Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:9478

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-07-2015
Datum publicatie
14-08-2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 802
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De aanvraag op grond van artikel 4:6 van de Awb is gedaan hangende de bezwaarprocedure, zodat het besluit op het bezwaar op dit punt een primair besluit is waartegen geen beroep openstaat. Dat geldt evenzeer het beroep op de duuraanspraken-jurisprudentie. Het beroep van eiseres is in zoverre niet-ontvankelijk. Voor het overige is het beroep van eiseres ongegrond, nu geen sprake is van een Ambersituatie. Verweerder heeft zich met juistheid op het standpunt gesteld dat voor het herzieningsverzoek een wachttijd van 104 weken geldt.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4.6
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 38
Algemene wet bestuursrecht 7.1
Algemene wet bestuursrecht 7:11
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 39a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 15/802

uitspraak van de meervoudige kamer van 10 juli 2015 in de zaak tussen

Coöperatie VNG International U.A., te [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. G.A.M. Lieshout),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) van [werknemer] niet verhoogd.

Bij besluit van 4 december 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juni 2015.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Tevens zijn van de zijde van eiseres verschenen haar directeur, [namen] , personeelsmanager. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Eiseres heeft als rechtsvorm de coöperatie en is een organisatie voor internationale samenwerking van de Vereniging voor Nederlandse Gemeenten. Eiseres is werkgever van [werknemer] (werknemer).

1.2

De werknemer is sinds 1991 in dienst van eiseres in de functie van projectleider naar een arbeidsomvang van 32 uur per week. De werknemer is op 6 juni 1998 voor dit werk uitgevallen wegens psychische klachten en is daarna bij eiseres hervat in aangepast projectmatig werk gedurende 24 uur per week. Op een aanvraag van de werknemer is hij bij besluit van 12 juli 1999 door verweerders rechtsvoorganger, het Landelijk instituut sociale verzekeringen, na een wachttijd van 52 weken met ingang van 5 juni 1999 in aanmerking gebracht voor een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25%.

Eiseres heeft het loon van de werknemer sinds zijn uitval wegens ziekte onverminderd doorbetaald. Bij besluiten van 22 november 2000, 3 maart 2004 en 9 oktober 2008 heeft verweerder de mate van arbeidsongeschiktheid van de werknemer ongewijzigd vastgesteld op 15-25%.

1.3

Bij op 18 juni 2014 door het Uwv ontvangen digitaal wijzigingsformulier heeft de werknemer aan verweerder verzocht om een herziening van zijn WAO-uitkering wegens wijziging per 1 juli 2014 van omstandigheden, die zouden bestaan uit de beëindiging van zijn werkzaamheden bij eiseres. Bij het primaire besluit heeft verweerder dit verzoek afgewezen op de grond dat de werknemer geen recht heeft op herziening van zijn WAO‑uitkering wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid binnen 4 weken. Verweerder stelt zich daarbij op het standpunt dat niet wordt voldaan aan de daarvoor geldende voorwaarde dat het moment van toeneming van de arbeidsongeschiktheid moet zijn gelegen binnen 5 jaar na de datum van toekenning van de uitkering. Mogelijk heeft de werknemer wel recht op herziening van zijn WAO-uitkering na 104 weken. Eiseres en de werknemer hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt. De werknemer heeft zijn bezwaar bij brief van 29 september 2014 ingetrokken. Bij brief van 25 november 2014 heeft eiseres meegedeeld dat haar bezwaar mede is gericht tegen het oorspronkelijke toekenningsbesluit van 12 juli 1999 en de daaropvolgende besluiten van 22 november 2000, 3 maart 2004 en 9 oktober 2008. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

1.4

Het bestreden besluit berust op het standpunt dat het verzoek van de werknemer om herziening van de WAO-uitkering is opgevat als een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid per 1 juli 2014. Verweerder stelt dat voor de werknemer een wachttijd geldt van 104 weken om mogelijk in aanmerking te komen voor een verhoging van de uitkering. Ten aanzien van het verzoek van eiseres om terug te komen van het toekenningsbesluit van de WAO-uitkering aan de werknemer en daarna genomen herbeoordelingsbesluiten, heeft verweerder gesteld dat het argument van eiseres dat sprake is geweest van sociaal loon geen feit of omstandigheid is dat bij de afgifte van die eerdere besluiten niet bekend was. Dat eiseres dat niet eerder heeft aangevoerd, komt volgens verweerder voor haar risico. Het argument van eiseres dat de werkzaamheden van de werknemer zijn gestopt, merkt verweerder ook niet aan als een novum, maar als een nieuw gegeven. Nu van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden geen sprake is, komt verweerder niet terug van de oorspronkelijke besluiten.

