Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:9695

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-08-2015
Datum publicatie
25-08-2015
Zaaknummer
C/09/491194 / KG ZA 15-925
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Eiser niet-ontvankelijk verklaard in vordering tot tijdelijke strafonderbreking, aangezien daarvoor een met voldoende waarborgen omklede bijzondere rechtsgang (via de RSJ) bestaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/491194 / KG ZA 15-925

Vonnis in kort geding van 7 augustus 2015

in de zaak van

[eiser] ,

thans verblijvende in de Penitentiaire Inrichting te [verblijfplaats] ,

eiser,

advocaat mr. G.G.J. Knoops te Amsterdam,

tegen:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ' [eiser] ' en 'de Staat'.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de op 24 juni 2015 uitgebrachte dagvaarding, met producties;

- de brief van de Staat van 26 juni 2015, met producties;

- de brief van [eiser] van 29 juni 2015, met productie;

- de op 30 juni 2015 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd;

- de brief van [eiser] van 4 augustus 2015, met producties;

- de brief van de Staat van 4 augustus 2015, met producties;

- de brief van [eiser] van 5 augustus 2015, met bijlagen, waaronder - op voorhand - de pleitnotities ten behoeve van de voortgezette behandeling op 6 augustus 2015;

- de op 6 augustus gehouden voortgezette mondelinge behandeling, waarbij door de Staat pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Op 7 augustus 2015 is door middel van een verkort vonnis uitspraak gedaan. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Bij - onherroepelijke - uitspraak van het gerechtshof te Amsterdam van 16 mei 2012 is [eiser] veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar. Vanaf 3 september 2014 ondergaat [eiser] de tenuitvoerlegging van die straf in de penitentiaire inrichting te [verblijfplaats] (hierna 'de PI').

2.2.

[eiser] kampt met verschillende medische problemen, waaronder, hypertensie (hoge bloeddruk), aneurysma aorta ascendens (verwijding van de aorta), lever- en longproblematiek, apneu en een vorm van obesitas.

2.3.

Op 30 juni 2015 - direct na de eerste behandeling van het onderhavige kort geding - heeft de behandelend internist van [eiser] , dr. S.J.L. Brada, (hierna 'Brada') aan de PI verzocht [eiser] zo spoedig mogelijk - voor de duur van twee weken - te doen opnemen in het TweeStedenziekenhuis te Tilburg. Doel van de opname was (i) het reguleren van de bloeddruk, (ii) het analyseren van het eiwitverlies in de urine, (iii) het bepalen van de juiste dosering van medicatie, in verband met de uiteenlopende klachten van [eiser] en de bijwerkingen van de voorgeschreven medicatie en (iv) het observeren en analyseren van 'wegrakingen'.

2.4.

Aan dat verzoek van Brada is op 3 juli 2015 gevolg gegeven. Na verloop van de (afgesproken) twee weken heeft - op advies van de behandelend specialisten - een vervolgbehandeling plaatsgevonden in het ziekenhuis.

2.5.

Op 23 juli 2015 heeft Brada aan de PI kenbaar gemaakt dat [eiser] naar verwachting op 31 juli 2015 kan worden ontslagen uit het ziekenhuis. Uiteindelijk is als ontslagdatum vastgesteld 28 juli 2015. Op 27 juli 2015 heeft [eiser] aangegeven zich te verzetten tegen zijn terugplaatsing in de PI, dan wel plaatsing in het Justitieel Centrum voor Somatische Zorg te Scheveningen (hierna 'JCvSZ'). Brada heeft dit verzet vervolgens ondersteund.

2.6.

In verband met de aankondiging van [eiser] dat hij voortzetting van de behandeling van het onderhavige kort geding zal vragen, is het ontslag van [eiser] uit het ziekenhuis opgeschort in afwachting van de uitkomst van het kort geding.

2.7.

[eiser] heeft op 30 juli 2015 aan de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie om strafonderbreking verzocht wegens medische redenen. Dit verzoek is op diezelfde dag nog afgewezen, omdat in detentie afdoende medische zorg kan worden geboden.

2.8.

Op 31 juli 2015 heeft [eiser] een beroepschrift ingediend bij de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (hierna 'RSJ') tegen die afwijzende beslissing van de Staatssecretaris. In de begeleidende brief wordt verzocht om met voortvarendheid op het beroep te beslissen.

2.9.

Daarnaast heeft [eiser] op 31 juli 2015 - bij separate brief en onder verwijzing naar het beroepschrift - aan de RSJ verzocht een voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat, hangende de beslissing op het beroepschrift, de tenuitvoerlegging van zijn detentie zal worden opgeschort vanaf het moment van ontslag uit het ziekenhuis tot het moment dat de RSJ ten gronde heeft geoordeeld met betrekking tot het verzoek tot strafonderbreking, dan wel een zodanig besluit wordt genomen dat erin resulteert dat hij hangende het beroep niet zal hoeven terugkeren naar de PI, dan wel naar enige andere penitentiaire inrichting, dan wel naar het JCvSZ.

2.10.

