt in verband met het verblijf en het terugvervoer van drie vreemdelingen.

Eiseres heeft tegen dit besluit op 13 augustus 2013 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 13 januari 2014 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Op 10 februari 2014 heeft de rechtbank het besluit van 13 januari 2014 gerichte beroepschrift van eiseres ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De zaken AWB 13/5219 en AWB 14/3276

Het onderzoek ter zitting heeft in beide zaken plaatsgevonden op 28 oktober 2014. De zaken zijn gevoegd behandeld. Eiseres en verweerder zijn ter zitting vertegenwoordigd door hun voornoemde gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten. Bij beslissing van 30 oktober 2014 heeft de rechtbank het onderzoek heropend in verband met bij haar gerezen vragen aan het ministerie van Buitenlandse Zaken over het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart van 1944 (Verdrag van Chicago). Bij brief van 18 november 2014 heeft het ministerie van Infrastructuur en Milieu een schriftelijke reactie gegeven. Nadat verweerder hierop bij brief van 22 januari 2015 schriftelijk heeft gereageerd, heeft de rechtbank het onderzoek met toestemming van partijen zonder het houden van een nadere zitting gesloten.

Overwegingen

In de zaken AWB 13/5219 en AWB 14/3276

1. In geschil is de rechtmatigheid van de inrekeningbrenging door verweerder aan eiseres als vervoerder van de ten aanzien van de vreemdelingen gemaakte kosten voor verblijf, voor de aanvraag van laissez passers en/of voor vervoer in verband met een presentatie.

2.1.1

De rechtbank gaat bij de beoordeling van het geschil uit van de volgende bepalingen uit het Verdrag van Chicago, waarvan de geldigheid ten tijde van belang door het ministerie van Infrastructuur en Milieu in de brief van 18 november 2014 is bevestigd. Dat deze bepalingen voor Nederland gelden, is tussen partijen niet in geschil.

2.1.2

Artikel 5.9 van Annex 9 (twaalfde editie) van het Verdrag van Chicago luidt als volgt.

“The aircraft operator shall be responsible for the cost of custody and care of an improperly documented person from the moment that person is found inadmissible and returned to the aircraft operator for removal from the State.”

2.1.3

Artikel 5.9.1 van Annex 9 (twaalfde editie) van het Verdrag van Chicago luidt als volgt.

“The State shall be responsible for the cost of custody and care of all other categories of inadmissible persons, including persons not admitted due to document problems beyond the expertise of the aircraft operator or for reasons other than improper documents, from the moment these persons are found inadmissible until they are returned to the aircraft operator for removal from the State.”
2.1.4 Nederland heeft een voorbehoud gemaakt op artikel 5.9.1 van Annex 9 (twaalfde editite) van het Verdrag van Chicago. Dit voorbehoud luidt als volgt.

“The aircraft operator is also responsible for the cost of custody and care of all other categories of persons.”

2.2.1

Voorts gaat de rechtbank uit van de volgende regelgeving.

2.2.2

Op grond van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, van de Schengen Uitvoeringsovereenkomst (hierna: SUO) is, wanneer een vreemdeling de toegang tot het Schengengebied wordt geweigerd, de vervoerder die hem door de lucht, over zee of over land tot aan de buitengrens heeft gebracht, verplicht hem onverwijld terug te nemen; op verzoek van de grensbewakingsautoriteiten dient de vervoerder de vreemdeling terug te brengen naar de derde staat van waaruit hij werd vervoerd, naar de derde staat die het reisdocument waarmee de vreemdeling heeft gereisd, heeft afgegeven of naar iedere andere derde staat waar zijn toelating is gewaarborgd.

2.2.3

Artikel 3 van Richtlijn 2001/51/EG tot aanvulling van het bepaalde in artikel 26 van de SUO (hierna: de Richtlijn) bepaalt dat de lidstaten de nodige maatregelen nemen om vervoerders die niet kunnen zorgen voor de terugbrenging van een onderdaan van een derde land aan wie de toegang is geweigerd, ertoe te verplichten onmiddellijk een middel voor de terugreis te vinden en de kosten daarvan voor hun rekening te nemen, of, indien onmiddellijke terugbrenging niet mogelijk is, de aansprakelijkheid voor de kosten van het verblijf en de terugbrenging van betrokkene op zich te nemen.

2.2.4

Op grond van artikel 4, eerste lid, van de Vw 2000 neemt de vervoerder door wiens tussenkomst de vreemdeling aan een buitengrens of binnen het grondgebied van Nederland wordt gebracht, de nodige maatregelen en houdt het toezicht dat redelijkerwijs van hem kan worden gevorderd om te voorkomen dat de vreemdeling niet voldoet aan artikel 5, eerste lid, onder a of b, van de Schengengrenscode of aan artikel 3, eerste lid, onder a, van de Vw 2000.

