Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:9785

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-08-2015
Datum publicatie
19-08-2015
Zaaknummer
C/09/490107 / KG ZA 15-814
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Afwijzing van vordering van gedetineerde tegen de Staat tot strafonderbreking dan wel plaatsing op een Forensisch Psychiatrische Afdeling. De beroepsprocedure bij de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming heeft te gelden als een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang, die op grond van het gesloten stelsel van rechtsmiddelen de weg naar de burgerlijke rechter afsluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/490107 / KG ZA 15-814

Vonnis in kort geding van 7 augustus 2015

in de zaak van

[eiser] ,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Haaglanden, locatie Justitieel Centrum voor Somatische Zorg te [verblijfplaats] ,

eiser,

advocaat mr. L.R. Rommy te Amsterdam,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de brief d.d. 8 juli 2015 van de zijde van [eiser] met een productie;

- de brief d.d. 9 juli 2015 van de zijde van de Staat;

- de brief d.d. 29 juli 2015 van de zijde van de Staat met producties;

- de tweede brief d.d. 29 juli 2015 van de zijde van de Staat met een productie;

- de brief d.d. 29 juli 2015 van de zijde van [eiser] ;

- de op 31 juli 2015 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd en waarbij door [eiser] zijn eis is gewijzigd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

[eiser] is op 4 april 2011 door het Gulating Lagmannsrett (gerechtshof) in Stavanger, Noorwegen, wegens een opiumdelict veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaar en zes maanden. Vanaf augustus 2009 zit [eiser] in detentie, aanvankelijk in Noorwegen.

2.2.

Op grond van een geslaagd beroep op de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen is [eiser] op 20 december 2011 naar Nederland gebracht om zijn straf hier verder uit te zitten.

2.3.

Na een verblijf in het Justitieel Medisch Centrum te Scheveningen en de Penitentiaire Inrichting (hierna: PI) te Dordrecht is [eiser] op 12 juli 2012 overgeplaatst naar het Penitentiair Psychiatrisch Centrum (hierna: PPC) [verblijfplaats] .

2.4.

In een diagnostiekrapport over [eiser] van een GZ-psycholoog van de PI Haaglanden, locatie [verblijfplaats] , van 5 maart 2013 is het volgende opgenomen:

‘(…)

Conclusie

Betrokkene is namens het PMO van de PI Dordrecht naar Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC) [naam gemeente] verwezen met de vraag naar onderzoek betreffende behandel- en begeleidingsmogelijkheden in het kader van zijn verdere detentietraject en mogelijke resocialisatieproces. (…)

Op basis hiervan wordt gesteld dat momenteel sprake is van een externe stressor (detentie en het verloop van de rechtsgang). Vanwege ontoereikende coping is een zeer grote lijdensdruk zichtbaar, zich uitend in een veelheid van lichamelijke en psychische klachten. In combinatie met de persoonlijkheidsstructuur zorgt dit voor een soms stroeve interactie met de omgeving. Vervolgens leidt dit weer tot een toename van de spanning en daarmee een toename van de ervaren klachten.

Beleid en nazorg

(…)

Allereerst kan gedacht worden aan een klachtgerichte behandeling middels cognitieve gedragstherapie. Het is echter de vraag of dit soelaas biedt omdat de stressor, namelijk de detentie, aanhoudt.

Daarnaast kan gedacht worden aan een behandeling gericht op de persoonlijkheidsstructuur. Hierbij kan gedacht worden aan een schemagerichte therapie. Betrokkene heeft hierover echter aangegeven zijn twijfels te hebben, mede omdat de gedragingen die hem nu klachten opleveren, hem buiten veel voordelen opleveren.

Om deze reden wordt geadviseerd om na de onderzoeksfase de behandeling vooral te richten op stabilisatie en het bieden van ondersteuning. Dit kan in eerste instantie plaatsvinden op een groepsgerichte afdeling in het PPC alwaar een en ander verder kan worden geconcretiseerd in een behandelplan. Hierna kan worden bezien of een verder verblijf in het PPC noodzakelijk is.

