Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:9902

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-08-2015
Datum publicatie
09-10-2015
Zaaknummer
09/842323-14 e.a.
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich door het slachtoffer met een door hem meegebracht mes in zijn hals, borst en hand te steken schuldig gemaakt aan een buitengewoon ernstig misdrijf, waarbij hij de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer hierbij om het leven zou komen. Dat dit niet is gebeurd, is een omstandigheid die geenszins aan hem is te danken.

Toen het slachtoffer bloedend, weerloos en vastgebonden was, heeft de verdachte de woning verlaten met wegneming van enkele goederen.

De verdachte heeft op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, heeft hem pijn gedaan en angst aangejaagd. Het is algemeen bekend dat gebeurtenissen als hiervoor omschreven grote impact hebben op de slachtoffers. Dat blijkt eens te meer uit de schriftelijke verklaring waarin het slachtoffer heeft verklaard dat hij een blijvend litteken heeft wat hem aan het gebeurde herinnert en dat hij ook nog steeds te kampen heeft met psychische problemen. Het slachtoffer voelde zich niet meer veilig in zijn eigen woning en heeft zich gedwongen gevoeld te verhuizen. Het misdrijf heeft het slachtoffer geschaad en veranderd.

De verdachte heeft zich voorts ernstig misdragen in het Forensisch Centrum Teylingereind en de J.J.I. De Hartelborgt, inrichtingen waar hij destijds verbleef. Hij heeft zich agressief en zeer bedreigend gedragen richting de groepsleiders. Hij heeft hen pijn en letsel toegebracht, terwijl zij bezig waren met hun werk.

Dergelijke gewelddadige feiten maken een ernstige inbreuk op de rechtsorde en veroorzaken hevige gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving, meer in het bijzonder bij de slachtoffers. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Den Haag

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/842323-14; 09/818635-15 (t.t.g.)

Datum uitspraak: 20 augustus 2015

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaken van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] [verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,

wonende te [woonplaats] ,

thans preventief gedetineerd in R.I.J. [X] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 26 maart 2015, 11 juni 2015 en 6 augustus 2015.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. C. Rijnaarts en van hetgeen door de raadsman van de verdachte mr. S.V. Jansen, advocaat te Den Haag, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

09/842323-14

1.

hij op of omstreeks 18 juni 2014 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [aangever 1] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [aangever 1] (meermalen) met een mes heeft gestoken in zijn hals en/of borst en/of hand, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 18 juni 2014 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [aangever 1] van het leven te beroven, met dat opzet die [aangever 1] (meermalen) met een mes heeft gestoken in zijn hals en/of borst en/of hand, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf (poging doodslag) niet is voltooid, welke vorenomschreven poging doodslag werd gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal (van een iPhone 5s en/of een iPad en/of een Puma rugzak en/of twee armbanden), en welke doodslag

werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid te verzekeren;

Art. 310/312 Wetboek van Strafrecht

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 288 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 18 juni 2014 te 's-Gravenhage met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een iPhone 5s en/of een iPad en/of een Puma rugzak en/of twee armbanden, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 1] , in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [aangever 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- ( meermalen) steken met een mes in de hals en/of borst en/of hand van die Burger, welk geweld

zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad, te weten een gescheurde pees in de hand waardoor

functieverlies is opgetreden en/of

- tegen die [aangever 1] zeggen dat hij er geen politie bij mocht halen, want anders zou hij, verdachte,

die [aangever 1] op gruwelijke wijze vermoorden;

Artikel 312 lid 2 ahf onder 4 Wetboek van Strafrecht

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht

09/818635-15

1.

hij op of omstreeks 31 maart 2015 te Sassenheim, gemeente Teylingen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (een) perso(o)n(en) (te weten [aangever 2] , [aangever 3] , [aangever 4] , [aangever 5] , [aangever 6] en [aangever 7] , allen medewerkers van [X] )

- gebeten en/of

- geschopt en/of

- zodanig bij de vinger gegrepen dat deze is gebroken en/of

- geduwd en/of

- geslagen, waardoor voornoemde [aangever 2] en/of [aangever 3] en/of [aangever 4] en/of [aangever 5] en/of [aangever 6] en/of [aangever 7] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 31 maart 2015 te Sassenheim, gemeente Teylingen, (een) medewerker(s) van [X] (waar onder [aangever 8] , en/of [aangever 9] en/of [aangever 10] en/of [aangever 3] en/of [aangever 6] ) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling,

immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde perso(o)n(en) dreigend de woorden toegevoegd :"ik ga je/jullie neersteken" en/of "ik ben een bijter" en/of "ik ga bijten", (waarbij verdachte een bijtbeweging maakt), althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 24 mei 2015 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard, [aangever 11] (medewerkster van [X] ) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met een koekenpan in de richting van die [aangever 11] gegooid en/of een stoel opgepakt en/of deze vervolgens omhoog gehouden in de

richting van die [aangever 11] ;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 24 mei 2015 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard, [aangever 11] (medewerkster [X] ) heeft mishandeld door haar bij het shirt te pakken (ter hoogte van de nek) en/of daaraan te draaien;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

Op 18 juni 2014 is [aangever 1] , hierna de aangever, in zijn eigen woning te

Den Haag met een mes in zijn hals, borst en linkerhand gestoken. De aangever heeft voorts aangifte gedaan van diefstal en bedreiging.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de verdachte, die terzake daarvan is aangehouden, hierbij betrokken is geweest en zo ja, hoe deze betrokkenheid dient te worden gekwalificeerd, namelijk of bij de verdachte sprake is geweest van opzet op de dood, al dan niet in voorwaardelijke zin. In het verlengde daarvan dient beoordeeld te worden of daarbij sprake is geweest van voorbedachte raad met andere woorden of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot moord (het primair tenlastegelegde) of aan - gekwalificeerde - doodslag.