De voorzitter van de beroepscommissie van de RSJ heeft op 5 augustus 2015 het verzoek van [eiser] tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen, omdat de aard van de bestreden beslissing van de Staatssecretaris zich niet leent voor schorsing.

3 Het geschil

3.1.

Na wijziging van eis vordert [eiser] - zakelijk weergegeven - de tenuitvoerlegging van de aan hem opgelegde gevangenisstraf met onmiddellijke ingang op te schorten voor de duur van :

primair

- de uiterlijk op vrijdag 14 augustus 2015 aanhangig te maken bodemprocedure;

subsidiair

- zes maanden;

meer subsidiair

- de beroepsprocedure bij de RSJ;

meest subsidiair

- een in goede justitie vast te stellen periode;

een en ander met veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2.

Daartoe voert [eiser] - samengevat - het volgende aan.

Tijdens het verblijf van [eiser] in het TweeStedenziekenhuis zijn de risico's die zijn medische problemen meebrengen weliswaar afgenomen, maar zij moeten wel beheersbaar blijven. De PI, dan wel een andere penitentiaire voorziening, is daarvoor niet de geschikte omgeving. In dat verband is allereerst van belang dat de/een PI [eiser] niet de noodzakelijke zorg kan verlenen. Bovendien - maar zeker niet in de laatste plaats - zorgt de detentie voor een (extra) verhoging van de bloeddruk van [eiser] , wat de verwijding van de aorta kan doen toenemen, met alle schadelijke - en zelfs fatale - gevolgen voor [eiser] van dien. Brada en diens superviserend internist H.Th.J. Roerdink achten [eiser] om die reden detentieongeschikt. Ontslag van [eiser] uit het ziekenhuis op korte termijn is onvermijdelijk, maar hij kan dus niet terug naar een PI. In verband hiermee zal in week 33 van 2015 een bodemprocedure aanhangig worden gemaakt, waarin getuigen zullen worden gehoord.

3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat - voor zover nodig - hierna zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

[eiser] grondt zijn vorderingen op onrechtmatig handelen van de Staat. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de civiele rechter - in dit spoedeisende geval de voorzieningenrechter in kort geding - gegeven.

4.2.

Doel van de onderhavige procedure is - zoals [eiser] ook uitdrukkelijk (onder 58) aangeeft in zijn pleitnotitie ten behoeve van de voortgezette behandeling - het bewerkstelligen van een tijdelijke strafonderbreking.

4.3.

De voorzieningenrechter deelt het - primaire - standpunt van de Staat dat [eiser] niet-ontvankelijk is in zijn vorderingen. Daarvoor is het volgende van belang.

4.4.

Besluiten over strafonderbreking zijn voorbehouden aan de Staatssecretaris (lees: de onder diens verantwoordelijkheid opererende selectiefunctionaris). Tegen dergelijke besluiten staat beroep open bij de RSJ, van welke mogelijkheid [eiser] ook gebruik heeft gemaakt. Ingevolge vaste jurisprudentie moet de beroepsprocedure bij de RSJ worden aangemerkt als een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang. Dit sluit - op grond van het gesloten stelsel van rechtsmiddelen - de weg naar de burgerlijke rechter in beginsel af. Dat kan slechts anders liggen indien in een dergelijke (bijzondere) procedure geen voorlopige voorziening kan worden verkregen in een spoedeisende situatie. Dat doet zich hier in feite voor. Op zichzelf kan in een beroepsprocedure betreffende een beslissing van de selectiefunctionaris een voorlopige voorziening worden verzocht, wat [eiser] ook heeft gedaan, maar tijdens de voortgezette mondelinge behandeling in dit kort geding is duidelijk geworden dat zo'n spoedprocedure in een situatie als de onderhavige er niet toe kan leiden dat aan [eiser] een tijdelijke strafonderbreking wordt toegekend. Het voorgaande brengt echter niet mee dat [eiser] toch kan worden ontvangen in zijn vorderingen. De Staat heeft namelijk aangevoerd dat het vast beleid is van de RSJ om in spoedeisende gevallen, waartoe verzoeken tot strafonderbreking in ieder geval behoren, versneld worden behandeld, in die zin dat daarin geen mondelinge behandeling plaatsvindt. Volgens hem valt de beslissing in de beroepsprocedure op zeer afzienbare tijd te verwachten. [eiser] heeft een en ander niet - voldoende gemotiveerd - weersproken, zodat van de juistheid van die stellingen van de Staat zal worden uitgegaan. Bij die stand van zaak is - mede gelet op al het voorgaande - geen plaats (meer) voor ingrijpen door de voorzieningenrechter in kort geding.

4.5.

De slotsom is dat [eiser] niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vorderingen. Alle overige stellingen over en weer kunnen daarmee verder onbesproken blijven.

4.6.

[eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen;

- veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot op dit vonnis aan de zijde van de Staat begroot op € 1.837,--, waarvan € 1.224,-- aan salaris advocaat en € 613,-- aan griffierecht;

- verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H.I.J. Hage en in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2015.

jvl