2.2.5

Op grond van artikel 65, tweede lid, van de Vw 2000 vervoert de vervoersonderneming op aanwijzing van een ambtenaar belast met de grensbewaking de vreemdeling aan wie de toegang is geweigerd om niet terug naar een plaats buiten Nederland en vindt daartoe zo nodig een ander middel voor de terugbrenging. Is dat niet binnen redelijke tijd mogelijk, dan kunnen de kosten van uitzetting uit Nederland op die vervoersonderneming worden verhaald.

2.2.6

Op grond van artikel 6.3, tweede lid, van het Vb 2000 omvatten de kosten van uitzetting van een vreemdeling welke op grond van artikel 65, tweede lid, van de Vw 2000 op een vervoersonderneming kunnen worden verhaald in ieder geval de kosten verbonden aan:

a. het vervoer van de uit te zetten vreemdeling per eerste gelegenheid, doch op de wijze die, gelet op de omstandigheden, de goedkoopste is, naar een plaats buiten Nederland;

b. de begeleiding van de vreemdeling naar een plaats van vertrek uit Nederland alsmede zijn begeleiding naar een plaats buiten Nederland, voor zover deze noodzakelijk is, en

c. het verblijf van de vreemdeling in Nederland in de periode nadat de vervoersonderneming van een ambtenaar belast met de grensbewaking de aanwijzing heeft gekregen de vreemdeling terug te vervoeren naar een plaats buiten Nederland.

3.1

Eiseres voert aan dat zij in het geheel niet verwijtbaar heeft gehandeld. De vreemdelingen hadden hun grensoverschrijdingsdocument verscheurd of vervalst of zij hadden een asielaanvraag ingediend. Eiseres is voor geen van de vreemdelingen strafrechtelijk vervolgd. Het is buiten de proporties van redelijkheid en billijkheid om ook in deze gevallen de kosten bij eiseres neer te leggen.

3.2

De rechtbank overweegt dat het controleren van de documenten van vreemdelingen onderdeel uitmaakt van de zorgplicht die in het kader van artikel 4 van de Vw 2000 op eiseres rust. Verweerder werpt eiseres niet tegen dat zij deze zorgplicht onvoldoende zou zijn nagekomen. De nakoming van deze zorgplicht staat echter los van de plicht om een vreemdeling die de toegang is geweigerd terug te vervoeren, indien een ambtenaar belast met de grensbewaking daartoe een aanwijzing heeft gegeven. Is terugvervoer niet binnen een redelijke tijd mogelijk, dan kunnen de kosten op de vervoerder worden verhaald, conform artikel 65, tweede lid, van de Vw 2000. De zorgplicht en de terugvervoerplicht van eiseres vormen twee verschillende op haar rustende verplichtingen, waarbij de risicoaansprakelijkheid alleen gekoppeld is aan het niet tijdig nakomen van de terugvervoerplicht. Het betoog van eiseres dat het buiten de proporties van redelijkheid en billijkheid zou zijn om ook indien eiseres aan haar zorgplicht heeft voldaan de kosten bij eiseres neer te leggen, volgt de rechtbank daarom niet.

4.1

Eiseres stelt voorts dat de op haar rustende risicoaansprakelijkheid niet onbeperkt is. Weliswaar is voor de risicoaansprakelijkheid verwijtbaar handelen geen vereiste, uit de wettelijke bepalingen is volgens eiseres geen onbeperkte risicoaansprakelijkheid af te leiden. Eiseres wijst ter onderbouwing van haar stelling dat er nuanceringen zijn aan te brengen op het bereik van de risicoaansprakelijkheid op het Wilnis-arrest van de Hoge Raad van

17 december 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BN6236). In die zaak, waarin geoordeeld werd over de gebrekkigheid van een dijk, wogen de toenmalige kennis over faalmechanismen van dijken en de toenmalige richtlijnen voor belastingsituaties mee. Eiseres leidt uit die zaak af dat de risicoaansprakelijkheid niet absoluut is en dat naar de achterliggende specifieke wettelijke bepalingen moet worden gekeken om de strekking en reikwijdte van de risicoaansprakelijkheid vast te stellen. Zij stelt dat zij bij niet verwijtbaar handelen niet aansprakelijk kan zijn voor de kosten. Er was in de onderhavige zaak geen mogelijkheid om de vreemdelingen direct terug te vervoeren. Nadat de removal orders waren afgegeven, waren zij niet direct uitzetbaar. Het kan volgens eiseres niet zo zijn dat ook onder deze omstandigheden de kosten voor haar rekening komen. In de visie van eiseres volgt uit de tekst van artikel 65, tweede lid, van de Vw 2000 dat de vervoerder in gebreke dient te zijn inzake het tijdige terugvervoer. Uit het feit dat de vervoerder op grond van artikel 65, vierde lid, van de Vw 2000 niet aansprakelijk is voor de kosten van verblijf zolang de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft, volgt dat de wetgever niet tot doel heeft om de vervoersonderneming onbeperkt het risico op te leggen van de kosten van vreemdelingen. Eiseres stelt zich kortom op het standpunt dat verweerder haar ten onrechte de kosten van verblijf, voor het aanvragen van laissez passers en voor vervoer in verband met een presentatie heeft doorberekend.