(…)’

2.5.

In een diagnostiekrapport over [eiser] van een GZ-psycholoog van de PI Haaglanden, locatie [verblijfplaats] , van 21 april 2014 is het volgende opgenomen:

‘(…)

Integratie en Conclusie

(…)

Op dit moment ervaart betrokkene echter zoveel lichamelijke en psychische klachten die sterk interfereren met zijn dagelijkse doen en laten, dat hij zich nauwelijks meer tot enige activiteit in staat acht. Dagelijks wordt betrokkene gehinderd door ingrijpende herinneringen aan de gebeurtenissen die zijn voorgevallen bij de arrestatie en de daaropvolgende detentie in Noorwegen en heeft hij regelmatig het gevoel alsof bepaalde gebeurtenissen zich herhalen. Hij is steeds bezig om aspecten van het trauma te vermijden en er zijn aanhoudende symptomen van sterk verhoogde prikkelbaarheid. Daarbij is er sprake van verlies van interesse, energie, onthechting en beperkt affect wat in het contact en observatie doet vermoeden dat er sprake is van een depressie. Deze symptomen zijn echter ook passend bij een posttraumatische stressstoornis en zowel vanuit de gesprekscontacten als uit het testmateriaal kan worden geconcludeerd dat hier inderdaad sprake van is.

Advies

Wat betreft een behandeladvies kan het volgende opgemerkt worden. In geval van een lopende juridische procedure, wat gerelateerd is aan het trauma, is het advies om niet te behandelen. De gestelde diagnose kan ‘nodig zijn’ in de juridische procedure (‘ziektewinst’) en de aanwezige kans op verbetering maakt betrokkene in zijn ogen ‘zwakker’. De behandelmotivatie van betrokkene speelt dan ook een belangrijke rol.

Indien er geen juridische procedure loopt hoeft een behandeling in een detentieomgeving, terwijl de traumatische gebeurtenissen ook in detentie hebben plaatsgevonden, geen contra-indicatie te zijn. In deze setting is voor betrokkene op dit moment de angst optimaal en zijn er voortdurend triggers oncontroleerbaar en onvoorspelbaar aanwezig. Een traumabehandeling in de vorm van exposure zal hier gerichter mee te werk gaan en zal er voor zorgen dat betrokkene hier meer controle op leert krijgen.

De omgeving waarin de behandeling plaatsvindt, zal voor betrokkene veilig moeten zijn. Althans, het gevaar dat het trauma dagelijks weer opnieuw zal plaatsvinden moet afwezig zijn. De vraag is echter ook of dit wel een geschikte behandelomgeving is voor betrokkene. Hij verblijft onvrijwillig in het PPC en heeft niet gekozen voor deze behandelomgeving. In hoeverre kan betrokkene zich hier openstellen voor een behandeling? Er zal bekeken moeten worden of een andere omgeving geboden kan worden, waarin de noodzaak tot behandeling te uitvoer kan worden gebracht.

Besproken met betrokkene

(…)

Betrokkene zegt open te staan voor een traumabehandeling, maar niet in deze omgeving. Hij geeft aan dit wel in een kliniek te willen vanwege de gedachte dat het daar aangenamer is, omdat je daar niet steeds geconfronteerd wordt met het gedetineerd zijn.

(…)’

2.6.

Bij brief van 19 mei 2014 heeft de behandelcoördinator/GZ psycholoog van het PPC [verblijfplaats] over [eiser] aan mr. D. Penn het volgende bericht:

‘(…)

1. Klopt het dat er binnen de setting van het PPC geen effectieve behandelmogelijkheden meer aanwezig zijn: er zijn binnen het PPC zowel psychiatrische als psychologische behandelmogelijkheden, b.v. medicamenteuze behandeling en psychotherapie gericht op b.v. depressie, traumaverwerking en persoonlijkheidsproblematiek. Betrokkene werkt mee aan de psychologische behandelingen die hem zijn aangeboden. De effectiviteit van deze behandelingen is tot op heden niet groot gebleken.

