Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:9660

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-08-2015
Datum publicatie
14-08-2015
Zaaknummer
09/807471-15, 09/818697-15 (t.t.z. gev.), 09/817418-15 (t.t.z. gev.)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Celstraf voor bedreiger burgemeester Katwijk

De rechtbank Den Haag veroordeelt een 26-jarige man voor een doodsbedreiging aan het adres van de burgemeester van Katwijk. Ook is hij schuldig aan het dealen van soft- en harddrugs en het onttrekken van een minderjarig meisje aan het wettig over haar gesteld gezag. Hij krijgt hiervoor in totaal een celstraf van 18 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk. Daarnaast mag hij, onder andere, vanaf het moment dat hij vrijkomt een jaar lang niet in Katwijk komen en moet hij zich onder behandeling stellen van de reclassering.

Bedreiging burgemeester

De 26-jarige man heeft op 10 juli 2015 de burgemeester van Katwijk bedreigd door tegen een medewerker van de gemeente te zeggen: “Ik ga de burgemeester het leven zuur maken. Ik ga de burgemeester een kopje kleiner maken. Ik ga de burgemeester iets aandoen wat hem het leven gaat kosten, al kost het me tien jaar gevangenisstraf en TBS.” Naar het oordeel van de rechtbank vreesde de burgemeester terecht dat de man zijn bedreiging daadwerkelijk zou uitvoeren, mede gelet op de politiecontacten die de 26-jarige man in het verleden voor geweldsdelicten heeft gehad.

Drugs

De man heeft in de periode van 1 januari 2014 tot en met 23 april 2015 in Katwijk samen met anderen gedeald in hennep die hij voornamelijk aan minderjarigen verkocht. Daarnaast heeft hij in de periode van 1 april 2015 tot en met 23 april 2015 gedeald in cocaïne.

Onttrekken aan het wettig gezag

De man heeft zich verder nog schuldig gemaakt aan het onttrekken van een minderjarig meisje aan het wettig over haar gestelde gezag. De rechtbank Den Haag heeft de minderjarige eind 2014 gesloten uit huis geplaatst. Het meisje is na deze uitspraak de rechtbank uitgerend en is langere tijd onvindbaar geweest. In februari van dit jaar is zij, samen met de 26-jarige man, in de woning van diens vader aangetroffen. De vader heeft tegenover de politie verklaard dat hij zijn zoon heeft gewaarschuwd, dat zijn zoon de minderjarige bij de hulpverlening weghoudt en dat hij en de minderjarige enkele dagen voordat de politie bij hem thuis kwam bij hem hebben verbleven.

Gelet op dit verhaal, in combinatie met het feit dat de man bijna tien jaar ouder is en aldus een natuurlijk overwicht moet hebben gehad op de minderjarige, is de rechtbank van oordeel dat hij haar opzettelijk heeft onttrokken aan het wettig gezag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 09/807471-15, 09/818697-15 (t.t.z. gev.), 09/817418-15 (t.t.z. gev.)

Datum uitspraak: 14 augustus 2015

Tegenspraak

(Verkort vonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1988 te [geboorteplaats] ,

postadres [postadres] ,

feitelijk verblijvende [verblijfplaats] ,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting [p.i.] .

De terechtzittingen

Het onderzoek is gehouden ten terechtzittingen van 8 juli 2015 (pro forma, in de zaak met parketnummer 09/818697-15) en 31 juli 2015 (inhoudelijk, in alle gevoegde zaken).

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. D.G.M. van den Hoogen, advocaat te Leiden, is ter terechtzitting van 31 juli 2015 verschenen en gehoord. Het openbaar ministerie werd op 31 juli 2015 vertegenwoordigd door mr. R. Joesoef Djamil, officier van justitie.

De tenlastelegging
Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging met parketnummer 09/807471-15 ter terechtzitting, het volgende ten laste gelegd.

