Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:9592

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-07-2015
Datum publicatie
13-08-2015
Zaaknummer
15/4371
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nareis asiel, Syrië, jongvolwassen dochter en zoon, more than normal emotional ties,

Art. 8 EVRM, Gezinsherenigingsrichtlijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 15/4371

V-nummers: [v-nummers]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 23 juli 2015 in de zaak tussen

[naam] , eiser,

[naam2] , eiseres,

gezamenlijk: eisers,

gemachtigde: mr. J.C. Ullersma,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. I.E. Lemmers.

Procesverloop

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 12 februari 2015 (het bestreden besluit).

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 24 april 2015. Eisers zijn ter zitting verschenen bij hun gemachtigde. Referent [naam3] is niet verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek gesloten. De rechtbank heeft de termijn voor het doen van de uitspraak verlengd.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedag1] 1989 en eiseres op [geboortedag2] 1996. Zij bezitten de Syrische nationaliteit en zijn de zoon en dochter van referent. Aan referent, geboren op [geboortedag3] 1960, is met ingang van 4 juli 2014 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), geldig van 23 mei 2014 tot 23 mei 2019.

2. Op 19 augustus 2014 heeft referent een aanvraag tot afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel ‘gezinshereniging in het kader van nareis’ ingediend voor zijn echtgenote, vijf van zijn kinderen (waaronder eisers) en zijn kleindochter.

Bij besluit van 5 november 2014 heeft verweerder de aanvraag ten behoeve van eisers afgewezen.

3. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eisers daartegen ongegrond verklaard.

Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat eisers beiden reeds ten tijde van het vertrek van referent uit het land van herkomst meerderjarig waren en niet gebleken is van meer dan de normale (emotionele) banden tussen eisers en referent. Het feit dat eisers bij referent in Syrië woonden is op zichzelf ontoereikend om meer dan normale (emotionele) banden aan te nemen. Dat is in Syrië gewoon. Datzelfde geldt voor de omstandigheid dat eisers een schoolopleiding hebben kunnen volgen en eiser heeft kunnen werken. Dit duidt op normale banden. Referent heeft tijdens zijn eerste gehoor verklaard dat eiser dienstplichtig militair is geweest, wat betekent dat eiser dus enige tijd niet bij referent in huis heeft gewoond. Verder heeft eiser gewerkt als vrijwilliger bij Artsen zonder Grenzen en heeft hij enige tijd gewerkt als chauffeur, zodat hij in staat is geweest om eigen inkomsten te genereren en in zijn eigen levensonderhoud heeft voorzien.

4. Op wat eisers daartegen hebben aangevoerd wordt – voor zover van belang – hierna per grief ingegaan.

5. Eisers hebben allereerst aangevoerd dat verweerder vol moet toetsen aan artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Er bestaat geen grondslag voor het standpunt dat de artikel 8 EVRM-toets in de nareisprocedure een beperktere zou kunnen zijn dan in een reguliere procedure en dat de volle toets doorgeschoven zou kunnen worden naar die procedure. Eisers verwijzen hiervoor onder andere naar de uitspraken Mugenzi (52701/09) en Tanda Muzinga (2260/10) van 10 juli 2014 van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). De jurisprudentie van het EHRM ten aanzien van ‘more than normal emotional ties’ is van toepassing.

6. De rechtbank overweegt dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), zie onder meer de uitspraken

van 23 januari 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ0424) en 25 juni 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:2461), de Vw 2000 buiten artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e en f (thans artikel 29, tweede lid, van de Vw 2000) geen grond biedt voor verlening van een verblijfsvergunning asiel ter bescherming van ‘family life’ als bedoeld in artikel 8 van het EVRM en dat de beoordeling van de toepassing van artikel 8 van het EVRM buiten deze bepalingen plaats dient te vinden in de procedure over een verblijfsvergunning regulier.

Dit houdt verband met het bijzondere karakter van de in artikel 29, eerste lid, aanhef en ander e en f, van de Vw 2000 geregelde toelatingsgrond en de inbreuk die daarmee op de algemene systematiek van de Vw 2000 is gemaakt. Deze beroepsgrond faalt dan ook.