(…)

6. Klopt het dat plaatsing in een FPK aangewezen is, maar dit onmogelijk is vanwege zijn langdurige strafrestant: een plaatsing in een FPK is als optie besproken tijdens een overleg over de situatie van betrokkene. In het algemeen kan een plaatsing echter pas plaats vinden gedurende de laatste 12-24 maanden voor de v.i. datum, mits daarvoor voldoende indicaties zijn op behandelgebied. (…) Duidelijk is wel dat er een noodzaak voor behandeling is en bij betrokkene motivatie voor behandeling buiten de detentiesituatie.

7. Klopt het dat de verklaringen van mevrouw de Best nog steeds actueel zijn: indien u doelt op de volgende verklaring: “het is de vraag of een klachtgerichte behandeling middels cognitieve gedragstherapie soelaas biedt, omdat de stressor, namelijk de detentie, aanhoudt”, dan wil ik aangeven dat er geen contraindicatie is voor een traumabehandeling in detentie bij trauma’s die in detentie zijn opgelopen, hoewel dit uiteraard wel meer inzet vraagt en lastiger is. (…)’

2.7.

Bij brief van 19 augustus 2014 heeft de medisch adviseur van het Bureau Individuele Medische Advisering van de Dienst Justitiële Inrichtingen van het Ministerie van Veiligheid en Justitie (hierna: BIMA) over [eiser] aan de PI [verblijfplaats] het volgende bericht:

‘(…)

Ik heb het medisch dossier van de heer [eiser] bestudeerd en overleg gehad met de behandelcoördinator/psycholoog van de heer [eiser] . Uit deze medische informatie blijkt dat er forse lijdensdruk is die gerelateerd is aan de detentie. Een strafonderbreking is niet medisch geïndiceerd. Door langer in detentie te verblijven verwacht ik dat de heer [eiser] onevenredig schade zal oplopen. Ik adviseer betrokkene zsm over te plaatsen naar een FPK en zijn straf op een artikel 15.5 uit te laten zitten. Gezien de urgentie van de overplaatsing is een spoedige overplaatsing eventueel met voorrang aanbevolen.

(…)’

2.8.

Een verzoek van [eiser] om te worden overgeplaatst naar de Forensisch Psychiatrische Kliniek (Hierna: FPK) De Kijvelanden is afgewezen.

2.9.

Bij brief van 16 oktober 2014 heeft de selectiefunctionaris van de Dienst Justitiële Inrichtingen van het Ministerie van Veiligheid en Justitie (hierna: de selectiefunctionaris) het verzoek van [eiser] om te worden overgeplaatst naar de FPK te Assen toegewezen, met als opnamedatum 21 oktober 2014. In deze brief is onder meer het volgende opgenomen:

‘(…)

Naast de algemene voorwaarden verbonden aan voornoemde plaatsing stel ik uitdrukkelijk dat alle activiteiten binnen de beveiligde zone plaats moeten vinden. Gezien de lengte van de straf en de einddatum detentie zijn vrijheden voorlopig geen onderdeel van de behandeling.

De einddatum detentie is op dit moment 23-02-2018. (…)’

2.10.

Bij brief van 5 december 2014 met als onderwerp ‘ontslagbrief de heer [eiser] ’ heeft GGZ-Drenthe aan [eiser] het volgende bericht:

‘(…)

Conclusie en beleid

Aangezien dhr. [eiser] uitsluitend is aangemeld voor behandeling van PTSS en hij zelf met nadruk heeft aangegeven dat de overeenkomsten van de kliniek met detentie dusdanig zijn dat hij geen traumabehandeling kan ondergaan, hebben wij moeten constateren dat behandeling in onze kliniek niet haalbaar is.

