Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:9534

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-08-2015
Datum publicatie
12-08-2015
Zaaknummer
14/20285
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tegenwerping artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag niet deugdelijk gemotiveerd.

Voor zover al moet worden geoordeeld dat sprake is van ‘knowing participation’ ten aanzien van de door verweerder genoemde en door eiseres niet betwiste misdaden als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag begaan door het regime van Saddam Hussein, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet deugdelijk gemotiveerd dat ten aanzien van die misdaden in het geval van eiseres sprake is van ‘personal participation’. Uit het Algemeen ambtsbericht Centraal-Irak van november 2002 (ambtsbericht) blijkt dat de verschillende rangen van de Baath-partij verschillende activiteiten voor die partij moesten uitvoeren en dat die activiteiten naarmate men een hogere rang had gevoeliger en zwaarder werden. Genoemd worden onder meer het verschaffen van gevoelige informatie aan veiligheids- en inlichtingendiensten, het verlenen van hulp bij arrestaties, het bemannen van controleposten, het ondervragen van gedetineerden of het leveren van hulp bij zuiveringen in gevangenissen. Betrokkenheid bij schendingen van de mensenrechten kan vanaf het niveau van ‘kandidaat lid’ geenszins worden uitgesloten. Uit het ambtsbericht (pagina 17) blijkt echter ook dat niet elk volwaardig partijlid ook daadwerkelijk (één of meerdere van) de in het ambtsbericht genoemde gevoelige activiteiten heeft dienen te verrichten. Hierdoor blijft naar het oordeel van de rechtbank de mogelijkheid open dat een volwaardig lid dan wel iemand met een lagere rang geen enkele (relevante) activiteit voor de Baath-partij heeft verricht. Uit de verklaringen van eiseres, zoals afgelegd tijdens het gehoor van 13 februari 2014, blijkt niet dat de werkzaamheden van eiseres een effect hebben gehad op het begaan van de misdrijven door de Baath-partij en dat die misdrijven hoogstwaarschijnlijk niet op dezelfde wijze zouden hebben plaatsgevonden indien niemand de rol van eiseres had vervuld. De verklaringen van eiseres zijn te algemeen om daaruit te kunnen concluderen welke activiteiten eiseres zelf voor de Baath-partij heeft verricht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: AWB 14/20285,

V-nummers: [v-nummer] , [v-nummer] , [v-nummer] en [v-nummer] ,

uitspraak van de meervoudige kamer van 6 augustus 2015 in de zaak tussen

[Eiseres] , eiseres , mede ten behoeve van haar minderjarige kinderen [kind 1], [kind 2] en [kind 3],

gemachtigde: mr. P. Scholtes,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. E.P.C. van der Weijden.

Procesverloop

Bij besluit van 13 augustus 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen en tegen eiseres een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van tien jaar.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2015. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens zijn verschenen J.A. Matti, tolk, en de minderjarige kinderen van eiseres met een begeleider.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op 17 januari 1973 en heeft de Iraakse nationaliteit. Eiseres is naar eigen zeggen op 23 oktober 2012 Nederland ingereisd en heeft op 12 november 2012 onderhavige aanvraag ingediend. Bij besluit van 17 juni 2013 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Op 22 november 2013 heeft verweerder het besluit van 17 juni 2013 ingetrokken. Eiseres is vervolgens op 13 februari 2014 aanvullend gehoord over haar bekering en haar betrokkenheid bij de Baath-partij. Op 30 april 2014 heeft een aanvullend 1(F)-gehoor plaatsgevonden.

2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiseres afgewezen onder verwijzing naar artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) gelezen in samenhang met artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, van de Vw 2000. Verweerder heeft tegengeworpen aan eiseres artikel 1(F) van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van Genève van 28 juli 1951, zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 31 januari 1967 (Vluchtelingenverdrag). Verweerder heeft tegen eiseres een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van tien jaar, op grond van artikel 66a, vierde lid, van de Vw 2000, in samenhang bezien met artikel 6.5a, vijfde lid, aanhef en onder c, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000).