De dagvaarding met parketnummer 09/807471-15 (hierna: dagvaarding I):

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 23 april 2015 te Katwijk en/of Leiden en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (meermalen) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne en/of MDMA en/of tenamfetamine (MDA) en/of N-ethyl-MDA (MDEA) en/of methamfetamine en/of amfetamine, zijnde cocaïne en/of MDMA en/of tenamfetamine (MDA) en/of N-ethyl-MDA (MDEA) en/of methamfetamine en/of amfetamine, (telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 april 2014 tot en met 23 april 2015 te Katwijk en/of Leiden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (meermalen) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, een of meer hoeveelhe(i)d(en) hennep en/of hennepplanten en/of delen daarvan, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

De dagvaarding met parketnummer 09/818697-15 (hierna: dagvaarding II):

hij op of omstreeks 10 juli 2015 te Katwijk de burgemeester van Katwijk [naam] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling,

immers heeft verdachte opzettelijk tegen Senior beleidsmedewerker Openbare Orde en Veiligheid van de gemeente Katwijk [naam 2] dreigend de woorden gezegd:"Ik ga de burgemeester het leven zuur maken. Ik ga de burgemeester een kopje kleiner maken. Ik ga de burgemeester iets aandoen wat hem het leven gaat kosten, al kost het me tien jaar gevangenisstraf en TBS", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

De dagvaarding met parketnummer 09/817418-15 (hierna: dagvaarding III):

hij in of omstreeks de periode van 23 december 2014 tot en met 14 februari 2015 te 's-Gravenhage en/of Katwijk, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of een meer anderen, althans alleen, opzettelijk een minderjarige, te weten [slachtoffer] , geboren op 16 februari 1998, heeft onttrokken aan het wettig over voornoemde minderjarige(n) gestelde gezag of aan het opzicht van degene die dat gezag desbevoegd over voornoemde minderjarige uitoefende, (te weten Jeugdbescherming West), immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s), in strijd met een rechterlijke uitspraak en/of zonder medeweten en/of toestemming van Jeugdbescherming West, [slachtoffer] verborgen gehouden voor Jeugdbescherming West, en aldus voornoemde minderjarige(n) (telkens) buiten het bereik en/of de invloedssfeer van Jeugdbescherming West gebracht en/of gehouden.

Het standpunt van de officier van justitie

Dagvaarding I

De officier van justitie heeft ten aanzien van dagvaarding I gerekwireerd tot bewezenverklaring van hetgeen de verdachte onder feit 1 en feit 2 ten laste is gelegd. De officier van justitie heeft zich daarbij ten aanzien van feit 1 op het standpunt gesteld dat uit de bewijsmiddelen slechts de verkoop van harddrugs op 23 april 2015 kan volgen, zodat het ten laste gelegde feit alleen in zoverre bewezen kan worden verklaard.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting medegedeeld dat hij voornemens is een ontnemingsvordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken.

Dagvaarding II

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van hetgeen de verdachte onder dagvaarding II ten laste is gelegd.

Dagvaarding III

Ten aanzien van dagvaarding III heeft de officier van justitie eveneens tot bewezenverklaring gerekwireerd (behoudens het ten laste gelegde medeplegen).

De vordering

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte voor bovenstaande feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, deelname aan een sociale vaardigheidstraining en het meewerken aan nadere diagnostiek indien de reclassering dit noodzakelijk acht. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat als bijzondere voorwaarde een gebiedsverbod voor de gemeente Katwijk zal worden opgelegd voor de duur van 1 jaar. De officier van justitie heeft ten slotte gevorderd dat voormelde bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.

Het beslag

Ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen heeft de officier van justitie geconcludeerd tot verbeurdverklaring van de onder de nummers 1 tot en met 3, 5 tot en met 7, 11, 15 tot en met 24 en 26 vermelden voorwerpen en tot teruggave aan de verdachte van de op de beslaglijst onder 4, 8 tot en met 10, 12 tot en met 14 en 25 genummerde voorwerpen.

Het standpunt van de verdediging

Dagvaarding I

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van hetgeen de verdachte bij dagvaarding I onder feit 2 ten laste is gelegd. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte stelt dat het dossier slechts bestaat uit vermoedens, speculaties en suggesties en dat verklaringen van minderjarigen bovendien niet betrouwbaar zijn.

Voorts heeft de raadsvrouw vrijspraak van feit 1 bepleit. Zij heeft daartoe aangevoerd dat uit het dossier niet blijkt dat de op 23 april 2015 onder [betrokkene] inbeslaggenomen substantie, die zij van de verdachte zou hebben gekocht, daadwerkelijk cocaïne bevatte, nu alleen een kleurenreactietest is uitgevoerd en aanvullend onderzoek ontbreekt. Voorts heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde periode niet uit de bewijsmiddelen kan volgen. Ten slotte heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de zich in het dossier bevindende historische gegevens van het telefoonverkeer van de verdachte niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd en dienen te worden uitgesloten, nu de kortgedingrechter bij vonnis van 11 maart 2015 heeft bepaald dat de Wet bewaarplicht telecommunicatie buiten werking wordt gesteld.