De rechtbank dient zich tevens te buigen over de vraag of de verdachte op 31 maart 2015 en

24 mei 2015 respectievelijk te Sassenheim en Spijkenisse samen met anderen althans alleen medewerkers van de inrichting, waar hij op dat moment verbleef, heeft mishandeld en/of bedreigd met zware mishandeling dan wel met enig misdrijf tegen het leven gericht.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank in de zaak met parketnummer 09/842323-14 de verdachte zal vrijspreken van feit 1 primair en wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte feit 1 subsidiair en feit 2 heeft begaan, waarbij er sprake is van eendaadse samenloop, en dat de rechtbank in de zaak met parketnummer 09/818635-15 wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte feit 1, 2, 3

en 4 heeft begaan.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de in de zaak met parketnummer 09/842323-14 onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde feiten wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs alsook partiële vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde feit.

Ten aanzien van feit 1 primair heeft de raadsman aangevoerd dat de verklaring van de aangever niet betrouwbaar is. Gelet op de medische verklaring is er geen sprake van dusdanig ernstig letsel dat daaruit volgt dat het mes krachtig is gebezigd. Het staat dan ook niet vast de verdachte bewust de aanmerkelijke kans voor lief heeft genomen dat de aangever zou overlijden. De raadsman heeft voorts gesteld dat uit het dossier blijkt dat bij

de verdachte evenmin een eventueel voornemen tot het doden van de aangever bestond en dat hierover in alle rust is nagedacht. Gezien de recente jurisprudentie kan niet tot het aannemen van voorbedachte raad worden gekomen en dient vrijspraak van poging tot moord te volgen.

Ten aanzien van feit 1 subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de opzet, ook in voorwaardelijke zin, ontbreekt.

Naar de mening van de raadsman wilde de verdachte de aangever een lesje leren omdat hij met een minderjarige had afgesproken. Zelfs als de verdachte aanvankelijk wel de bedoeling op de dood heeft gehad, is er kennelijk sprake van vrijwillige terugtred.

Ten aanzien van feit 2 refereert de raadsman zich grotendeels aan het oordeel van de rechtbank. Wel wordt vrijspraak bepleit met betrekking tot de iPad 3, de Puma rugzak en de twee armbanden, nu alleen uit de aangifte blijkt dat deze goederen zijn weggenomen en verder steunbewijs ontbreekt. Ook is er volgens de raadsman geen sprake van zwaar lichamelijk letsel, zoals bepaald in artikel 82 Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van de dagvaarding met parketnummer 09/818635-15 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van medeplegen terzake van de mishandeling van de medewerkers van het [X] . De verdachte heeft geweld gebruikt tegen [aangever 4] door meerdere vuistslagen uit te delen, maar er is geen bewijs dat duidt op een gezamenlijk plan en uitvoering. De raadsman refereert zich aan het oordeel van de rechtbank terzake van de aan de verdachte tenlastegelegde bedreigingen.

Het gooien van een koekenpan in de richting van [aangever 11] , een medewerkster van

[X] kan wellicht als bedreigend worden gekwalificeerd, maar het oppakken en omhoog houden van een stoel was niet bedreigend bedoeld. De verdachte heeft een stoel omhoog gehouden om de stoel die [aangever 11] in haar hand had, te kunnen afweren.

Ten aanzien van de ten laste gelegde mishandeling van [aangever 11] heeft de raadsman allereerst betoogd dat in de tenlastelegging het bestanddeel dat er pijn of letsel is veroorzaakt, ontbreekt en voorts dat het stevig bij een T-shirt grijpen geen mishandeling is.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Parketnummer 09/848323-14 feit 1 en 2

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af.1

Op 18 juni 2014 omstreeks 14.30-14.45 uur staat bij de woning van de aangever te

Den Haag de man voor de deur, die zich net als de aangever [X] noemt, met wie hij de dag ervoor heeft gechat en met wie hij een afspraak heeft gemaakt. De aangever beschrijft ‘ [X] ’ als een licht getinte man, Braziliaans uiterlijk, 175 cm lang en met kort donker haar.

De aangever drinkt samen met [X] een glas ice tea en vervolgens zijn zij, beiden naakt, in het bed van de aangever beland. Na orale bevrediging over en weer voelt de aangever opeens een prik in zijn nek. Hij gaat met zijn hand naar zijn nek, voelt iets warms en ziet bloed. Hij ziet [X] naast zijn bed staan met een mes in zijn rechterhand. Het mes is ongeveer 18 cm lang en heeft een geel bol handvat. De aangever kent het mes niet.

De aangever vraagt wat [X] wil en die zegt: “pedofiele gerechtigheid, dat wil ik. Mijn broertje en ik zijn vroeger misbruikt door een pedofiel. Wilde je nu echt met een 16-jarige afspreken?” [X] vraagt aan de aangever of hij hem moet doden en geeft aan dat de aangever maar naar god moest bidden met de vraag of hij dood moest.

De aangever ziet dat [X] twee armbanden uit het linker nachtkastje pakt en in een zwarte Puma rugzak, die ook van hem is, stopt. [X] neemt ook de wit/grijze iPhone 5s en zwarte iPad van de aangever weg. Hij bindt de handen van de aangever vast met een touw en zegt dat hij 3 minuten moet wachten en pas als hij een auto weg zou horen rijden mag opstaan. [X] zegt ook tegen de aangever dat hij er geen politie bij mag halen, omdat [X] hem dan op gruwelijke wijze zal vermoorden. De aangever telt drie keer tot 60, maakt zijn handen los, doet wat kleren aan en loopt dan naar de woning van zijn vader aan de overkant van de straat.2

De aangever heeft steekwonden in zijn hals rechts, borst rechts en ook op de bovenzijde van zijn linkerhand. Het letsel op zijn linkerhand betreft peesletsel waarvoor een operatie is gevolgd.345