3. Gelet op het tegen eiseres uitgevaardigde inreisverbod met de rechtsgevolgen als bedoeld in artikel 66a, zevende lid, van de Vw 2000, heeft eiseres zolang het inreisverbod voortduurt geen belang bij beoordeling van haar beroep tegen de afwijzing van haar asielaanvraag. De rechtbank volgt hierin de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 juli 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:298) en 18 februari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:638). Belang bij toetsing in rechte van het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag is eerst aan de orde, indien het besluit tot het uitvaardigen van dat inreisverbod wordt vernietigd. Dit brengt mee dat hetgeen eiseres heeft aangevoerd tegen de afwijzing van de asielaanvraag moet worden beoordeeld alsof dat deel uitmaakt van de beroepsgronden gericht tegen het inreisverbod.

4. Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte een inreisverbod voor de duur van 10 jaar heeft uitgevaardigd, omdat artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag niet aan eiseres kan worden tegengeworpen, nu geen sprake is van ‘knowing en personal participation’. De beroepsgrond slaagt.

4.1.

Op grond van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, voor zover hier van belang, zijn de bepalingen van het verdrag niet van toepassing op een persoon, ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat:

a. hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen;

b. hij een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten;

c. hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties.

Volgens paragraaf C2/6.2.8 van de Vreemdelingencirculaire 2000, zoals die luidde ten tijde van belang en voor zover hier van belang, is het aan verweerder om aan te tonen dat er ernstige redenen zijn dat de vreemdeling één van de strafbare feiten genoemd in artikel 1(F) heeft gepleegd. Indien verweerder ‘ernstige redenen’ heeft aangetoond, moet de vreemdeling dit gemotiveerd weerleggen, om toepassing van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag te voorkomen.

Verweerder onderzoekt of de vreemdeling verantwoordelijk kan worden gehouden voor misdrijven en daden als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, of de vreemdeling weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het betreffende misdrijf (‘knowing participation’) en of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (‘personal participation’).

Van ‘personal participation’ is onder meer sprake wanneer de vreemdeling een misdrijf als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag heeft gefaciliteerd, dat wil zeggen dat zijn handelen en/of nalaten in wezenlijke mate heeft bijgedragen aan het misdrijf. Verweerder concludeert dat de vreemdeling in wezenlijke mate heeft bijgedragen indien aan beide volgende voorwaarden is voldaan:

• de bijdrage heeft een effect heeft gehad op het begaan van een misdrijf, en

• het misdrijf had hoogstwaarschijnlijk niet op dezelfde wijze plaatsgevonden indien niemand de rol van de vreemdeling had vervuld of indien de vreemdeling gebruik had gemaakt van mogelijkheden om het misdrijf tegen te houden.

Op grond van artikel 6.5a, vijfde lid, aanhef en onder c, van het Vb 2000 bedraagt de duur van het inreisverbod in afwijking van het eerste tot en met vierde lid ten hoogste tien jaren, indien het betreft een vreemdeling die een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde of de openbare veiligheid. Deze ernstige bedreiging kan blijken uit onder meer de omstandigheid dat hem artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag wordt tegengeworpen.

4.2.

Niet in geschil is dat eiseres vanaf 1986 tot de val van de regering van Saddam Hoessein in 2003 aangesloten is geweest bij de Baath-partij. Na sympathisant (Mu’ayyid) te zijn geweest is zij in 1994 aanhanger (Nasir) geworden. Daarna heeft zij de rangen gevorderd aanhanger (Nasir Mutaqaddem) en kandidaat lid (Murashah lil ‘Adwiyya) doorlopen. In oktober 2002 is zij volwaardig lid (Oudo Amil) geworden.

Voorts is niet in geschil dat eiseres van 1993 tot 2003 heeft gewerkt op het Ministerie voor Militaire Industrie, waar zij de administratie van personeelsdossiers verzorgde.