Dagvaarding II

De raadsvrouw heeft opgemerkt dat de verdachte nimmer de bedoeling heeft gehad de gestelde bedreiging aan de burgemeester over te brengen, nu hij de uitlating slechts heeft gedaan uit boosheid en frustratie over het voornemen van de burgemeester van Katwijk om de woning van zijn vader te sluiten. Bij de aangever heeft daarom geen reële vrees kunnen ontstaan dat de verdachte zijn bedreiging ook daadwerkelijk ten uitvoer zou leggen, zodat verdachte van het hem ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, aldus de raadsvrouw.

Dagvaarding III

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van hetgeen de verdachte bij dagvaarding III ten laste is gelegd. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat de enkele omstandigheid dat de verdachte de minderjarige in de ten laste gelegde periode wel eens zag, onvoldoende is om het bestanddeel ‘onttrekken’ bewezen te kunnen verklaren. Daarbij heeft de raadsvrouw opgemerkt dat de verdachte evenmin een beslissende invloed heeft gehad op de scheiding tussen de minderjarige en degene die het wettig gezag op dat moment over haar uitoefende.

Het beslag

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de inbeslaggenomen goederen geen standpunt ingenomen.

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsoverwegingen dagvaarding I

Algemeen

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw dat de historische gegevens van de telefoon van de verdachte van het bewijs dienen te worden uitgesloten. Deze historische gegevens zijn immers geen resultaat van het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte als bedoeld in artikel 132 Sv, zodat artikel 359a Sv toepassing mist.

Feit 1

Anders dan de raadsvrouw heeft bepleit, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de verkoop van harddrugs. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Op 23 april 2015 heeft de politie de verdachte geobserveerd. De politie heeft waargenomen dat de verdachte op die dag in de auto is gestapt bij een op dat moment nog onbekende vrouw, dat die vrouw op enig moment is uitgestapt en naar de pinautomaat is gelopen en vervolgens weer is ingestapt. Korte daarop is de verdachte uitgestapt en is de vrouw weggereden. De vrouw, [betrokkene] , is kort daarna door de politie aangehouden. Onder haar is een wikkel met daarin een witte substantie aangetroffen en inbeslaggenomen. Een kleurenreactietest van de politie heeft uitgewezen dat deze substantie vermoedelijk cocaïne betreft. [betrokkene] is diezelfde dag door de politie gehoord. Zij heeft verklaard dat zij cocaïne gebruikt, dat zij de verdachte kent en dat zij contact met hem heeft voor drugs. Ook heeft zij verklaard dat zij die dag 1 gram cocaïne bij hem heeft gekocht en dat zij denkt dat hij ongeveer een week harddrugs verkoopt. Met toestemming van [betrokkene] heeft de politie haar telefoon bekeken. In haar telefoon is een whatsappbericht aangetroffen van 17 april 2015, waarin de verdachte - onder meer - schrijft: “heb weer die goeie sos”. Op 18 april 2015 schrijft de verdachte: “was goeie he”. Op 22 april 2015 stuurde de verdachte aan [loper] (die blijkens het dossier een ‘loper’ was van verdachte) het bericht: “als mensen SOS willen, mij bellen”.

[betrokkene] , naar eigen zeggen een ervaren drugsgebruikster, heeft verklaard dat zij op 23 april 2015 cocaïne bij de verdachte heeft gekocht. Daarop is bij haar een witte substantie aangetroffen, verpakt op een wijze die gebruikelijk is bij de verkoop van harddrugs, ten aanzien waarvan een voorlopige test bovendien heeft uitgewezen dat het vermoedelijk gaat om cocaïne. Verder heeft verdachte op 17 en 18 april 2015 berichtjes aan [betrokkene] gestuurd waarin hij spreekt over “goeie sos” (‘sos’ is straattaal voor cocaïne), hetgeen de verklaring van [betrokkene] – dat de verdachte sinds ongeveer een week harddrugs verkoopt – ondersteunt. Ten slotte bevindt zich in het dossier ook een app-bericht van verdachte, waarin hij wederom spreekt over “sos” en dat hij gebeld moet worden als mensen die sos willen.