De aangever heeft als gevolg van het gebeurde een posttraumatische stressstoornis opgelopen waarvoor hij onder behandeling is geweest van een psycholoog.6

Ook thans is de aangever nog onder behandeling van een psychotherapeute en heeft hij blijvende littekens in zijn hals en borst en een bobbel op zijn linkerhand.7

Onderzoek naar de chatsessie op 17 juni 2014 tussen de aangever en [X] via Skype leert dat [X] de username ‘ [X] ’ gebruikt.8

Uit de opgevraagde informatie van Skype blijkt de username ‘ [X] ’ verbonden te zijn aan het emailadres [X] .9

De verdachte heeft ter terechtzitting van 6 augustus 2015 verklaard dat het emailadres

[X] zijn emailadres is.10

In de woning van de aangever zijn sigarettenpeuken in de asbak aangetroffen, en glazen waaruit de aangever en [X] ice tea hebben gedronken. De sigarettenpeuken en de glazen zijn bemonsterd, evenals het geslachtsdeel van de aangever.11

In de bemonstering van de linkerpeuk uit de asbak (AAFZ7814NL) en van het rechterglas (AAFZ7819NL) is het DNA van de verdachte aangetroffen. Ook in één van de bemonsteringen van het geslachtsdeel van de aangever (AAFZ7820NL) is het DNA van de verdachte aangetroffen.12

De mobiele telefoon13 die van aangever is weggenomen, is op 4 juli 2014 door Atel 3 G shop gekocht van ene [A]14 en doorverkocht aan de heer

[B] , die hem voor zijn dochter heeft gekocht. Op 3 juli 2014 is de

telefoon door de politie in beslag genomen.15

Gelet op vorenstaande bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat de verdachte de jongen genaamd [X] is, die via Skype met de aangever heeft gechat en die op 18 juni 2014 bij de aangever voor de deur stond, seks met hem heeft gehad en hem vervolgens in zijn hals, borst en linkerhand heeft gestoken, hem heeft bedreigd en goederen uit de woning heeft meegenomen.

De verdachte heeft geen enkele verklaring gegeven voor het aantreffen van zijn DNA op een sigarettenpeuk, op een glas en op het geslachtsdeel van de aangever, terwijl hij evenmin enige verklaring heeft gegeven voor de omstandigheid dat zijn e-mailadres was verbonden met de username van het Skype account waarmee de chatsessie voorafgaand aan de feiten is gevoerd. Dit terwijl een en ander wel met klem om een verklaring van de verdachte vraagt.

De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of sprake was van opzet op de dood van de aangever, al dan niet in voorwaardelijke zin. Vervolgens zal de rechtbank ingaan op de vraag of sprake was van voorbedachte raad.

Voorwaardelijk opzet

De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier het doden van [aangever 1] - aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Uit het strafdossier volgt dat de aangever lukraak in zijn hals, borst en hand is gestoken.

Met name de hals is een uiterst kwetsbaar deel van het lichaam vanwege de aanwezigheid van diverse slagaders. Het met een mes lukraak in de hals steken schept naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer daardoor komt te overlijden.

De rechtbank is gelet op deze feiten en omstandigheden van oordeel dat verdachte met zijn gedragingen en in het bijzonder gelet op het steken met een mes in de hals van de aangever, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de aangever zou komen te overlijden.

De rechtbank acht daarom bewezen dat sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de dood van de aangever.

Voorbedachte raad

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachten rade' moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.

De rechtbank stelt op grond van het verhandelde ter terechtzitting en de gedingstukken de volgende feiten en omstandigheden vast. De verdachte is naar de woning van de aangever gegaan, terwijl hij een mes bij zich had. De aangever herkent het door de verdachte gebruikte mes immers niet. Ook staat vast dat de aangever en de verdachte over en weer seksuele handelingen hebben verricht en dat de aangever daarbij opeens merkte dat hij werd gestoken. Voorafgaand aan het steken heeft de verdachte niets gezegd noch enige handeling verricht die zou wijzen op het voornemen om dergelijk geweld te plegen. De verklaring van de aangever noch die van de verdachte geven enig inzicht in wat er voorafgaand aan het steken in de verdachte omgegaan zou kunnen zijn. Niet valt uit te sluiten dat de verdachte in een opwelling het mes heeft gebruikt dat hij bij zich had, waarbij hij op dat moment als reden gaf dat hij pedofiele gerechtigheid zou willen.

Uit de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden kan niet worden afgeleid dat de verdachte tevoren een plan had beraamd om het slachtoffer van het leven te beroven.

De vraag waarvoor de rechtbank zich vervolgens gesteld ziet, is of de verdachte voorafgaand aan het gewelddadig handelen of tussen de elkaar opvolgende geweldshandelingen voldoende tijd voor beraad en gelegenheid voor bezinning heeft gehad.

Gelet op het vorenoverwogene beantwoordt de rechtbank deze vraag ontkennend.

Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat de besluitvorming en de uitvoering tot stand zijn gekomen in een (zodanig) korte tijdspanne, dat niet bewezen kan worden verklaard dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld.

De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van moord, het onder 1 primair ten laste gelegde, en hem veroordelen voor poging tot doodslag.

Nu de doodslag is vergezeld van de diefstal van enkele goederen van de aangever, komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van poging tot gekwalificeerde doodslag, zoals onder

1. subsidiair is ten laste gelegd.

Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat de verdachte in de woning van de aangever was en dat er vervolgens spullen van de aangever zijn weggenomen. Het neer steken van de aangever heeft de diefstal makkelijker gemaakt.