7. Eisers hebben verder een beroep gedaan op de Gezinsherenigingsrichtlijn, in het bijzonder artikel 4, en het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (het Handvest). Eisers hebben daarbij verwezen naar het arrest Chakroun van 4 maart 2010

(C-578/08) van het Hof van Justitie. In het bestreden besluit is ten onrechte opgenomen dat het nationale recht boven het EU-recht gaat.

8. De rechtbank volgt dit betoog niet. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling, zie onder andere de onder 6 genoemde uitspraak van 23 januari 2013, is de Gezinsherenigingsrichtlijn niet van toepassing op vreemdelingen die in een lidstaat verblijven uit hoofde van subsidiaire bescherming. Nu de hoofdpersoon een vergunning heeft op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 verblijft hij hier te lande op grond van subsidiaire bescherming en is de Gezinsherenigingsrichtlijn niet op hem van toepassing. Het beroep op het arrest Chakroun kan niet slagen, nu naar dit arrest wordt verwezen om te onderstrepen dat er strijd is met de Gezinsherenigingsrichtlijn.

Verder blijkt uit artikel 51, eerste lid, van het Handvest dat het Handvest is gericht tot de lidstaten, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen. Dat is hier niet het geval, zodat het beroep van eisers op artikel 51, eerste lid, van het Handvest faalt.

9. Vervolgens is in geschil de vraag of sprake is van meer dan de normale (emotionele) afhankelijkheid.

10. Op grond van artikel 29, tweede lid, van de Vw 2000, voor zover van belang, kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de hierna te noemen gezinsleden, indien deze op het tijdstip van binnenkomst van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling behoorden tot diens gezin en gelijktijdig met de vreemdeling Nederland zijn ingereisd dan wel zijn nagereisd binnen drie maanden nadat aan die vreemdeling de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, is verleend:

a. de echtgenoot of het minderjarige kind van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling;

b. de vreemdeling die als partner of meerderjarig kind van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling zodanig afhankelijk is van die vreemdeling, dat hij om die reden behoort tot diens gezin;

c. de ouders van het in het eerste lid bedoelde vreemdeling, indien die vreemdeling een alleenstaande minderjarige is in de zin van artikel 2, onder f, van Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2005 inzake het recht op gezinshereniging (Gezinsherenigingsrichtlijn, PbEU, L 251).

Volgens paragraaf C2/4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), voor zover hier van belang, dienen de gezinsleden, om voor verblijf in aanmerking te komen, tot aan het vertrek van de hoofdpersoon feitelijk te hebben behoord tot diens gezin.

Voor meerderjarige kinderen geldt eveneens dat het kind feitelijk moet behoren tot het gezin. In dit geval moet de hoofdpersoon niet alleen aantonen dat het meerderjarig kind feitelijk tot zijn gezin heeft behoord en dat die feitelijke gezinsband niet verbroken is, maar ook dat er sprake is van een meer dan normale (emotionele) afhankelijkheid met het meerderjarig kind.

Voor het beoordelen van de feitelijke gezinsband wordt aansluiting gezocht bij het beleid in paragraaf C7/3.2.1 van de Vc 2000.

Ten aanzien van meerderjarige kinderen wordt de feitelijke gezinsband aangenomen indien de hoofdpersoon aantoont dat het inmiddels meerderjarig geworden kind tot aan zijn vertrek uit het land van herkomst (dan wel land van bestendig verblijf) tot zijn gezin heeft behoord, tenzij er sprake is van één of meer van de volgende contra-indicaties:

− het kind woont zelfstandig;

− het kind voorziet in eigen onderhoud;

− het kind vormt een eigen gezin door het aangaan van een huwelijk of relatie;

− het kind is belast met de zorg voor een buitenechtelijk kind.

Als een kind zelfstandig woont of voorziet in eigen onderhoud, zal de IND individueel beoordelen of de feitelijke gezinsband als verbroken moet worden beschouwd.