4.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de vervoerder risicoaansprakelijk is. Verweerder wijst ter onderbouwing op de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 3 april 2013 (ECLI:NL:RBDH:2013:BZ9209). Aan hetgeen de rechtbank in deze uitspraak heeft overwogen, doet het door eiseres aangevoerde Wilnis-arrest niets af, zo stelt verweerder. Op het moment dat een removal order wordt afgegeven, ontstaat een verplichting voor de vervoerder om de vreemdeling binnen redelijke tijd om niet terug te vervoeren. Hoe de vervoerder dat doet, is primair de verantwoordelijkheid van de vervoerder zelf. Bij verhaal van kosten op de vervoerder hoeft geen sprake te zijn van verwijtbaar handelen. De aansprakelijkheid ontstaat op het moment dat de vervoerder niet binnen redelijke tijd de aanwijzingen van de grensambtenaar heeft opgevolgd. Voor de vreemdelingen is een removal order afgegeven. Daarmee is de verplichting voor eiseres om hen binnen redelijke tijd terug te vervoeren ontstaan. Geen van de vreemdelingen is binnen een redelijke tijd terugvervoerd. Gezien het vorenstaande heeft verweerder de gemaakte kosten terecht bij eiseres in rekening gebracht.

4.3

De rechtbank overweegt als volgt. Gezien de hierboven aangehaalde regelgeving is de vervoerder gehouden - op aanwijzing van een ambtenaar belast met grensbewaking - ervoor te zorgen dat de vreemdeling onmiddellijk wordt terugvervoerd naar een plaats buiten Nederland waar zijn toegang gewaarborgd is. Zowel uit de tekst van artikel 3 van de Richtlijn, als van artikel 65, tweede lid, van de Vw 2000, blijkt dat de vervoerder aansprakelijk is voor de kosten van uitzetting van een vreemdeling, indien terugvervoer niet binnen redelijke tijd mogelijk is. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit, anders dan eiseres heeft betoogd, een onbeperkte en absolute risicoaansprakelijkheid, waarbij de mate van verwijtbaarheid aan de kant van de vervoerder geen rol speelt. Niet relevant is of de vervoerder enige invloed heeft op de uitzetbaarheid van de vreemdelingen. De onbeperkte en absolute risicoaansprakelijkheid wordt slechts doorbroken indien sprake is van verwijtbaar en/of nalatig handelen van verweerder en er dus feitelijk sprake is van eigen (mede)schuld van verweerder. Niet gebleken is dat daarvan in deze zaak sprake is.
Het beroep op het Wilnis-arrest kan eiseres niet baten. Hiertoe is het volgende redengevend. In de zaak die heeft geleid tot het Wilnis-arrest, was aan de orde de aansprakelijkheid van het Hoogheemraadschap voor schade als bezitter van een opstal, zijnde een dijk die was verschoven. De Hoge Raad heeft in die zaak geoordeeld dat bij de beoordeling of de dijk gebrekkig was, betekenis toekomt aan de stand van de wetenschap en de techniek alsmede aan specifieke en bijzondere omstandigheden waaronder de dijkverschuiving zich heeft voorgedaan. Eiseres heeft met een beroep op het Wilnis-arrest betoogd dat ook in de onderhavige zaak de risicoaansprakelijkheid begrensd is. Echter, in de onderhavige zaak gaat het niet om civielrechtelijke aansprakelijkheid voor een opstal, maar om risicoaansprakelijkheid op grond van internationale regelgeving en nationale bestuursrechtelijke regelgeving. Reeds omdat de relevante regelgeving in beide zaken niet vergelijkbaar is, kan aan de uitspraak van de Hoge Raad in het Wilnis-arrest niet de door eiseres voorgestane betekenis toekomen.