Bovendien heeft hij in de zes weken dat hij hier verblijft niet willen ingaan op welke omstandigheden hij als traumatiserend heeft ervaren en heeft hij, anders dan in de eerdere rapportages staat, laten weten dat het niet louter gaat om omstandigheden c.q. gebeurtenissen in detentie in Noorwegen maar meer algemeen in detentie.

De opname van dhr. [eiser] is vanwege bovenstaande beëindigd en de heer [eiser] is terug gestuurd naar de Penitentiaire Inrichting.

(…)’

2.11.

Bij brief van 22 december 2014 heeft de selectiefunctionaris [eiser] bericht dat een langer verblijf in een PPC niet zinvol wordt geacht en dat besloten is hem te plaatsen in de PI Zoetermeer, waarbij geadviseerd wordt hem te plaatsen op een kleine afdeling. Het hiertegen door [eiser] ingestelde bezwaar is bij besluit van 6 januari 2015 ongegrond verklaard. Hierin is het volgende verwoord:

‘(…)

Een langer verblijf in een PPC wordt niet noodzakelijk geacht. Naast een PTSS behandeling is er geen indicatie meer voor verblijf binnen een PPC. Meerdere pogingen tot behandeling mislukten doordat u zich onbehandelbaar opstelde. Ook een mogelijke behandeling in een FPK werd mede op uw verzoek beëindigd. De gedragsdeskundigen oordelen dat plaatsing op een reguliere afdeling verantwoord is, waar mogelijk gekeken kan worden naar de noodzaak van een ambulante begeleiding door een GGZ-instelling.

(…)’

Op 20 januari 2015 is [eiser] overgeplaatst van het PPC [verblijfplaats] naar de PI Zoetermeer.

Het door [eiser] ingestelde beroep tegen de beslissing op bezwaar van 6 januari 2015 is door de beroepscommissie van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (hierna: RSJ) op 30 maart 2015 ongegrond verklaard. De beroepscommissie heeft hiertoe het volgende overwogen:

‘(…)

4.2.

Op grond van het bepaalde in artikel 20c van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden komen voor plaatsing in een PPC die gedetineerden in aanmerking, ten aanzien van wie in verband met een psychiatrische stoornis, een persoonlijkheidsstoornis, psychosociale problematiek, verslavingsproblematiek of een verstandelijke beperking, forensische zorg is geïndiceerd of ten aanzien van wie in verband met de vraag of forensische zorg is geïndiceerd, nadere observatie is vereist. In de toelichting bij artikel 20c is bepaald dat de directeur van de inrichting waar de gedetineerde op dat moment verblijft aan de selectiefunctionaris advies uitbrengt over de behoefte aan forensische zorg. Dit advies wordt gegeven op basis van screening en indicatiestelling door het psycho-medisch overleg van de inrichting of het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie.

4.3.

Uit de door de selectiefunctionaris en klager overgelegde documenten blijkt dat klager is gediagnosticeerd met PTSS. Voldoende aannemelijk is geworden dat de behandeling van deze stoornis niet van de grond is gekomen. In het FPK Assen is naar voren gekomen dat klager geen traumabehandeling kan ondergaan, omdat hij niet kan aangeven welke omstandigheden hij als traumatiserend heeft ervaren. Ook zijn er in het PPC twee behandelpogingen gedaan, maar deze zijn vanwege onvoldoende positieve inzet van klager afgebroken. Nu de behandeling van klagers PTSS niet wil slagen en er daarnaast geen indicatie bestaat voor verblijf in een PPC, heeft de selectiefunctionaris klager in redelijkheid kunnen overplaatsen naar de gevangenis van de locatie Zoetermeer. De beroepscommissie neemt hierbij tevens in aanmerking dat er in een verlofzaak van klager (…) recente stukken zijn ingediend met betrekking tot de detentiegeschikheid van klager. De medisch adviseur heeft op 26 januari 2015 op basis van klagers medisch dossier en na overleg met de psychiatrisch adviseur geoordeeld dat klager niet detentieongeschikt is en de zorg die klager nodig heeft kan worden gegeven in de inrichting. (…)’

2.12.

