Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:9591

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-07-2015
Datum publicatie
13-08-2015
Zaaknummer
15/1889
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Trefwoorden: Nareis asiel, Syrië, jongvolwassen dochter met kind, feitelijke gezinsband verbroken,

Art. 8 EVRM, gezinsherenigingsrichtlijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 15/1889

V-nummers: [V-nummers]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 23 juli 2015 in de zaak tussen

[naam1] , eiseres,

mede namens haar minderjarige dochter

[naam2] ,

gemachtigde: mr. J.C. Ullersma,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. I.E. Lemmers.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 7 januari 2015 (het bestreden besluit).

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 24 april 2015. Eiseres is ter zitting verschenen bij haar gemachtigde. Referent [naam3] is niet verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek gesloten. De rechtbank heeft de termijn voor het doen van de uitspraak verlengd.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedag] 1995 en haar dochter [naam2] op [geboortedag2] 2013. Zij bezitten de Syrische nationaliteit en zijn de dochter en kleindochter van referent.

Aan referent, geboren op [geboortedag3] 1960, is met ingang van 4 juli 2014 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), geldig van 23 mei 2014 tot 23 mei 2019.

2. Op 19 augustus 2014 heeft referent een aanvraag tot afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel ‘gezinshereniging in het kader van nareis’ ingediend voor zijn echtgenote, vijf van zijn kinderen (onder wie eiseres) en zijn kleindochter [naam2] (de dochter van eiseres). Bij besluit van 3 september 2014 heeft verweerder de aanvraag ten behoeve van eiseres en haar dochter afgewezen.

3. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiseres daartegen ongegrond verklaard. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat eiseres een traditioneel huwelijk is aangegaan en een eigen gezin heeft gesticht, waardoor de feitelijke gezinsband tussen eiseres en haar ouders is verbroken.

4. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte de aanvraag heeft afgewezen. Zij is na de vermissing van haar echtgenoot in juli 2013 met haar dochtertje weer bij haar ouders gaan wonen, zodat de feitelijke gezinsband is hersteld. Er bestaat geen grond voor de stelling dat een gezinsband tussen ouders en kinderen die door het stichten van een eigen gezin verbroken wordt geacht, nooit meer zou kunnen worden hersteld. Zij is door het verdwijnen van haar partner financieel weer volledig afhankelijk van haar vader (referent) geworden.

De rechtbank overweegt als volgt.

5. Op grond van artikel 29, tweede lid, van de Vw 2000, voor zover van belang, kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de hierna te noemen gezinsleden, indien deze op het tijdstip van binnenkomst van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling behoorden tot diens gezin en gelijktijdig met de vreemdeling Nederland zijn ingereisd dan wel zijn nagereisd binnen drie maanden nadat aan die vreemdeling de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, is verleend:

a. de echtgenoot of het minderjarige kind van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling;

b. de vreemdeling die als partner of meerderjarig kind van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling zodanig afhankelijk is van die vreemdeling, dat hij om die reden behoort tot diens gezin;

c. de ouders van het in het eerste lid bedoelde vreemdeling, indien die vreemdeling een alleenstaande minderjarige is in de zin van artikel 2, onder f, van Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2005 inzake het recht op gezinshereniging (Gezinsherenigingsrichtlijn, PbEU, L 251).

Volgens paragraaf C2/4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), voor zover hier van belang, dienen de gezinsleden, om voor verblijf in aanmerking te komen, tot aan het vertrek van de hoofdpersoon feitelijk te hebben behoord tot diens gezin.

Voor meerderjarige kinderen geldt eveneens dat het kind feitelijk moet behoren tot het gezin. In dit geval moet de hoofdpersoon niet alleen aantonen dat het meerderjarig kind feitelijk tot zijn gezin heeft behoord en dat die feitelijke gezinsband niet verbroken is, maar ook dat er sprake is van een meer dan normale (emotionele) afhankelijkheid met het meerderjarig kind.

Voor het beoordelen van de feitelijke gezinsband wordt aansluiting gezocht bij het beleid in paragraaf C7/3.2.1 van de Vc 2000.

Ten aanzien van meerderjarige kinderen wordt de feitelijke gezinsband aangenomen indien de hoofdpersoon aantoont dat het inmiddels meerderjarig geworden kind tot aan zijn vertrek uit het land van herkomst (dan wel land van bestendig verblijf) tot zijn gezin heeft behoord, tenzij er sprake is van één of meer van de volgende contra-indicaties:

− het kind woont zelfstandig;

− het kind voorziet in eigen onderhoud;

− het kind vormt een eigen gezin door het aangaan van een huwelijk of relatie;

− het kind is belast met de zorg voor een buitenechtelijk kind.

Als een kind zelfstandig woont of voorziet in eigen onderhoud, zal de IND individueel beoordelen of de feitelijke gezinsband als verbroken moet worden beschouwd.

De IND neemt in ieder geval niet aan dat een kind feitelijk behoort tot het gezin van de ouder(s), als bedoeld in artikel 3.14, aanhef en onder c, van het Vreemdelingenbesluit 2000 als:

• het kind zelfstandig woont en in eigen onderhoud voorziet; of

• het kind een zelfstandig gezin vormt door het aangaan van een huwelijk of een relatie.

De IND neemt herstel van de feitelijke gezinsband niet aan als deze eenmaal verbroken is geoordeeld.