5. De rechtbank overweegt ten aanzien van de beroepsgrond van eiseres betreffende de uitleg van het begrip ‘redelijke tijd’ uit artikel 65, tweede lid, van de Vw 2000 dat als uitgangspunt dient te gelden dat de betrokken vervoersonderneming een vreemdeling onmiddellijk, bij de eerste gelegenheid daartoe, naar een plaats buiten Nederland vervoert, zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in de uitspraak van 20 juni 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:2363) heeft overwogen. Uit de Memorie van Toelichting op de aanpassing van de Vw 2000 aan de Richtlijn valt naar het oordeel van de rechtbank af te leiden dat de begrippen ‘binnen redelijke tijd’ in artikel 65, tweede lid, van de Vw 2000 en ‘onmiddellijk’ in artikel 3 van de Richtlijn in de praktijk dezelfde betekenis hebben, namelijk met de eerstvolgende vlucht. Dat één en ander geen disproportionele last op de vervoerder mag leggen, zoals eveneens in de Memorie van Toelichting is verwoord, ziet op de termijn waarbinnen de vreemdeling moet zijn terugvervoerd en niet op de kosten van de uitzetting dan wel op de omstandigheden op grond waarvan eerder terugvervoer niet mogelijk was. Deze termijn wordt door verweerder in de praktijk ingevuld met de 48 uurstermijn, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank niet onredelijk is. Dat omstandigheden buiten de invloedssfeer van eiseres ervoor kunnen zorgen dat eiseres vreemdelingen niet binnen 48 uur kan terugvervoeren, dient gezien de hiervoor besproken risicoaansprakelijkheid die op de vervoerder rust, voor rekening en risico van eiseres te blijven. De kosten die daaruit voortvloeien komen daarom voor rekening en risico van eiseres. De beroepsgrond van eiseres faalt.
6.1 Voor zover eiseres een beroep heeft gedaan op het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel overweegt de rechtbank als volgt. Eiseres stelt dat verweerder tot 2012 de vaste gedragslijn had geen kosten bij de vervoerder in rekening te brengen. Zij doet een beroep op de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 17 januari 2014 (ECLI:NL:RBDHA:2014:930). In de periode van 2005 tot 2011 heeft verweerder nooit kosten bij eiseres in rekening gebracht. Verweerder handelt in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel door nu op eiseres met terugwerkende kracht de kosten die zijn gemaakt voor de vreemdelingen te verhalen. Verweerder heeft in de visie van eiseres het vertrouwen gewekt dat niet tot invordering zou worden overgegaan.

6.2

De Afdeling overweegt in rechtsoverweging 2.2 van haar hiervoor onder 5. genoemde uitspraak van 20 juni 2014, waarbij genoemde uitspraak van 17 januari 2014 is vernietigd, als volgt. Artikel 6.3, tweede lid, van het Vb 2000 en de toepasselijke beleidsregels zijn zodanig geformuleerd dat duidelijk, kenbaar en voorzienbaar is welke kosten verweerder op een vervoersonderneming verhaalt en op welke wijze hij deze kosten berekent. In artikel 6.3, tweede lid, van het Vb 2000 en paragraaf A2/7.1.7 van de Vreemdelingencirculaire 2000, in samenhang met de bij die paragraaf behorende tarievenlijst, is immers uitgewerkt welke kosten door verweerder op een vervoersonderneming verhaald kunnen worden. Verweerder heeft gelet op haar bevoegdheid op grond van artikel 65, tweede lid, van de Vw 2000 en gelet op het in rechtsoverweging 2.2 van deze uitspraak overwogene, niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel gehandeld, zo oordeelt de Afdeling. Reeds gelet op dit oordeel kan hetgeen eiseres in de onderhavige zaak over het rechtszekerheidsbeginsel heeft aangevoerd, niet slagen.

In de zaak AWB 14/3276

7. Voor zover eiseres in de zaak AWB 14/3276 bovendien heeft gesteld dat zij niet aansprakelijk kan zijn voor de kosten van vervoer van de vreemdeling [vreemdeling 2], omdat deze vreemdeling hier te lande rechtmatig verblijf had als Turkse zelfstandige, overweegt de rechtbank dat een oordeel over het al dan niet rechtmatige verblijf van de vreemdeling niet in het onderhavige geding aan de orde kan komen. Nu verweerder eiseres op 8 september 2012 heeft aangezegd de vreemdeling terug te vervoeren, gold vanaf die datum de verplichting voor eiseres, als vervoerder, de vreemdeling terug te vervoeren.

In de zaken AWB 13/5219 en AWB 14/3276

8. Gelet op al het voorgaande verklaart de rechtbank de beroepen in de zaken 13/5219 en 14/3276 ongegrond.

9. Voor proceskostenveroordelingen dan wel vergoedingen van griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De zaak 13/5219:


de rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

De zaak 14/3276:

de rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H. van Zutphen, voorzitter, en mrs. M.C. Eggink en H.T. Masmeyer, rechters, in aanwezigheid van mr. H.A. de Graaf, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2015.

De griffier is buiten staat te tekenen. voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: AG
Coll.:
D:
VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.