Bij brief van 26 januari 2015 heeft de medisch adviseur van BIMA over [eiser] aan PPC [verblijfplaats] het volgende bericht:

‘(…)

Ik heb het medisch dossier bestudeerd en overleg gehad met de psychiatrisch adviseur. Uit deze informatie blijkt dat de zorg die de heer [eiser] nodig heeft gegeven kan worden in de inrichting. Op basis van deze informatie betrokkene niet detentieongeschikt.

(…)’

2.13.

Bij brief van 27 januari 2015 heeft de medisch adviseur van BMI over [eiser] aan PPC [verblijfplaats] het volgende bericht:

‘(…)

Bij het tot standkomen van het advies van 26-1-2015 is niet gebleken dat er een strafonderbreking op medische gronden nodig was en heb ik betrokkene detentiegeschikt geacht.

Ook op basis van artikel 37 van het handboek rechtspositie gedetineerde zijn er geen medische redenen om strafonderbreking aan betrokkene te verlenen.

(…)’

2.14.

Het verzoek van [eiser] om strafonderbreking is door de selectiefunctionaris bij brief van 6 februari 2015 afgewezen. In deze brief is het volgende verwoord:

‘(...)

Ik heb besloten uw verzoek tot strafonderbreking voor een periode van drie maanden af te wijzen, omdat onderzoek van de afdeling Bureau individuele medische advisering (BIMA) heeft uitgewezen, dat er geen medische noodzaak is om u strafonderbreking te verlenen. Uw verzoek was op medische gronden gebaseerd. (…)’

Het hiertegen door [eiser] ingestelde beroep is door de beroepscommissie van de RSJ op 13 maart 2015 ongegrond verklaard. De beroepscommissie heeft daartoe overwogen dat niet is gebleken dat de Staatssecretaris niet heeft mogen uitgaan van de adviezen van de medisch adviseur van 26 en 27 januari 2015 en dat de beroepscommissie reeds hierom van oordeel is dat de beslissing tot afwijzing van het verzoek om strafonderbreking niet als onredelijk of onbillijk kan worden aangemerkt. Ten overvloede heeft de beroepscommissie overwogen dat [eiser] zich met zijn verzoek om plaatsing op de Extra Zorg Voorziening kan wenden tot de directeur van de inrichting van verblijf en dat hij bij een eventuele afwijzende beslissing beklag kan indienen.

2.15.

Bij brief van 29 april 2015 heeft de medisch adviseur van BIMA over [eiser] aan de PI Zoetermeer het volgende bericht:

‘(…)

Op somatisch gebied is er ten aanzien van het vorige advies van 26-1-2015 niets veranderd. Betrokkene krijgt zijn medicatie en deze kan eenvoudig voortgezet worden in detentie.

Ten aanzien van zijn psychische situatie, waarvoor hij eerder in het PPC en het FPK verbleef en een psychiatrisch adviseur eerder een advies gaf inzake een strafonderbreking, kan ik u aangeven dat hij sinds 26-1-2015 een paar keer is gezien door de huisarts. Deze heeft hem nu ter bespreking geplaatst op het psycho-medisch overleg.

Op dit moment is er geen sprake van een situatie waarin onvoldoende zorg geleverd kan worden en is er geen reden voor een strafonderbreking. (…)’

2.16.

Bij brief van 12 mei 2015 heeft de selectiefunctionaris een tweede verzoek van [eiser] om strafonderbreking afgewezen, omdat het BIMA geen indicatie aanwezig acht om voor de huidige medische omstandigheden een strafonderbreking te ondersteunen. Tegen deze beslissing heeft [eiser] geen beroep ingesteld.

2.17.