Ten aanzien van de diefstal van de goederen is de rechtbank van oordeel dat er geen reden is om aan te nemen dat de aangifte niet betrouwbaar zou zijn. De verklaring van de aangever vindt op diverse punten steun in de overige bewijsmiddelen, zoals de weggenomen telefoon die bij een ander in gebruik is aangetroffen. De rechtbank acht derhalve de diefstal van de iPhone, iPad, de Puma rugzak en twee armbanden ook wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2, waarin het wegnemen van de goederen met geweld separaat ten laste is gelegd, kan - gelet op het vorenstaande - naar het oordeel van de rechtbank eveneens wettig en overtuigend bewezen worden verklaard. De verdachte heeft naast het steken, de aangever ook nog met de dood bedreigd als hij de politie zou waarschuwen.

Ten aanzien van feit 1 subsidiair en feit 2 is er sprake van eendaadse samenloop.

Parketnummer 09/818635-15

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af.

Ten aanzien van feit 1 en 216

Op 31 maart 2015 heeft er in het [X] te Sassenheim op de leefgroep [A] een incident plaatsgevonden waarbij diverse jongens van de groep betrokken waren, te weten [A] , [B] , [C] en de verdachte. Er ontstond die dag een conflict omdat [A] boos was. Vervolgens ontstonden er diverse vechtpartijen.17

Blijkens de verklaringen van de groepsleiders18192021 heeft de verdachte groepsleider [aangever 4] geschopt en geslagen.

[aangever 4] had na het incident pijn in zijn rug en borstkas tijdens het ademen en ook het gebied tussen zijn schouderbladen was drukpijnlijk.22

Medeplegen

Blijkens de meest recente jurisprudentie is voor medeplegen van een strafbaar feit vereist dat sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de betrokken personen, gericht op de totstandkoming van het delict. Daarnaast moet de van medeplegen verdachte persoon aan de totstandkoming van het delict een wezenlijke bijdrage hebben geleverd.

Uit de aangifte en de verklaringen van de diverse groepsleiders blijkt dat de vechtpartijen met de 4 jongens van de leefgroep [A] op verschillende plekken plaatsvonden. Daarnaast is in het dossier geen bewijs voorhanden waaruit volgt dat de verdachte en de andere jongens tevoren afspraken hebben gemaakt over het delict.

De rechtbank acht dan ook niet bewezen dat de verdachte zodanig bewust en nauw heeft samengewerkt met zijn groepsgenoten dat sprake is van medeplegen van het tenlastegelegde, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

De rechtbank acht, gelet op het vorenstaande, de mishandeling van [aangever 4] - zoals onder

1. ten laste gelegd - bewezen.

Op diezelfde dag, 31 maart 2015 te Sassenheim, heeft de verdachte enkele groepsleiders bedreigd met zware mishandeling. Pedagogisch medewerker [aangever 10] verklaart dat de verdachte riep “ik ga jullie allemaal neersteken.23 Pedagogisch medewerker [aangever 6] en beveiliger [aangever 9] verklaren dat de verdachte heeft gezegd dat hij ging bijten en dat hij een bijter is.2425

Gelet op de verklaringen van de groepsleiders, waartegen de verdachte niets inbrengt nu hij niet wil verklaren, acht de rechtbank ook het onder 2 ten laste feit gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 3 en 4 26

Op 24 mei 2015 is er ook in [X] te Spijkenisse een incident. Een groepsgenoot krijgt een time-out en moet naar zijn kamer. De verdachte reageert hierop met verbaal protest, weigert mee te gaan voor een gesprek en als hem wordt verzocht naar zijn kamer te gaan, doet hij dit niet. Hij loopt naar het kooktoestel en gooit olie in de koekenpan. Een groepsgenoot zet het fornuis voor hem aan en de verdachte zet de pan op het vuur. Hij zegt: ‘ik pak [aangever 11] als eerste’ en haalt de koekenpan van het vuur. Vervolgens loopt hij naar het midden van de woonkamer, gooit de olie op de grond en gooit de koekenpan gericht en met kracht naar groepsleidster [aangever 11] . Die kan de pan net ontwijken. Hierop pakt de verdachte een stoel en loopt hij in de richting van [aangever 11] . Zij pakt ook een stoel en de verdachte zet zijn stoel weer neer en rent naar het bestekblok. [aangever 11] probeert dit weg te halen, maar de verdachte heeft al een hand vol met bestek.

Hij pakt [aangever 11] bij haar shirt en draait haar shirt strak, waardoor haar shirt is gescheurd en zij rode striemen heeft opgelopen in haar nek, hals en borstgedeelte.272829

De raadsman heeft ten aanzien van feit 4 betoogd dat niet ten laste is gelegd dat er pijn en/of letsel is veroorzaakt en dat dit noodzakelijk is voor het bewijs en een kwalificatie van ‘mishandeling’.

De rechtbank verwerpt dit verweer van de raadsman en sluit zich terzake aan bij het standpunt van de officier van justitie dat naar vaste rechtspraak30 ‘mishandeling’ het aan een ander toebrengen van pijn en letsel in zich heeft en deze begrippen derhalve niet meer separaat in de tenlastelegging hoeven te worden opgenomen.

Door het met kracht draaien van het shirt van [aangever 11] op een zodanige manier dat zij rode striemen heeft opgelopen, heeft de verdachte [aangever 11] pijn en letsel toegebracht.

Uit de verklaringen van groepsleiders [A]31 en [B]32 kan voorts worden opgemaakt dat de verdachte de gedragingen tegen [aangever 11] van tevoren had gepland. Het opzet op het toebrengen van pijn en letsel was, naar het oordeel van de rechtbank, dan ook zeker aanwezig.

Gelet op voornoemde verklaringen van de groepsleiders, waartegen de verdachte niets inbrengt nu hij wederom niet wil verklaren, acht de rechtbank ook de onder 3 en 4 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

09/842323-14

1.