Voorts is op 23 april 2015 in de woning van de vader van de verdachte, in de slaapkamer van de verdachte, een roze pil aangetroffen waarvan een voorlopige test uitwijst dat de vermoedelijke substantie MDMA is. In de auto van verdachte is daarnaast op dezelfde dag en locatie een hoeveelheid speed (amfetamine) aangetroffen. Verdachte heeft bevestigd dat dit middel voor eigen gebruik was.

Gelet op deze feiten en omstandigheden, in hun onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de verkoop van harddrugs (cocaïne) in de periode van 1 april 2015 tot en met 23 april 2015 en aan het voorhanden hebben van een hoeveelheid MDMA en amfetamine op laatstgenoemde datum.

Feit 2

De rechtbank heeft geen reden om aan de betrouwbaarheid van de zich in het dossier bevindende getuigenverklaringen te twijfelen. De enkele stelling dat veel van de getuigen minderjarig zijn, hetgeen hun verklaringen onbetrouwbaar zou maken, is daarvoor volstrekt onvoldoende. Het desbetreffende verweer wordt daarom verworpen.

Bewijsoverweging dagvaarding II

Anders dan de raadsvrouw heeft bepleit acht de rechtbank, gelet op de redengevende inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de burgemeester van Katwijk heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht. Die bedreiging heeft de burgemeester bereikt en heeft, mede gelet op de politiecontacten die de verdachte in het verleden voor geweldsdelicten heeft gehad, bij hem ook in redelijkheid de vrees kunnen doen opwekken dat de verdachte zijn bedreiging daadwerkelijk ten uitvoer zou leggen. Dat de verdachte de uitlatingen heeft gedaan uit boosheid en frustratie, zoals de raadsvrouw heeft gesteld, maakt dit oordeel niet anders.


Bewijsoverweging dagvaarding III

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het onttrekken van de minderjarige [slachtoffer] aan het wettig over haar gestelde gezag. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Bij beschikking van deze rechtbank van 23 december 2014 is de minderjarige [slachtoffer] gesloten uit huis geplaatst. [moeder] , de moeder van [slachtoffer] , heeft verklaard dat [slachtoffer] op die dag met de verdachte naar de rechtbank is gegaan. Ook de voogd van [slachtoffer] , [voogd] , heeft verklaard dat [slachtoffer] tegen haar heeft gezegd dat zij door de verdachte bij de rechtbank is afgezet. [slachtoffer] is op 23 december 2014 in de rechtbank verschenen, is na de uitspraak de rechtbank uitgerend en is langere tijd onvindbaar geweest. De vader van de verdachte heeft verklaard dat hij, nadat de politie bij hem aan de deur was geweest omdat zij op zoek waren naar [slachtoffer] , de verdachte heeft gewaarschuwd dat ze moesten stoppen en naar de politie moesten gaan, maar dat ze dat beiden niet wilden en dat de verdachte heeft aangegeven dat [slachtoffer] ging onderduiken. Uit een mutatie van de politie blijkt dat de vader van de verdachte heeft verklaard dat verdachte [slachtoffer] bij de hulpverlening weghoudt. Op 14 februari 2015 is [slachtoffer] , samen met de verdachte, in de woning van de vader van de verdachte aangetroffen. In de woning lag schone, opgevouwen was van [slachtoffer] . De verdachte liep daar rond met een ontbloot bovenlijf. De vader van de verdachte heeft tegenover de politie verklaard dat de verdachte en [slachtoffer] de afgelopen dagen bij hem verbleven. De verdachte heeft bij de politie verklaard dat [slachtoffer] door de rechtbank gesloten is geplaatst, dat zij samen willen zijn en gelukkig willen worden.

Gelet op vorenstaande, in samenhang bezien met het feit dat de verdachte bijna tien jaar ouder is en aldus een natuurlijk overwicht moet hebben gehad op de minderjarige [slachtoffer] , is de rechtbank van oordeel dat de verdachte [slachtoffer] heeft onttrokken aan het wettig gezag en daartoe ook het opzet heeft gehad. Van het tenlastegelegde medeplegen zal de rechtbank de verdachte, overeenkomstig de vordering van de officier van justitie, vrijspreken.