De IND neemt in ieder geval niet aan dat een kind feitelijk behoort tot het gezin van de ouder(s), als bedoeld in artikel 3.14, aanhef en onder c, van het Vreemdelingenbesluit 2000 als:

• het kind zelfstandig woont en in eigen onderhoud voorziet; of

• het kind een zelfstandig gezin vormt door het aangaan van een huwelijk of een relatie.

11. Eisers hebben aangevoerd dat het beleid ten aanzien van meerderjarige kinderen in hun geval onjuist is toegepast. Er is niet betrokken dat zij met referent hebben samengewoond en financieel afhankelijk waren van hem. De enkele meerderjarigheid is onvoldoende om te komen tot een verbroken gezinsband. Eisers hebben daarbij verwezen naar een uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:2571), een brief van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie aan de voorzitter van de Tweede Kamer van 23 oktober 2014 (kst-19637- 1904) en vragen gesteld door leden van de Tweede Kamer op 15 december 2014 met de daarop door de regering gegeven antwoorden op 12 januari 2015 (ah-tk-20142015-993).

12. De rechtbank overweegt ten aanzien van eiser dat verweerder op basis van de in rechtsoverweging 3 genoemde omstandigheden deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van meer dan de normale emotionele afhankelijkheid tussen hem en referent. Verweerder heeft de contra-indicatie kunnen tegenwerpen dat eiser zelfstandig in zijn eigen levensonderhoud heeft voorzien.

Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat eiser op grond van de Nederlandse regelgeving niet in aanmerking komt voor een mvv.

13. Eiser heeft verder aangevoerd dat verweerder ten onrechte van het horen heeft afgezien. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt deze beroepsgrond niet. Van de in artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vervatte algemene hoorplicht kan op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat van een dergelijke situatie in het onderhavige geval sprake is, zodat verweerder van het horen van referent heeft kunnen afzien. Het beroep op de hoorplicht faalt.

14. Daarom is het beroep tegen het bestreden besluit, voor zover daarbij de afwijzing van de aanvraag van eiser is gehandhaafd, ongegrond.

15. De rechtbank overweegt ten aanzien van eiseres dat verweerder in het bestreden besluit niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom niet gebleken is van een meer dan de normale emotionele afhankelijkheid tussen eiseres en referent. Eiseres heeft tot aan het vertrek van referent deel uitgemaakt van zijn gezin, nooit in haar eigen levensonderhoud voorzien en geen eigen gezin gesticht. Het enkele feit dat eiseres ten tijde van het vertrek van referent meerderjarig (net 18 jaar geworden) was, is onvoldoende. De rechtbank vindt voor dit oordeel steun in de door eiseres onder rechtsoverweging 11 overgelegde stukken en de brief van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie aan de voorzitter van de Tweede Kamer van 21 mei 2015 (kenmerk 61047). In deze laatste brief wordt ingegaan op een aantal toezeggingen die de toenmalige staatssecretaris heeft gedaan tijdens het algemeen overleg met de Tweede Kamer met betrekking tot het nareisbeleid. Nu verweerder geen nader onderzoek naar de situatie van eiseres heeft gedaan, is het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid en genomen en onvoldoende deugdelijk gemotiveerd.

16. Het beroep van eiseres is gegrond. Het bestreden besluit, voor zover dat ziet op eiseres zal worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2, 7:2 en 7:12 van de Awb. De rechtbank ziet, gelet op de aard van het gebrek, onvoldoende mogelijkheden om het geschil finaal te beslechten. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen.

17. Gelet op hetgeen in rechtsoverweging 16 is overwogen kan de stelling van eiseres dat de hoorplicht in haar geval is geschonden, buiten verdere bespreking blijven.

18. Er is aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 980,00 in verband met het beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond, voor zover dat ziet op eiseres;

- vernietigt het bestreden besluit in zoverre en draagt verweerder op ter zake een nieuw besluit op bezwaar te nemen;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 167,00 (honderdzevenenzestig euro) aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 980,- (negenhonderdtachtig euro) te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Ente, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2015.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.