1.5

In beroep stelt eiseres zich primair op het standpunt dat sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden, als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat verweerder bij de toekenning van de WAO-uitkering aan de werknemer geen gericht onderzoek heeft gedaan naar de reële loonwaarde van de arbeid die de werknemer sedert de aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid verrichtte. Verweerder heeft verzuimd onderzoek te doen naar de discrepantie tussen de uitkomst van een theoretische schatting en de praktische schatting. Indien verweerder ten tijde van de toekenning van de WAO-uitkering bekend zou zijn geweest met het feit dat sprake was van sociaal loon, dan zou dat hebben geleid tot toekenning van een WAO-uitkering naar een hogere mate van arbeidsongeschiktheid. Als subsidiaire beroepsgrond heeft eiseres aangevoerd dat een redelijke toepassing van de duuraanspraken-jurisprudentie ertoe leidt dat verweerder redelijkerwijs is gehouden om haar toekenningsbesluit van 14 juli 1999 te herzien. Volgens eiseres is het toekenningsbesluit een onjuist besluit dat met toepassing van deze jurisprudentie per direct, en zonder wachttijd van 104 weken, in aanmerking komt voor herziening.

Tot slot voert eiseres aan dat haar belang niet zozeer is gericht op aantasting van het oorspronkelijke toekenningsbesluit van 12 juli 1999 maar op het buiten beschouwing laten van de wachttijd van 104 weken. Ter zitting heeft eiseres meegedeeld dat de werknemer nog steeds bij haar in dienst is en zijn oorspronkelijk loon naar evenredigheid ontvangt.

2.1

De rechtbank gaat uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

2.2

De werknemer was projectleider bij eiseres en verrichtte in die hoedanigheid voltijdse projectmatige werkzaamheden op het terrein van het lokaal bestuur in ontwikkelingslanden. Na zijn ziekmelding op 6 juni 1998 is de werknemer nog voor het verstrijken van de wachttijd van een jaar voor de WAO bij eiseres hervat in voor hem aangepaste, meer kantoor gebonden en inhoudelijke werkzaamheden op basis van 24 uur per week. Nadat door verweerder was vastgesteld dat deze aangepaste werkzaamheden vanuit verzekeringsgeneeskundig oogpunt berekend zijn voor de krachten en bekwaamheden van de werknemer, heeft arbeidsdeskundige [arbeidsdeskundige] in zijn rapport van 9 juni 1999 ter bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid van de werknemer per de datum einde wachttijd van 5 juni 1999 een loonkundige berekening opgesteld. De arbeidsdeskundige heeft daarbij bij wijze van een zogeheten praktische schatting de feitelijke inkomsten uit het aangepaste parttime werk afgezet tegen het maatmaninkomen uit de functie van projectleider met als uitkomst een mate van arbeidsongeschiktheid van 23%, resulterend in de indeling van de werknemer in WAO-klasse 15-25%. Eiseres is bij brief van 12 juli 1999 door verweerder op de hoogte gesteld van de toekenning per 5 juni 1999 van de WAO‑uitkering aan de werknemer. Ook omtrent nadien uitgevoerde herbeoordelingen is eiseres door verweerder bij besluiten van 22 november 2000, 3 maart 2004 en 9 oktober 2008 geïnformeerd.

2.3

Op de aanvraag van 11 juni 2014 van de werknemer om een herbeoordeling wegens “gewijzigde arbeidsomstandigheden” heeft verweerder het primaire besluit genomen, inhoudende dat de werknemer pas na 104 weken toegenomen arbeidsongeschiktheid in aanmerking kan komen voor herziening van zijn WAO-uitkering. In haar bezwaarschrift van 6 augustus 2014 tegen dit besluit heeft eiseres zich primair op het standpunt gesteld dat het verzoek van de werknemer niet is gegrond op een toename van de arbeidsongeschiktheid van de werknemer maar op het beëindigen van de werkzaamheden. Subsidiair heeft eiseres aangevoerd dat hier niet de wachttijd van 104, maar van maximaal 4 weken heeft te gelden, gebaseerd op de gestelde toepasselijkheid van artikel 38 van de WAO. Bij brief van 25 november 2014 heeft eiseres aanvullende bezwaargronden ingediend en daarbij aangevoerd dat het bezwaar geacht moet worden mede te zijn gericht tegen het oorspronkelijke toekenningsbesluit van 12 juli 1999 en de daarna gevolgde herbeoordelingsbesluiten van 22 november 2000, 3 maart 2004 en 9 oktober 2008. In aanvulling op de brief van 25 november 2014 heeft eiseres bij aan verweerder toegezonden brief van 26 november 2014 aangegeven zich hierbij te baseren op artikel 4:6 van de Awb.