Bij brief van 17 juli 2015 heeft de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie het door [eiser] ingediende gratieverzoek afgewezen.

2.18.

Bij brief van 28 juli 2015 heeft de medisch adviseur van BIMA over [eiser] aan de PI Zoetermeer het volgende bericht:

‘(…)

Ik heb inzage gehad in zijn medisch dossier. Ik heb hem op 17 juni 2015 persoonlijk gezien (…). Hij kwam binnen in een rolstoel. Zijn voornaamste klacht is hevige rugpijn, naar zijn zeggen vooral veroorzaakt door de psychische druk van de detentie, die hij als zeer onrechtvaardig ervaart. (…)

Wij hebben gesproken over zijn huidige psychische en fysieke toestand, zijn pijnmedicatie, fysiotherapie, eventueel verwijzing naar een revalidatiearts, eventueel ambulante behandeling van zijn psychische situatie door bijvoorbeeld een psychotherapeut van De Waag.

Vervolgens heb ik gesproken met de toenmalig behandelend huisarts (…)

Na terugkeer van mijn vakantie heb ik contact opgenomen met de behandelend psycholoog. Hij deelde mij mee dat dhr. [eiser] inmiddels door de psychiater is gezien en medicatie voorgeschreven heeft gekregen. Hij is bereid patiënt voor ambulante psychotherapeutische behandeling te verwijzen als patiënt hieraan zijn medewerking zou verlenen. Hij heeft patiënt opnieuw verwezen naar een FPK, maar dit verzoek is afgewezen door IFZ. Een verwijzing naar een FPA wordt door de selectiefunctionaris afgewezen in verband met de beveiligingssituatie. (…)

Uit het bovenstaande concludeer ik dat er behandelmogelijkheden zijn voor patiënt binnen detentie. (…)

Bepaalde behandeling worden door patiënt niet als zinvol ervaren, respectievelijk geven teveel bijwerkingen (ambulante psychotherapie, fysiotherapie, verwijzing naar een revalidatiearts, TENS-apparaat, pijnstilling). Dit betekent echter niet dat deze behandelingen binnen detentie niet mogelijk zijn. Uiteraard heeft een patiënt wel het recht op grond van de WGBO een behandeling te weigeren als hij wilsbekwaam is.

Wellicht kan patiënt worden gemotiveerd alsnog bepaalde behandelingen te accepteren. Het is voor zijn fysieke en emotionele toestand ernstig nadelig als hij teveel op bed ligt, niet deelneemt aan een dagprogramma, onvoldoende gemobiliseerd wordt en niet deelneemt aan luchten.

Er is gezien bovenstaande argumentatie geen medische reden voor detentieongeschiktheid of voor strafonderbreking.

(…)’

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – zakelijk weergegeven en na wijziging van eis – primair de Staat te bevelen de door [eiser] gevraagde strafonderbreking toe te kennen en subsidiair te bepalen dat de Staat [eiser] dient te plaatsen op een Forensisch Psychiatrische Afdeling (hierna: FPA), een en ander met veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2.

Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan. De Staat handelt in strijd met artikel 3 EVRM en daarmee onrechtmatig door [eiser] ondanks zijn fysieke en psychische situatie in detentie te houden. De intensieve zorg die [eiser] nodig heeft, is binnen detentie niet beschikbaar. Voor zover de voor [eiser] noodzakelijke zorg wel beschikbaar zou zijn binnen detentie wordt deze zorg niet aan [eiser] aangeboden, terwijl dit wel de plicht is van de autoriteiten. Om aan [eiser] de verplichte medische zorg te leveren is het dus van belang dat zijn detentie wordt onderbroken. Daarbij wijst [eiser] er op dat het onbegrijpelijk is dat BIMA op 19 augustus 2014 adviseerde om hem met spoed over te plaatsen naar een FPK, terwijl BIMA dit thans niet adviseert ondanks dat het nu slechter met hem gaat. Zolang de detentie van [eiser] niet onderbroken wordt dan wel zolang [eiser] niet wordt overgeplaatst naar een FPA handelt de Staat onrechtmatig jegens hem.