4.3.

Verweerder heeft aan zijn conclusie dat ten aanzien van eiseres sprake is van ‘knowing and personal participation’ ten grondslag gelegd dat, blijkens diverse ambtsberichten en de UNHCR Guidelines Relating to the Eligibility of Iraqi Asylum-Seekers van oktober 2005, het regime van Saddam Hussein in Irak zich van 1979 tot 2003 bij voortduring schuldig maakte aan willekeurige detentie, buitengerechtelijke executies, moord en marteling, welke misdaden kunnen worden aangemerkt als misdaden als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Arrestaties konden plaatsvinden door de politie, het leger, speciale diensten en speciale afdelingen binnen de Baath-partij. Mishandelingen en folteringen vonden over het algemeen plaats onder verantwoordelijkheid van verschillende geheime diensten of speciale afdelingen van de Baath-partij. Leden van de Baath-partij waren binnen alle overheidsorganen, bedrijven en maatschappelijke organisaties geplaatst, zodat de partij toezicht had op vrijwel alle geledingen van de samenleving. De Baath-partij fungeerde als de oren en ogen van het regime en de rapporten over wat zij waarnamen waren essentieel voor de inlichtingen- en veiligheidsdiensten om hun werk te doen.

4.4.

Gelet op diverse publicaties die - buiten Irak - zijn uitgebracht over de mensenrechtenschendingen in Irak en gelet op het feit dat veel wetten willekeurig en straffen deels openbaar waren moet eiseres volgens verweerder weet hebben gehad van het feit dat mede door de Baath-partij in Irak op grote schaal mensenrechtenschendingen hebben plaatsgevonden. Op grond van de contacten die eiseres had binnen de partij, op haar werk en privé en gelet op de openlijke straffen had eiseres kunnen en moeten weten wat er gebeurde met mensen die na het opmaken van een rapport over hen gearresteerd werden.

4.5.

Uit de verklaringen van eiseres tijdens het gehoor van 13 februari 2014 volgt volgens verweerder dat zij actief deelnam aan de activiteiten van de Baath-partij. Eiseres kreeg instructies van mensen die hoger in rang waren en diende die vervolgens uitgevoerd te krijgen bij mensen die lager in rang waren. Zij moest mensen aangeven bij de politie die zij verdacht van corruptie en als ze iets verdachts zag of constateerde moest zij dit aangeven bij de Ferka Hezbeya. Door het opmaken van rapporten en het aangeven van verdachte personen heeft eiseres volgens verweerder de omstandigheden geschapen waaronder leden van de Baath-partij, veiligheids- en inlichtingendiensten de genoemde misdrijven konden plegen. Verweerder wijst er in dit verband op dat eiseres binnen de Baath-partij de rang van volwaardig lid (Oudo Amil) heeft gehad en voorts dat zij zeer snel in rang is gestegen binnen die partij, wat wijst op een loyale houding van eiseres. Verweerder is van mening dat eiseres tijdens het gehoor van 30 april 2014 haar verklaringen van 13 februari 2014 heeft gebagatelliseerd, waardoor niet van de op 30 april 2014 afgelegde verklaringen kan worden uitgegaan.

4.6.

Ter zitting heeft verweerder aangegeven niet langer te betwisten dat eiseres wegens zwangerschaps- en bevallingsverlof feitelijk geen invulling heeft gegeven aan de rang van volwaardig lid (Oudo Amil). Tevens handhaaft verweerder niet langer de tegenwerping dat eiseres zeer snel in rang is gestegen.

4.7.