Subsidiair:

hij op 18 juni 2014 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [aangever 1] van het leven te beroven, met dat opzet die [aangever 1] (meermalen) met een mes heeft gestoken in zijn hals en borst en hand, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf (poging doodslag) niet is voltooid, welke vorenomschreven poging doodslag werd vergezeld van enig strafbaar feit, te weten diefstal (van een iPhone 5s en een iPad en een Puma rugzak en twee armbanden), en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken;

2.

hij op 18 juni 2014 te 's-Gravenhage met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een iPhone 5s en een iPad en een Puma rugzak en twee armbanden, toebehorende aan [aangever 1] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [aangever 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld bestonden uit het

- ( meermalen) steken met een mes in de hals en borst en hand van die Burger en

- tegen die [aangever 1] zeggen dat hij er geen politie bij mocht halen, want anders zou hij, verdachte,

die [aangever 1] op gruwelijke wijze vermoorden;

09/818635-15

1.

hij op 31 maart 2015 te Sassenheim, gemeente Teylingen, opzettelijk een persoon (te weten [aangever 4] , medewerker van [X] ) heeft

- geschopt en

- geslagen,

waardoor voornoemde [aangever 4] pijn heeft ondervonden;

2.

hij op 31 maart 2015 te Sassenheim, gemeente Teylingen, medewerkers van [X] (waar onder [aangever 8] en [aangever 9] en [aangever 10] en [aangever 3] en [aangever 6] ) heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde personen dreigend de woorden toegevoegd :"ik ga je/jullie neersteken" en "ik ben een bijter" en "ik ga bijten", waarbij verdachte een bijtbeweging maakt;

3.

hij op 24 mei 2015 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard, [aangever 11] (medewerkster van [X] ) heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met een koekenpan in de richting van die [aangever 11] gegooid en een stoel opgepakt en deze vervolgens omhoog gehouden in de richting van die [aangever 11] ;

4.

hij op 24 mei 2015 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard, [aangever 11] (medewerkster [X] ) heeft mishandeld door haar bij het shirt te pakken (ter hoogte van de nek) en daaraan te draaien.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

4 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De straf/maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 1 jaar, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, en dat aan de verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, onvoorwaardelijk, wordt opgelegd.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit een onvoorwaardelijke straf gelijk aan het voorarrest op te leggen en hij heeft zich verzet tegen het opleggen van de maatregel plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, nu de verdachte daar toch niet aan behandeling zal willen meewerken. Behandeling in het ambulante kader lijkt aangewezen en in het belang van de verdachte, nu hij heeft toegezegd hieraan wel te zullen meewerken.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich door het slachtoffer met een door hem meegebracht mes in zijn hals, borst en hand te steken schuldig gemaakt aan een buitengewoon ernstig misdrijf, waarbij hij de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer hierbij om het leven zou komen. Dat dit niet is gebeurd, is een omstandigheid die geenszins aan hem is te danken.

Toen het slachtoffer bloedend, weerloos en vastgebonden was, heeft de verdachte de woning verlaten met wegneming van enkele goederen.

De verdachte heeft op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, heeft hem pijn gedaan en angst aangejaagd. Het is algemeen bekend dat gebeurtenissen als hiervoor omschreven grote impact hebben op de slachtoffers. Dat blijkt eens te meer uit de schriftelijke verklaring waarin het slachtoffer heeft verklaard dat hij een blijvend litteken heeft wat hem aan het gebeurde herinnert en dat hij ook nog steeds te kampen heeft met psychische problemen. Het slachtoffer voelde zich niet meer veilig in zijn eigen woning en heeft zich gedwongen gevoeld te verhuizen. Het misdrijf heeft het slachtoffer geschaad en veranderd.

De verdachte heeft zich voorts ernstig misdragen in het [X] en de [X] , inrichtingen waar hij destijds verbleef. Hij heeft zich agressief en zeer bedreigend gedragen richting de groepsleiders. Hij heeft hen pijn en letsel toegebracht, terwijl zij bezig waren met hun werk.

Dergelijke gewelddadige feiten maken een ernstige inbreuk op de rechtsorde en veroorzaken hevige gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving, meer in het bijzonder bij de slachtoffers. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.

Voorts is komen vast te staan dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het uittreksel Justitiële Documentatie, voorafgaand aan de in de zaak met parketnummer 09/818635-15 bewezenverklaarde feiten, reeds eerder is veroordeeld voor een soortgelijk- en andere feiten.

De rechtbank heeft acht geslagen op het pro justitia rapport van ForCA d.d. 6 mei 2015 betreffende het klinisch multidisciplinair onderzoek van de verdachte, opgesteld en ondertekend door drs. [Y] , GZ-psycholoog, en drs. [Z] , kinder- en jeugdpsychiater en psychiater volwassen.

Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat er bij de verdachte op gedragsmatig niveau sprake is van een (antisociale) gedragsstoornis. Daarnaast is er op basis van

niet-leeftijdsadequaat functioneren in de diverse leefgebieden sprake van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling, waarbij de precieze persoonlijkheidsdynamiek onduidelijk blijft. De gedragsstoornis en bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling betreffen structurele problematiek bij de verdachte en waren dan ook ten tijde van het tenlastegelegde aanwezig. Onderzoekers hebben door de weigering van de verdachte om aan het onderzoek deel te nemen niet over het ten laste gelegde kunnen spreken. Hierdoor is geen delictscenario beschikbaar en is er geen duidelijk zicht verkregen op de omstandigheden, gevoelens en gedachten van de verdachte voorafgaand en ten tijde van het ten laste gelegde.

De onderzoekers onthouden zich dan ook van een conclusie met betrekking tot eventuele doorwerking van de geconstateerde problematiek in het tenlastegelegde.

Gezien de vragen die er bestaan over de dynamiek in het huidige ten laste gelegde is het onmogelijk een onderbouwde uitspraak te doen over het risico op recidive. Er is bij de verdachte een duidelijke link tussen zijn ontwikkelingsproblematiek en gewelddadig gedrag. Hij heeft een belaste voorgeschiedenis en laat op individueel niveau veel risicofactoren zien (impulsief, negatieve opvattingen, onderneemt riskante gedragingen, gebruikt middelen, heeft problemen met het hanteren van boosheid en heeft weinig positieve gerichtheid op school).