3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

De voorzieningenrechter volgt [eiser] niet in zijn betoog dat de burgerlijke rechter via een vordering uit onrechtmatige daad bevoegd is een oordeel te vellen over de vraag of strafonderbreking moet worden toegekend dan wel over plaatsing van een gedetineerde op een FPA.

4.2.

Besluiten over strafonderbreking zijn voorbehouden aan de selectiefunctionaris met een beroepsmogelijkheid bij de RSJ. Vaste rechtspraak is dat de beroepsprocedure bij de RSJ heeft te gelden als een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang, die op grond van het gesloten stelsel van rechtsmiddelen de weg naar de burgerlijke rechter afsluit. Dat [eiser] ervoor heeft gekozen om geen beroep in te stellen tegen de afwijzing van de verzochte strafonderbreking op 12 mei 2015 maakt dit niet anders.

Voor zover [eiser] stelt dat dit anders is omdat hij niet mondeling is gehoord over zijn verzoek tot strafonderbreking, volgt de voorzieningenrechter hem hierin niet. Het niet horen van [eiser] levert geen schending op van het beginsel van hoor en wederhoor en geeft daarmee geen grond voor het doorbreken van het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. In de eerste plaats is hierbij van belang dat [eiser] in de beroepsprocedure bij de RSJ die heeft geleid tot de uitspraak van 13 maart 2015 wel degelijk de gelegenheid heeft gehad om zijn standpunt schriftelijk toe te lichten. [eiser] heeft – zoals de Staat onweersproken heeft gesteld – van die mogelijkheid ook gebruik gemaakt. Niet is gesteld of aannemelijk geworden dat een dergelijke gelegenheid tot het geven van een schriftelijke toelichting niet zou zijn gegeven indien [eiser] beroep zou hebben ingesteld tegen het besluit van de selectiefunctionaris van 12 mei 2015. Daarnaast is van belang dat artikel 74, vierde lid, van de Penitentiaire beginselenwet de RSJ de bevoegdheid geeft te bepalen dat de betrokkene (lees: degene die het beroepschrift heeft ingediend) uitsluitend de mogelijkheid heeft het beroepschrift schriftelijk toe te lichten. Het is vast beleid van de RSJ om in spoedeisende gevallen, waartoe verzoeken tot strafonderbreking in ieder geval behoren, een mondelinge behandeling achterwege te laten. Indien [eiser] desalniettemin een mondeling behandeling wenste, lag het naar het oordeel van de voorzieningenrechter op zijn weg om dit gemotiveerd aan de RSJ kenbaar te maken. Niet is gebleken dat [eiser] dit heeft gedaan. De conclusie is dan ook dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in de weg staat aan een inhoudelijke beoordeling van de primaire vordering van [eiser] .

4.3.

Besluiten over plaatsing van een gedetineerde op een FPA zijn eveneens voorbehouden aan de selectiefunctionaris, met de mogelijkheid hiertegen bezwaar en vervolgens beroep in te stellen. Ook deze procedure heeft te gelden als een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang, die op grond van het gesloten stelsel van rechtsmiddelen de weg naar de burgerlijke rechter afsluit. Dat [eiser] niet om een dergelijke beslissing van een selectiefunctionaris heeft verzocht, maakt niet dat hij thans via een vordering uit onrechtmatige daad een beslissing van de burgerlijke rechter hierover zou kunnen krijgen. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen staat derhalve ook in de weg aan een inhoudelijke beoordeling van de subsidiaire vordering van [eiser] .

4.4.

Gelet op het voorgaande komt de voorzieningenrechter aan een inhoudelijke beoordeling van de vordering van [eiser] niet toe.

4.5.

[eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.429,-, waarvan € 816,- aan salaris advocaat, € 613,- aan griffierecht;

5.3.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2015.

SG