2.4

De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast, dat de door eiseres bij brief van 25 november 2014 naar voren gebrachte aanvullende bezwaargronden feitelijk een nieuwe (herhaalde) aanvraag aan verweerder behelzen om met toepassing van artikel 4:6 van de Awb terug te komen van het besluit van 12 juli 1999 houdende toekenning van een WAO-uitkering aan de werknemer, alsmede van de daarna genomen besluiten waarin herbeoordelingen van de mate van arbeidsongeschiktheid van de werknemer zijn vastgelegd.

Dat heeft tot gevolg dat het bestreden besluit, althans het deel daarvan waarin voor het eerst is beslist op deze nieuwe aanvraag, dient te worden beschouwd als een primair besluit waartegen bezwaar open staat. Op deze situatie is de hoofdregel van artikel 7:1, eerste lid, van de Awb van toepassing, dat voorschrijft dat eerst de bezwaarschriftprocedure dient te worden gevolgd voordat beroep kan worden ingesteld. Artikel 7:1 van de Awb is een voorschrift van openbare orde dat de rechtbank tot ambtshalve toepassing noopt. Nu geen van de uitzonderingen op de hoofdregel van artikel 7:1 van de Awb zich voordoet, zal de rechtbank het beroep van eiseres, voor zover dat is gericht tegen de weigering van verweerder om terug te komen van zijn eerdere besluitvorming, niet-ontvankelijk verklaren en ter behandeling als bezwaarschrift doorzenden naar verweerder.

2.5

De primaire beroepsgrond van eiseres dat verweerder ten tijde van de toekenning van de WAO-uitkering aan de werknemer onbekend was met het feit dat de aan de werknemer gedane loonbetalingen in overwegende mate moeten aangemerkt als sociaal loon dat geen reële contraprestatie voor de werkzaamheden vormde, zal verweerder op de voet van artikel 7:11 van de Awb in het kader van een heroverweging van het primaire besluit als bezwaargrond behandelen. Zulks geldt evenzeer het ten subsidiaire gedane beroep op de zogeheten duuraanspraken jurisprudentie. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 14 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2.

3.1

Met betrekking tot de in het bestreden besluit neergelegde beslissing van verweerder om niet reeds per 1 juli 2014 of binnen 4 weken daarna, maar pas na een wachttijd van 104 weken over te gaan tot herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van de werknemer, overweegt de rechtbank als volgt. Met verweerder stelt de rechtbank vast dat de werknemer ter zake van zijn aanvraag om herbeoordeling van zijn WAO-uitkering geen aanspraak op grond van artikel 39a van de WAO kan ontlenen aan een verkorte wachttijd van 4 weken. De aanvraag van de werknemer voldoet immers niet aan de in artikel 39a van de WAO gestelde voorwaarde dat de toeneming van zijn arbeidsongeschiktheid is ingetreden binnen 5 jaar na de datum van toekenning of herziening van de WAO-uitkering. Tussen 5 juni 1999, de datum van toekenning van de WAO-uitkering, en 11 juni 2014, de datum waarop de werknemer zijn aanvraag heeft ingediend, zijn meer dan 5 jaar verstreken. Latere herbeoordelingen hebben niet tot een herziening van de WAO-uitkering van de werknemer geleid. Dit betekent dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat, in verband met de aanvraag van 11 juni 2014 van de werknemer om een herbeoordeling van de mate van zijn arbeidsongeschiktheid, op grond van artikel 37 van de WAO een wachttijd van 104 weken heeft te gelden. Deze beroepsgrond van eiseres faalt.

3.2

Het beroep is in zoverre ongegrond.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep, voor zover dat is gericht tegen de weigering om terug te komen van onherroepelijk geworden besluiten, niet-ontvankelijk;

- bepaalt dat het beroepschrift in zoverre wordt doorgezonden naar verweerder ter behandeling als bezwaarschrift;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.M. Braam, voorzitter, mr. A.L. Frenkel en mr. L.M. Koenraad, leden, in aanwezigheid van F.P. Krijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2015.

griffier voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.