Voor zover al moet worden geoordeeld dat sprake is van ‘knowing participation’ ten aanzien van de door verweerder genoemde en door eiseres niet betwiste misdaden als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag begaan door het regime van Saddam Hussein, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet deugdelijk gemotiveerd dat ten aanzien van die misdaden in het geval van eiseres sprake is van ‘personal participation’. Uit het Algemeen ambtsbericht Centraal-Irak van november 2002 (ambtsbericht) blijkt dat de verschillende rangen van de Baath-partij verschillende activiteiten voor die partij moesten uitvoeren en dat die activiteiten naarmate men een hogere rang had gevoeliger en zwaarder werden. Genoemd worden onder meer het verschaffen van gevoelige informatie aan veiligheids- en inlichtingendiensten, het verlenen van hulp bij arrestaties, het bemannen van controleposten, het ondervragen van gedetineerden of het leveren van hulp bij zuiveringen in gevangenissen. Betrokkenheid bij schendingen van de mensenrechten kan vanaf het niveau van ‘kandidaat lid’ geenszins worden uitgesloten. Uit het ambtsbericht (pagina 17) blijkt echter ook dat niet elk volwaardig partijlid ook daadwerkelijk (één of meerdere van) de in het ambtsbericht genoemde gevoelige activiteiten heeft dienen te verrichten. Hierdoor blijft naar het oordeel van de rechtbank de mogelijkheid open dat een volwaardig lid dan wel iemand met een lagere rang geen enkele (relevante) activiteit voor de Baath-partij heeft verricht.

4.8.

Uit de verklaringen van eiseres, zoals afgelegd tijdens het gehoor van 13 februari 2014, blijkt niet dat de werkzaamheden van eiseres een effect hebben gehad op het begaan van de misdrijven door de Baath-partij en dat die misdrijven hoogstwaarschijnlijk niet op dezelfde wijze zouden hebben plaatsgevonden indien niemand de rol van eiseres had vervuld. Op de vraag wat haar rol was bij vergaderingen van de Baath-partij heeft eiseres verklaard: “wij kregen instructies van mensen die hoger in rang zijn dan wij, en die instructies probeerden wij uitgevoerd te krijgen bij mensen die lager stonden in rang. Het ging over de politieke kant van het land, economisch en de veiligheid” en op de vraag welke instructies eiseres probeerde uitgevoerd te krijgen bij mensen die lager stonden in rang heeft zij geantwoord: “het ging meestal over veiligheid en politiek. Bijvoorbeeld voor de Amerikaanse aanval, moesten wij vergaderen over hoe wij onszelf en onze afdeling moesten beschermen. Wij moesten bedenken hoe wij de vijfde rij moesten tegen houden”. Voorts heeft zij verklaard: “wij moesten ook mensen bij de politie aangeven, als wij ze verdachten van corruptie”, “als wij iets verdachts zagen of constateerden geven wij dit door aan een Ferka Hezbeya want iedere Ferka Hezbeya is verantwoordelijk voor een bepaald gebied” en “vreemde mensen wil zeggen dat zij misschien spionnen zijn of iemand met bijbedoelingen”. Op de vraag of eiseres zelf ooit iemand heeft aangegeven heeft eiseres geantwoord dat zij nooit iemand persoonlijk heeft aangegeven. Verder heeft zij verklaard dat zij verplicht was om lid te zijn van de Baath-partij om haar werk te kunnen uitoefenen. De verklaringen van eiseres zijn te algemeen om daaruit te kunnen concluderen welke activiteiten eiseres zelf voor de Baath-partij heeft verricht.

4.9.

De bewijslast dat eiseres in verband kan worden gebracht met gedragingen als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag rust op verweerder. Uit het voorgaande volgt dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiseres individueel verantwoordelijk kan worden gehouden voor gedragingen als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag.

5. Het beroep tegen het inreisverbod is gegrond. Dat betekent dat eiseres belang heeft bij beoordeling van de afwijzing van haar asielaanvraag. Ook het beroep tegen die afwijzing is gelet op hetgeen hiervoor is overwogen gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Verweerder zal de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel opnieuw moeten beoordelen.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Het bedrag van deze kosten stelt de rechtbank vast op € 980,- voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 490,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiseres met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 980,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Hameete, voorzitter, en mr. C.E. Bos en mr. F. Wegman, leden, in aanwezigheid van mr. S. Kuiper, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.