Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:9670

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-07-2015
Datum publicatie
25-08-2015
Zaaknummer
C/09/466905 / HA ZA 14-637
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

bewijsbeoordeling; vervolg op vonnis van 15 april 2015

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/466905 / HA ZA 14-637

Vonnis van 1 juli 2015 (bij vervroeging)

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. drs. L.B. de Jong te Den Haag,

tegen

1 REAAL SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Zoetermeer,

2. [gedaagde 2],

wonende te Wateringen,

gedaagden,

advocaten mrs. W.A.M. Rupert en A.T. Stevens te Rotterdam.

Partijen zullen hierna ieder afzonderlijk worden aangeduid als [eiser] , Reaal en [gedaagde 2] ; Reaal en [gedaagde 2] worden gezamenlijk aangeduid met “gedaagden”.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 15 april 2015;

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor van 16 juni 2015;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie na enquête van 16 juni 2015.

1.2.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

Bij tussenvonnis van 15 april 2015 is geoordeeld dat artikel 54 RVV geen grondslag biedt voor de stelling van gedaagden dat sprake is van eigen schuld zijdens [eiser] .

2.2.

In verband met het beroep van gedaagden op eigen schuld van [eiser] op grond van schending van artikel 5 WVW zijn zij in de gelegenheid gesteld om te bewijzen dat [eiser] met onverminderd hoge snelheid is doorgereden (ongeveer 50 km/u) en pas op het laatste moment zijn richtingaanwijzer ontstak en tegelijkertijd een beweging naar links maakte om in te parkeren. In dit verband zijn onder ede gehoord de partij-getuigen [eiser] en [gedaagde 2] en voorts mevrouw [getuige] .

2.3.

De rechtbank zal in het navolgende beoordelen of gedaagden zijn geslaagd in het leveren van bewijs van hun stellingen met betrekking tot de snelheid enerzijds en het niet-tijdig richting geven en plotseling indraaien anderzijds.

Snelheid

2.4.

[gedaagde 2] heeft weliswaar op de achterzijde van het aanrijdingsformulier aangegeven dat hij 40-50 kilometer per uur reed en tijdens het getuigenverhoor verklaard dat hij 50 kilometer per uur reed, op basis waarvan dan zou moeten worden aangenomen dat [eiser] – die immers voor hem reed – ook minstens die snelheid moet hebben gehad, maar die verklaringen zijn in tegenspraak met zijn verklaring in hetzelfde verhoor dat hij niet hard gereden kan hebben gelet op de verkeerssituatie. Bovendien staat deze verklaring van [gedaagde 2] tegenover de verklaring van [eiser] , dat hij ongeveer 30 kilometer per uur reed. Nu de rechtbank geen reden ziet om meer belang te hechten aan de verklaring van [gedaagde 2] dan aan die van [eiser] en ander bewijs van de stelling dat [eiser] met onverminderd hoge snelheid is doorgereden ontbreekt, zijn gedaagden ten aanzien van dat onderdeel niet in hun bewijsopdracht geslaagd.

Richting aangeven en indraaien

2.5.

[gedaagde 2] heeft onder ede verklaard dat hij niet meer weet of [eiser] zijn knipperlicht aanhad. Op de vraag wanneer hij doorhad dat [eiser] wilde parkeren, heeft hij geantwoord dat het vrij snel ging. Voor zover [gedaagde 2] hierover meer specifiek heeft verklaard in zijn schriftelijke verklaring gedateerd op 24 maart 2015, gaat de rechtbank aan die verklaring voorbij nu is gebleken dat hij deze verklaring slechts heeft ondertekend en deze niet zelf heeft opgesteld, maar dat zijn raadsman dat heeft gedaan.

Tegenover de verklaring van [gedaagde 2] staat de verklaring van [eiser] . Hij heeft verklaard dat hij de vrijgekomen parkeerplek al zag toen hij net op de Laan van Meerdervoort was en misschien nog tien meter verder is gereden alvorens zijn richtingaanwijzer aan te doen. Gelet op de afstand tussen de bocht en de parkeerplek (door [gedaagde 2] geschat op 100 à 150 meter en door [eiser] op 150 à 200 meter), volgt uit die verklaring niet zonder meer dat [eiser] zijn richtingaanwijzer pas heeft aangedaan op het moment van indraaien.

2.6.

Voorts stellen gedaagden dat [eiser] de situatie zelf tijdens zijn verhoor zodanig heeft geschetst dat hij richting aangaf en in een vloeiende beweging richting parkeerplaats draaide.

Dit blijkt naar het oordeel van de rechtbank echter niet uit de verklaring van [eiser] . Op de vraag hoeveel tijd er ongeveer zat tussen het richting aangeven en indraaien, heeft [eiser] geantwoord dat hij dat lastig vindt in te schatten en dat het gaat om seconden. De afstand schatte hij op ongeveer 150 meter. Aan deze verklaring kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen bewijs worden ontleend voor de stelling dat [eiser] tegelijkertijd met het ontsteken van zijn richtingaanwijzer met zijn auto een beweging naar links maakte.