De sociaal-contextuele factoren zijn ongunstig (pedagogisch toezicht is ontoereikend, huisvesting en scholing zijn discontinu). Al deze items zorgen ervoor dat het algehele risico op recidive van gewelddadig gedrag in algemene zin als hoog moet worden beschouwd. Bij bevestiging van de eerder beschreven hypothese is dit risico nadrukkelijk aanwezig in de interactie met homoseksuele mannen.

De combinatie van de geconstateerde problematiek en het hoge recidiveriscio op algemeen gewelddadig gedrag maakt dat het noodzakelijk is om in te grijpen in de ontwikkeling van de verdachte door middel van behandeling. Op grond van de geconstateerde gedragsproblematiek en het geweld door de verdachte in het afgelopen jaar gebruikt, is een orthopedagogische behandeling in een aanvankelijk gesloten klinische setting geïndiceerd. Het ten laste gelegde betreft een ernstig delict en vanuit de risicotaxatie is er een hoge kans op recidive. Het sociale netwerk van de verdachte is ontoereikend en de verdachte disfunctioneert in hoge mate door zijn psychopathologie. Er is geen intrinsieke motivatie tot verandering, waardoor een gedwongen kader noodzakelijk is.

Gezien het risico op recidive en verdere scheefgroei in de persoonlijkheid van de verdachte is ingrijpen noodzakelijk. In de huidige situatie kon niet onderzocht worden of andere opties dan een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel hiervoor geschikt zouden kunnen zijn. Onderzoekers menen dan ook genoodzaakt te zijn de PIJ-maatregel als ultimum remedium te adviseren.

De rechtbank neemt de conclusie ten aanzien van problematiek van de verdachte en de kans op recidive uit voornoemd rapport over, maakt deze tot de hare en zal het gegeven advies opvolgen.

De rechtbank heeft voorts kennis genomen van diverse voorlichtingsrapporten betreffende de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder het meest recente rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de Raad) d.d. 8 juni 2015.

Blijkens dit rapport komen uit het onderzoek van de Raad veel risicofactoren naar voren en ontbreken de beschermende factoren. Zowel het algemeen recidive risico als het dynamisch risicoprofiel komt hoog naar voren. Uit het psychodiagnostisch onderzoek komt naar voren dat er sprake is van een gedragsstoornis waarbij sprak is van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling. De Raad is van mening dat een terugplaatsing naar huis niet wenselijk is. De moeder is niet in staat geweest een stabiele opvoedomgeving voor de verdachte te creëren en er is sprake geweest van affectieve verwaarlozing. Daarnaast zijn er sterke vermoedens dat het verleden van de verdachte mede gezorgd heeft voor het probleemgedrag wat de verdachte nu laat zien. Daarbij is de verdachte in het verleden geconfronteerd geraakt met het verlies van twee dierbare personen (vader en stiefvader). Achter het externaliserende probleemgedrag waarbij hij zelfbepalend gedrag en ongecontroleerde boosheid laat zien, lijkt angst en onzekerheid te zitten. De verdachte is echter vanaf zijn kindertijd gewend geraakt om voor zichzelf op te komen. Hij voelt daarbij sterke verbroedering met groepsgenoten. Indien zij in zijn ogen bijvoorbeeld onterecht door de groepsleiding worden aangesproken, verliest hij de controle over zichzelf en vertoont hij ernstig fysiek geweld.

Het agressieve gedrag is dusdanig ernstig dat hij daarbij het leven van anderen in gevaar brengt. Na afloop van incidenten kan hij moeilijk reflecteren op zijn eigen gedrag en is hij geneigd zijn aandeel te bagatelliseren. Soms wordt hij echter verdrietig en laat hij meer zien van de ballast die hij uit het verleden met zich meedraagt. Dit zijn echter maar korte

momenten. Bovenstaande gedragingen maken dat er bij de Raad vraagtekens zijn of er niet ook sprake is van psychiatrische problematiek. Doordat de verdachte echter geen volledige openheid van zaken heeft gegeven, is volledige diagnostiek niet mogelijk gebleken.

Gezien de ernst van de delicten en de houding van de verdachte is de Raad van mening dat

behandeling niet kan uitblijven. De Raad sluit aan bij de aanbevelingen die worden gegeven uit het psychodiagnostisch onderzoek en is van mening dat procesdiagnostiek noodzakelijk is om vanuit daar de meest passende hulpverlening te bieden.

De Raad onderschrijft de conclusie dat het noodzakelijk is dat de verdachte in een gesloten, beveiligde en gestructureerde omgeving wordt geplaatst zodat hij in staat kan worden gesteld te profiteren van het aanbod van hulpverlening.

Een PIJ wordt daarbij als onafwendbaar en wenselijk gezien. Het lijkt de enige kans voor de verdachte om zijn ontwikkeling nog bij te sturen waarmee hij een kans heeft zijn gedrag te veranderen.

De Raad is van mening dat de juridische gronden voor een PIJ maatregel aanwezig zijn en er wordt voldaan aan de drie criteria, te weten het delict- beveiligings- en ontwikkelingscriterium. Er is sprake van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Er is sprake van een ernstig strafbaar feit. Er is sprake van een gediagnosticeerde stoornis (bij de verdachte is een gedragsstoornis Niet Anderszins Omschreven gediagnosticeerd). Voor een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van de verdachte is een PIJ maatregel noodzakelijk. Een PIJ maatregel biedt een lange en intensieve begeleiding die volgens de Raad noodzakelijk is.

Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat er een verhoogde kans bestaat op geweld tegen personen vanuit de verdachte. Zelfs in een beveiligde setting laat de verdachte ernstig fysiek gedrag zien waarbij het al een aantal keer dusdanig uit de hand is gelopen dat er bij de slachtoffers sprake is van fysieke en/of emotionele verwondingen. Gesloten jeugdzorg acht de Raad hierdoor niet passend.