De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel met een opgave daarvan, zal dit plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De bewezenverklaring

Door de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - heeft de rechtbank de overtuiging bekomen dat de verdachte de hem bij dagvaarding I onder feit 1 en feit 2, bij dagvaarding II en dagvaarding III ten laste tenlastegelegde feiten heeft begaan, te weten dat:

De dagvaarding met parketnummer 09/807471-15 (dagvaarding I):

1.

hij op tijdstippen gelegen in de periode van 1 april 2015 tot en met 23 april 2015 te Katwijk opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en vervoerd hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, en

hij op 23 april 2015 te Katwijk opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine,

zijnde cocaïne en MDMA en amfetamine telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij op tijdstippen gelegen in de periode van 1 april 2014 tot en met 23 april 2015 te Katwijk tezamen en in vereniging met anderen meermalen opzettelijk heeft geteeld en verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd hoeveelheden hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

De dagvaarding met parketnummer 09/818697-15 (dagvaarding II):

hij op 10 juli 2015 te Katwijk de burgemeester van Katwijk [naam] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk tegen Senior beleidsmedewerker Openbare Orde en Veiligheid van de gemeente Katwijk [naam 2] dreigend de woorden gezegd: "Ik ga de burgemeester het leven zuur maken. Ik ga de burgemeester een kopje kleiner maken. Ik ga de burgemeester iets aandoen wat hem het leven gaat kosten, al kost het me tien jaar gevangenisstraf en TBS";

De dagvaarding met parketnummer 09/817418-15 (dagvaarding III):

hij in de periode van 23 december 2014 tot en met 14 februari 2015 te 's-Gravenhage en Katwijk opzettelijk een minderjarige, te weten [slachtoffer] , geboren op 16 februari 1998, heeft onttrokken aan het opzicht van degene die het wettig gezag desbevoegd over voornoemde minderjarige uitoefende, te weten Jeugdbescherming West, immers heeft verdachte in strijd met een rechterlijke uitspraak en zonder medeweten en toestemming van Jeugdbescherming West, [slachtoffer] verborgen gehouden voor Jeugdbescherming West, en aldus voornoemde minderjarige telkens buiten het bereik en de invloedssfeer van Jeugdbescherming West gebracht en gehouden.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op.

Dagvaarding I

Ten aanzien van feit 1: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

en

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van feit 2: medeplegen van opzettelijk handelen in
strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet
gegeven verbod, meermalen gepleegd;

en

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

Dagvaarding II: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

Dagvaarding III: opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent.

De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

De strafoplegging

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De verdachte heeft zich gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan het dealen van softdrugs. De handel in verdovende middelen gaat veelal gepaard met vele vormen van criminaliteit en brengt vele vormen van overlast met zich mee. Bovendien is het algemeen bekend dat het gebruik van (soft)drugs een gevaar oplevert voor de volksgezondheid, zeker waar het om minderjarigen gaat. De rechtbank rekent het de verdachte daarom zwaar aan dat hij de softdrugs aan - voornamelijk - minderjarigen heeft verkocht en daarmee het gereguleerde softdrugsbeleid bewust heeft ondermijnd. Hij heeft daarbij kennelijk de belangen van die minderjarigen niet in het oog gehad en puur uit geldelijk gewin gehandeld. Ook heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het dealen van harddrugs. Handelingen die tot doel hebben dergelijke stoffen in omloop te brengen dienen streng te worden bestraft.

Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging van de burgemeester van Katwijk. Het gedrag van de verdachte is volstrekt onaanvaardbaar. De burgemeester moet immers zijn publieke taak kunnen uitvoeren, zonder aan bedreigingen te worden blootgesteld.

Ten slotte heeft de verdachte zijn toenmalige minderjarige vriendin, [slachtoffer] , onttrokken aan het wettig over haar gestelde gezag, te weten Jeugdbescherming West. Verdachte heeft een rechterlijke uitspraak naast zich neergelegd en de direct betrokkenen langdurig in het ongewisse gelaten over hoe het met [slachtoffer] was en waar zij zich bevond. [slachtoffer] is pas gevonden na een langdurig en intensief onderzoek door de politie. De rechtbank rekent verdachte dit zeer aan.

De rechtbank heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel uit het justitiële documentatieregister van 2 juli 2015. Daaruit blijkt dat de verdachte recentelijk niet voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op het over de verdachte opgemaakte rapport van de reclassering van 7 juli 2015. Uit dit rapport blijkt dat bij de verdachte sprake is van problemen op het gebied van huisvesting, financiën, het sociale netwerk, denkpatronen, gedrag en vaardigheden. De reclassering heeft geconcludeerd dat een integrale aanpak, gericht op praktische stabilisatie en (nadere) diagnostiek en een eventuele behandeling bij een forensische polikliniek aangewezen zijn om de kans op recidive effectief te verlagen. Naar het oordeel van de rechtbank is het rapport op zorgvuldige wijze tot stand gekomen. De rechtbank neemt de bevindingen in het rapport dan ook over.