6. Eiseres heeft allereerst aangevoerd dat verweerder vol moet toetsen aan artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Er bestaat geen grond voor het standpunt dat de artikel 8 EVRM-toets in de nareisprocedure een beperktere zou kunnen zijn dan in een reguliere procedure en dat de volle toets doorgeschoven zou kunnen worden naar die procedure. Eiseres verwijst hiervoor onder andere naar de uitspraken Mugenzi (52701/09) en Tanda Muzinga (2260/10) van 10 juli 2014 van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). De jurisprudentie van het EHRM ten aanzien van ‘more than normal emotional ties’ is van toepassing.

7. De rechtbank overweegt dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), zie onder meer de uitspraken

van 23 januari 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ0424) en 25 juni 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:2461), de Vw 2000 buiten artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e en f, (thans artikel 29, tweede lid, van de Vw 2000) geen grond biedt voor verlening van een verblijfsvergunning asiel ter bescherming van ‘family life’ als bedoeld in artikel 8 van het EVRM en dat de beoordeling van de toepassing van artikel 8 van het EVRM buiten deze bepalingen plaats dient te vinden in de procedure over een verblijfsvergunning regulier.

Dit houdt verband met het bijzondere karakter van de in artikel 29, eerste lid, aanhef en ander e en f, van de Vw 2000 geregelde toelatingsgrond en de inbreuk die daarmee op de algemene systematiek van de Vw 2000 is gemaakt. Deze beroepsgrond faalt dan ook.

8. Eiseres heeft verder een beroep gedaan op de Gezinsherenigingsrichtlijn, in het bijzonder artikel 4, en het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (het Handvest). Eiseres heeft daarbij verwezen naar het arrest Chakroun van 4 maart 2010

(C-578/08) van het Hof van Justitie. In het bestreden besluit is ten onrechte opgenomen dat het nationale recht boven het EU-recht gaat.

9. De rechtbank volgt dit betoog niet. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling - zie onder andere de voornoemde uitspraak van 23 januari 2013 - is de Gezinsherenigingsrichtlijn niet van toepassing op vreemdelingen die in een lidstaat verblijven uit hoofde van subsidiaire bescherming. Nu de hoofdpersoon een vergunning heeft op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 verblijft hij hier te lande op grond van subsidiaire bescherming en is de Gezinsherenigingsrichtlijn niet op hem van toepassing. Het beroep op het arrest Chakroun kan niet slagen, nu naar dit arrest wordt verwezen om te onderstrepen dat er strijd is met de Gezinsherenigingsrichtlijn.

Verder blijkt uit artikel 51, eerste lid, van het Handvest dat het Handvest is gericht tot de lidstaten, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen. Dat is hier niet het geval, zodat het beroep van eiseres op artikel 51, eerste lid, van het Handvest faalt.

10. Tot slot is in geschil de vraag of eiseres feitelijk tot het gezin van de hoofdpersoon (referent) behoorde. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, op grond van het voornoemde beleid in paragraaf C2/4.1 en C7/3.2.1 van de Vc 2000, eiseres terecht heeft tegengeworpen dat de feitelijke gezinsband met haar ouders is verbroken, omdat zij een zelfstandig gezin heeft gesticht door het aangaan van een huwelijk en daardoor niet meer onder het rechtmatig gezag van referent staat. De omstandigheid dat de echtgenoot van eiseres is vermist, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Een gezinsband die eenmaal verbroken is, kan niet meer worden hersteld. De enkele stelling van eiseres dat de feitelijke gezinsband is herleefd, omdat zij met haar dochter financieel volledig afhankelijk is van referent is onvoldoende. Nog daargelaten dat de vermissing van haar partner slechts is gesteld, kan referent haar ook financieel ondersteunen zonder dat zij met haar kind bij hem woont.

11. Daarnaast heeft verweerder terecht geen aanleiding gezien om met toepassing van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van het beleid af te wijken. Nu het stichten van een eigen gezin een omstandigheid is die expliciet bij de totstandkoming van het beleid is betrokken, kan het feit dat eiseres met haar dochtertje in het grensgebied van Syrië moet achterblijven, niet als bijzondere omstandigheid in de zin van dat artikel worden aangemerkt. Ook het feit dat eiseres, de hoofdpersoon (referent) en de overige gezinsleden een hechte band hebben door hetgeen zij hebben meegemaakt, kan niet tot een ander oordeel leiden. Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat eiseres op grond van de Nederlandse regelgeving niet in aanmerking komt voor een mvv.

12. Ten aanzien van het betoog van eiseres dat verweerder haar en referent ten onrechte niet heeft gehoord in bezwaar, overweegt de rechtbank als volgt. Het uitgangspunt ten aanzien van het horen in bezwaar is de in artikel 7:2, eerste lid, van de Awb vervatte algemene regel dat er voor het bestuur een hoorplicht bestaat, behoudens de in artikel 7:3 van de Awb genoemde uitzonderingen. Van een kennelijk ongegrond bezwaar als bedoeld in artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb is sprake indien, aan de hand van de inhoud van het bezwaarschrift, in samenhang met hetgeen in eerste instantie door de vreemdeling is aangevoerd en met de motivering van de primaire beslissing, naar objectieve maatstaven bezien, op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Naar het oordeel van de rechtbank doet een dergelijke situatie zich hier voor. Het bezwaarschrift biedt geen aanknopingspunten op grond waarvan verweerder had moeten horen.

13. Het beroep is ongegrond.

14. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Ente, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2015.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.