2.7.

Dat [eiser] pas op het laatste moment zijn richtingaanwijzer aanzette, zou volgens gedaagden voorts blijken uit de verklaring van [getuige] dat zij de botsing zelf niet heeft gezien en verbaasd was toen ze de botsing hoorde, omdat dat kan worden verklaard door de plotselinge manoeuvre van [eiser] . De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat [getuige] de botsing zelf niet gezien heeft, ook andere oorzaken kan hebben. [getuige] kan immers haar blik even hebben afgewend van de auto van [eiser] .

Bovendien heeft [getuige] onder ede verklaard dat zij heeft gezien dat [eiser] zijn richtingaanwijzer aan deed net na de dansschool. Vast staat dat de parkeerplek zich niet recht tegenover de dansschool bevond, hetgeen dus evenmin steun biedt voor de stelling dat [eiser] zijn richtingaanwijzer pas aandeed op het moment dat hij ging indraaien.

2.8.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat gedaagden ook op dit punt niet in hun bewijsopdracht zijn geslaagd. De rechtbank betrekt daarbij derhalve onder meer het feit dat de verklaringen van [eiser] en Reaal op dit punt tegenstrijdig zijn en de rechtbank geen reden ziet om meer belang te hechten aan de verklaring van [gedaagde 2] dan aan die van [eiser] . De rechtbank stelt vast dat ander bewijs van de stelling dat [eiser] pas op het laatste moment zijn richtingaanwijzer aanzette en tegelijkertijd met zijn auto een beweging naar links maakte om in te parkeren, ontbreekt.

Verweer met betrekking tot achteruitkijkspiegel

2.9.

Gedaagden hebben ter zitting nog betoogd dat uit de verklaring van [eiser] dat hij op het verkeer voor hem heeft gelet, blijkt dat niet in zijn achteruitkijkspiegel heeft gekeken. Als [eiser] dat wel had gedaan, had hij [gedaagde 2] zien aankomen, de auto aan de kant kunnen zetten of kunnen wachten voordat hij de manoeuvre inzette.

De rechtbank gaat aan dit verweer voorbij omdat niet is komen vast te staan dat [eiser] op een daarvoor cruciaal moment heeft nagelaten om in zijn achteruitkijkspiegel te kijken waardoor sprake is van op zodanig onachtzame wijze aan het verkeer deelnemen dat sprake is van schending van artikel 5 WVW. [eiser] heeft tijdens zijn getuigenverhoor niets verklaard over het al dan niet kijken in zijn achteruitkijkspiegel. Tijdens de comparitie na enquête heeft hij in reactie op het hier verweer van gedaagden, nogmaals aangegeven op het verkeer voor hem te hebben gelet, om te voorkomen dat hij op een auto zou botsen die zou willen gaan parkeren. In dat verband heeft hij aangegeven niet in zijn achteruitkijkspiegel te hebben gekeken. Gegeven de context, begrijpt de rechtbank de mededeling van [eiser] aldus, dat hij niet de hele tijd in zijn achteruitkijkspiegel heeft gekeken – hetgeen juist onverantwoord rijgedrag zou opleveren – en dat hij [gedaagde 2] verwijt dat die juist niet voldoende op het verkeer voor hem heeft gelet.

2.10.

Nu niet is komen vast te staan dat sprake is van eigen schuld aan de zijde van [eiser] waarmee bij de beoordeling van de aansprakelijkheid van gedaagden rekening zou moeten worden gehouden, kan de door [eiser] gevorderde verklaring voor recht worden toegewezen.

2.11.

[eiser] heeft verzocht gedaagden te veroordelen in de kosten van het deelgeschil. Bij beschikking van 8 maart 2012 zijn deze kosten begroot op € 2.631,43 onder de overweging dat wanneer in de bodemprocedure duidelijkheid zal zijn omtrent de eigen schuld van [eiser] , deze kosten bij Reaal in rekening kunnen worden gebracht.

Nu het verweer van gedaagden wordt verworpen, dient Reaal dit bedrag aan [eiser] te voldoen. Aangezien [gedaagde 2] geen partij was bij het deelgeschil, zal de vordering ten aanzien van hem worden afgewezen. De rechtbank zal aldus bepalen.

2.12.

Gedaagden zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaardingen € 189,57

- griffierecht € 282,00

- salaris advocaat € 1582,00 (3,5 punt × tarief € 452,-)

Totaal € 2.053,57

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

verklaart voor recht dat gedaagden volledig aansprakelijk zijn voor de gevolgen van het ongeval dat plaats vond op 3 december 2006 waarbij [eiser] en [gedaagde 2] betrokken waren;

3.2.

veroordeelt Reaal tot betaling aan [eiser] van een bedrag ad € 2.631,43;

3.3.

veroordeelt gedaagden in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 2.053,57;

3.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Brakel en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2015.