Naar het oordeel van de rechtbank kan op feiten zoals de onderhavige niet anders worden gereageerd dan met een gevangenisstraf van langere duur. Bij het bepalen van de hoogte daarvan heeft de rechtbank allereerst gelet op de straffen die doorgaans voor dergelijke feiten worden opgelegd. De rechtbank heeft bevonden dat forse onvoorwaardelijke gevangenisstraffen in dezen geen uitzondering zijn. Gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten, het kennelijke gemak waarmee de verdachte tot het plegen van die feiten is overgegaan en gelet op de problematiek waarmee de verdachte blijkens het rapport van de reclassering kampt, en de omstandigheid dat de verdachte ook thans het laakbare van zijn handelen niet lijkt in te zien, ziet de rechtbank aanleiding om een deel van de aan verdachte op te leggen gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden, zoals deze door de officier van justitie zijn gevorderd. Anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, zal de rechtbank deze voorwaarden niet dadelijk uitvoerbaar verklaren, nu de wet dat voor de hier bewezen verklaarde delicten niet toelaat.

Alles overwegende en afgezien van dit laatste, acht de rechtbank de door de officier van justitie geëiste straf passend en geboden. Deze straf is als volgt opgebouwd: tien maanden voor het dealen e.d. in softdrugs, één maand voor het dealen in harddrugs, zes maanden voor de onttrekking aan het gezag van een minderjarige en één maand voor de bedreiging van de burgemeester.

De inbeslaggenomen goederen

Verbeurdverklaring

De rechtbank zal de op de beslaglijst onder 1 tot en met 3, 5 tot en met 7, 11, 15 tot en met 24 en 26 genummerde voorwerpen verbeurdverklaren. Deze voorwerpen zijn voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien deze voorwerpen aan de verdachte toebehoren en met behulp van deze voorwerpen de onder dagvaarding I feit 1 en feit 2 bewezenverklaarde feiten zijn begaan.

Bij het opleggen van deze bijkomende straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

Teruggave aan verdachte

Zoals volgt uit het standpunt van de officier van justitie is er thans geen strafvorderlijk belang meer bij voortduring van het beslag ten aanzien van de op de beslaglijst onder 4, 8 tot en met 10, 12 tot en met 14 en 25 genummerde voorwerpen, zodat zal worden beslist dat deze voorwerpen aan de verdachte zullen worden geretourneerd.

De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

  • -

    14a, 14b, 14c, 14d, 24, 33, 33a, 47, 57, 279, 285 van het Wetboek van Strafrecht;

  • -

    2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet en de daarbij behorende lijsten I en II.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding I met parketnummer 09/807471-15, de bij dagvaarding II met parketnummer 09/818697-15 en de bij dagvaarding III met parketnummer 09/817418-15 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

dagvaarding I

feit 1: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

en

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 2: medeplegen van opzettelijk handelen in
strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet
gegeven verbod, meermalen gepleegd

en

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

dagvaarding II: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

dagvaarding III: opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 18 (ACHTTIEN) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 4 (VIER) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ter vaststelling van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich zo spoedig mogelijk na zijn detentie zal melden bij Stichting Reclassering
Nederland, i.c. Leger des Heils, en zich zal blijven melden indien en zolang de

reclassering dat nodig acht en zich daarbij zal houden aan de aanwijzingen die hem door of namens voornoemde instelling zullen worden gegeven;

- zal deelnemen aan een sociale vaardigheidstraining en zal meewerken aan nadere
diagnostiek indien en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht en zich daarbij
zal houden aan de aanwijzingen die hem in dat kader zullen worden gegeven;

- zich gedurende het eerste jaar van de proeftijd niet zal bevinden in de gemeente Katwijk, provincie Zuid-Holland;

verklaart verbeurd de op de beslaglijst met parketnummer 45/807471-15 onder 1, 2, 3, 5, 6, 7, 11, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 24 en 26 genummerde voorwerpen;

gelast de teruggave aan de verdachte van de op de beslaglijst met parketnummer 45/807471-15 onder 4, 8, 9, 10, 12, 13, 14 en 25 genummerde voorwerpen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E. Rabbie, voorzitter,

mr. M.L. Harmsen, rechter,

mr. E.A. Lensink, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. N.M.E. Oudshoorn, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 augustus 2015.