De Raad adviseert de PIJ uit te laten voeren bij de Forensisch Jeugd Psychiatrisch Kliniek de Catamaran, gespecialiseerd in psychiatrische problematiek. Hier kan zowel diagnostiek als behandeling plaatsvinden. Waar mogelijk dient de verdachte geplaatst te worden in kleinere groepen, gezien het feit dat hij veel verbroedering voelt met zijn mede groepsgenoten en er hierdoor ook meerdere ernstige conflicten hebben plaatsgevonden.

De rechtbank onderschrijft de conclusies en het strafadvies van de Raad.

Tijdens de behandeling ter terechtzitting heeft mevrouw [X] , raadsonderzoeker en gehoord als deskundige, verklaard dat met name het veiligheidscriterium zwaar weegt en maakt dat de Raad een traject in het civiele kader niet haalbaar acht. De Raad durft, gelet op de ernstige geweldsdelicten, niet het risico te nemen dat de verdachte op korte termijn al verlof zal krijgen, hetgeen in het civiele traject gebruikelijk is.

Voorts heeft mevrouw [X] meegedeeld dat het zeer wenselijk is dat er onderzoek wordt gedaan naar mogelijke psychiatrische problematiek bij de verdachte en dat plaatsing in een kleinere behandelgroep in [X] - mede gelet hierop - aangewezen is, maar ook omdat de verdachte er niet de dupe van mag worden dat hij een groot rechtvaardigings-gevoel heeft en altijd voor een ander wil opkomen.

De rechtbank is, gelet op de ernst van de feiten, en dan met name de poging tot gekwalificeerde doodslag, allereerst van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van na te melden duur een passende reactie vormt.

De rechtbank weegt hierbij mee dat de verdachte heeft volhard in de weigering om enige verklaring af te leggen terzake van de hem verweten feiten en aldus geen enkel inzicht heeft getoond in zijn handelen en de consequenties daarvan, ook ter terechtzitting niet.

De rechtbank beschouwt het als zeer zorgelijk dat de verdachte, die pas 16 jaar is en ten tijde van de poging gekwalificeerde doodslag zelfs 15 jaar, op geen enkele manier heeft willen praten over wat er is gebeurd en kennelijk in staat is een zodanig schokkende gebeurtenis geheel voor zichzelf te houden.

De rechtbank stelt vast dat een deel van de gepleegde feiten misdrijven zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, terwijl andere feiten behoren tot misdrijven omschreven in artikel 285, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht.

Op grond van hetgeen de psycholoog en de psychiater en de Raad in hun rapporten vermelden, is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van de misdrijven een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond en daarnaast de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van een maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna te noemen: PIJ-maatregel) eisen. Bovendien is deze maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte.

De rechtbank overweegt dat de PIJ-maatregel zal worden opgelegd ter zake van misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Dit betekent dat verlenging van deze maatregel mogelijk is voor zover de maatregel daardoor de duur van zeven jaar niet te boven gaat.

De rechtbank adviseert de maatregel plaatsing in een inrichting voor jeugdigen ten uitvoer te leggen in de Forensisch Jeugd Psychiatrisch Kliniek [X] , dan wel in een andere inrichting die aansluit bij de persoonlijkheid van de verdachte, zoals beschreven in het rapport van de deskundigen en de Raad.

7 De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

[aangever 1] heeft zich ten aanzien van parketnummer 09/842323-14 als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 4.563,88, met wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit een bedrag van € 1.063,88 aan materiële schade en een bedrag van € 3.500,- aan immateriële schade, ziende op smartengeld.

7.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel kan worden toegewezen, zijnde een bedrag van € 4.563,88, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de posten 1, 2 en 3, zijnde de iPad 3, Puma rugzak en de armbanden, betwist wegens gebrek aan bewijs. Ten aanzien van post 9, de verhuiskosten, heeft de raadsman aangevoerd dat deze kosten in een te ver verwijderd verband van het feit staan. Voorts heeft de raadsman matiging van de immateriële schade tot een bedrag van € 2.700,- bepleit.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de vordering, voor wat betreft de posten 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 toewijzen ten bedrage van € 864,88, nu deze schade voldoende is onderbouwd en als rechtstreeks gevolg van de in de zaak met parketnummer 09/842323-14 onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde feiten is aan te merken.

De rechtbank acht de vordering, voor zover deze betrekking heeft op een bedrag van

€ 3.500,- (post 8), als vergoeding ter zake van immateriële schade tot dat bedrag naar billijkheid toewijsbaar.

De rechtbank heeft daarbij acht geslagen op de door de benadeelde partij gestelde gevolgen van het tenlastegelegde en op vergelijkbare gevallen in de Nederlandse rechtspraak. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van de in de zaak met parketnummer 09/842323-14 onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde feiten.

De rechtbank zal de vordering derhalve ten laste van de verdachte toewijzen tot een bedrag van € 4.364,88.

De rechtbank zal voorts de wettelijke rente ten aanzien van de toegekende materiële schade, te weten € 864,88 toewijzen vanaf de datum dat de vordering is ingediend, te weten

9 juli 2015.

Ten aanzien van de toegekende immateriële schade, te weten € 3.500,00, zal de rechtbank de wettelijke rente toewijzen vanaf de datum waarop de uitspraak wordt gedaan, te weten

20 augustus 2015.

De rechtbank zal de vordering voor wat betreft post 9 de verhuiskosten, afwijzen, nu deze kosten geen rechtstreekse schade betreft van de bewezenverklaarde feiten.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige, zijnde post 8 daggeldvergoeding, niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, nu onvoldoende is onderbouwd dat de benadeelde partij deze kosten daadwerkelijk heeft gemaakt.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu de verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de in de zaak met parketnummer 09/842323-14 onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde strafbare feiten zijn toegebracht en de verdachte voor deze feiten zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 4.364,88, vermeerderd met de wettelijke rente over de materiële schade vanaf 9 juli 2015 en over de immateriële schade vanaf 20 augustus 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van [aangever 1].

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:

36f, 45, 55, 63, 77a, 77g, 77h, 77i, 77s, 77v, 77gg, 285, 288, 300 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding met parketnummer 09/842323-14 onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de hem bij dagvaarding met parketnummer 09/842323-14 onder 1 subsidiair en 2 en bij dagvaarding met parketnummer 09/818635-15 onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

09/842323-14 1 subsidiair en 2:

eendaadse samenloop van

POGING TOT DOODSLAG, VERGEZELD VAN EEN STRAFBAAR FEIT EN GEPLEEGD MET HET OOGMERK OM DE UITVOERING VAN DAT FEIT GEMAKKELIJK TE MAKEN

en

DIEFSTAL, VOORAFGEGAAN EN VERGEZELD VAN GEWELD EN BEDREIGING MET GEWELD TEGEN PERSONEN, GEPLEEGD MET HET OOGMERK OM DIE DIEFSTAL VOOR TE BEREIDEN EN GEMAKKELIJK TE MAKEN

09/818635-15 1 en 4:

MISHANDELING, MEERMALEN GEPLEEGD

09/818635-15 2 en 3:

BEDREIGING MET ZWARE MISHANDELING, MEERMALEN GEPLEEGD

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.


veroordeelt de verdachte tot

jeugddetentie voor de duur van 12 maanden;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

en legt de verdachte op de maatregel van

plaatsing in een inrichting voor jeugdigen;

ten aanzien van parketnummer 09/842323-14:

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe ten laste van de verdachte en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [aangever 1], een bedrag van € 4.364,88, vermeerderd met de wettelijke rente over de materiële schade ad € 864,88 vanaf 9 juli 2015 en over de immateriële schade

ad € 3.500,- vanaf 20 augustus 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij ten aanzien van post 9 af;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel, zijnde post 8, niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 4.364,88, vermeerderd met de wettelijke rente over de materiële schade ad € 864,88 vanaf 9 juli 2015 en over de immateriële schade ad € 3.500,- vanaf 20 augustus 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd

[aangever 1];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 30 dagen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.M. Boone, kinderrechter, voorzitter,

mr. M. Kramer, kinderrechter,

en mr. J.A.H.M. Janssen, kinderrechter-plv.,

in tegenwoordigheid van mr. M.M. de Witte, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 augustus 2015.

Mr. Janssen is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit - voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal van politie Eenheid Den Haag, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL1500-2014121078, doorgenummerd als pagina 1 tot en met 371.

2 Proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] , pagina 19/22.

3 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 33/34 en foto’s pagina 25/28.

4 Geneeskundige verklaring d.d. 21 juli 2014.

5 Los ambtsedig proces-verbaal van bevindingen (nadere omschrijving letsel), opgemaakt op 6 juli 2015, met bijlagen.

6 Verslag behandeling d.d. 21 augustus 2014 van [X] , klinisch psycholoog, als bijlage gevoegd bij het onder 5 genoemde proces-verbaal van bevindingen.

7 Los ambtsedig proces-verbaal van bevindingen (nadere omschrijving letsel), opgemaakt op 6 juli 2015, met bijlagen.

8 Proces-verbaal van bevindingen Skypegesprek, pagina 98/125.

9 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 227.

10 Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 6 augustus 2015, eigen verklaring van de verdachte.

11 Proces-verbaal forensisch onderzoek, pagina 300/306.

12 Rapporten NFI d.d. 12 september 2015, 7 januari 2015 en 10 februari 2015.

13 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 45.

14 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 94.

15 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 185/186.

16 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit - voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal van Politie Eenheid Den Haag, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL1500-2015099430, doorgenummerd als pagina 1 tot en met 151.

17 Proces-verbaal van aangifte van [A] , pagina 26/29.

18 Proces-verhaal verhoor getuige [aangever 4] , pagina 36.

19 Proces-verhaal verhoor getuige [aangever 6] , pagina 42.

20 Proces-verhaal verhoor getuige [aangever 5] , pagina 52.

21 Proces-verhaal van bevindingen verhoor [B] , pagina 63.

22 Medische informatie, GGD Hollands Midden, pagina 149.

23 Proces-verbaal verhoor getuige [aangever 10] , pagina 61.

24 Proces-verbaal verhoor getuige [aangever 9] , pagina 46.

25 Proces-verbaal verhoor getuige [aangever 6] , pagina 43.

26 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit – voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal van Politie Eenheid Rotterdam, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL1700-2015192717.

27 Proces-verbaal van aangifte van [aangever 10] , opgemaakt en ondertekend op 26 mei 2015 door [C] , brigadier politie eenheid Rotterdam, ongenummerd.

28 Proces-verbaal van getuige [aangever 11] , opgemaakt en ondertekend op 8 juni 2015 door [C] en [D] , respectievelijk brigadier en hoofdagent van politie eenheid Rotterdam, ongenummerd.

29 Proces-verbaal van getuige Bryan, opgemaakt en ondertekend op 8 juni 2015 door [C] en [D] , respectievelijk brigadier en hoofdagent van politie eenheid Rotterdam, ongenummerd.

30 Arrest van de Hoge Raad d.d. 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6990.

31 Proces-verbaal van getuige [A] , opgemaakt en ondertekend op 8 juni 2015 door [C] en [D] , respectievelijk brigadier en hoofdagent van politie eenheid Rotterdam, ongenummerd.

32 Proces-verbaal van getuige [B] , opgemaakt en ondertekend op 2 juli 2015 door [D] , hoofdagent van politie eenheid Rotterdam, ongenummerd.