Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:940

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-01-2015
Datum publicatie
30-01-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 28431
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2015:1203, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

AWB 14/28431 (voorlopige voorziening) AWB 14/28430 (bodem)

integrale geloofwaardigheidsbeoordeling

Besluit van 12 december 2015, nummer WBV 2014/36, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire (WBV 2014/36) en de openbare werkinstructie met nummer 2014/10 van 1 januari 2015 van het hoofd van de IND (werkinstructie 2014/10). De voorzieningenrechter merkt deze aan als wijzigingen van beleid als bedoeld in artikel 83, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

De wijzigingen houden kort gezegd in dat met ingang van 1 januari 2015 bij de beoordeling van een asielrelaas wordt uitgegaan van een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling. Deze wijzigingen acht de voorzieningenrechter relevant.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in artikel 83, vijfde lid, van de Vw 2000 ligt besloten dat verweerder niet alleen de uitkomst van de beoordeling aan het nieuwe beleid schriftelijk laat weten, maar ook inzicht geeft in de wijze waarop tot die geloofwaardigheidsbeoordeling wordt gekomen. Nu ter zake geen deugdelijke motivering is gegeven, kan de voorzieningenrechter niet beoordelen of het bestreden besluit is genomen met inachtneming van het nieuwe beleid.

Verweerder zal ter zake een nieuw besluit moeten nemen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 31
Vreemdelingenwet 2000 83
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2015/57 met annotatie van dr. A.M. Reneman
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 14/28431 (voorlopige voorziening)

AWB 14/28430 (bodem)

V-nr: [V-nummer]

uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 januari 2015 in de zaak tussen

[verzoeker],

geboren op [geboortedag] 1977, van Jamaicaanse nationaliteit, verzoeker,

(gemachtigde mr. M.A. Krikke),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde mr. M.J.M. Saive).

Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2014 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 afgewezen en aan verzoeker geen verblijfsvergunning regulier als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 in samenhang met artikel 3.6a van het Vreemdelingenbesluit (Vb) en geen uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000 verleend. Tegen dit besluit heeft verzoeker op 17 december 2014 beroep ingesteld.

Gelijktijdig met het ingestelde beroep heeft verzoeker verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2015. Verzoeker is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Hoewel verzoeker kort voor aanvang van de zitting de bode heeft gebeld met de mededeling dat hij wat later zou komen, is verzoeker niet ter zitting verschenen. Op telefonische oproepen van zijn advocaat en van de griffier van de rechtbank gedurende de zitting heeft verzoeker niet gereageerd. De gemachtigde van verzoeker verzocht de rechtbank het onderzoek ter zitting voort te zetten.

Overwegingen

1.1.

Aan de orde is de vraag of er aanleiding bestaat de gevraagde voorziening te treffen. Een dergelijke voorziening kan op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Op grond van artikel 8:86 van de Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Partijen zijn op deze bevoegdheid gewezen.

1.2.

Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Awb onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak.

2. Verzoeker heeft ter onderbouwing van zijn asielaanvraag, kort samengevat, naar voren gebracht dat hij uit Jamaica is weggevlucht, omdat hij wordt bedreigd door de bende van [naam bende], die zijn neef [naam neef] en zijn broer [naam broer] heeft vermoord.

3. Uit het bestreden besluit, waarin wordt overwogen dat de overwegingen uit het voornemen van 12 december 2014 worden overgenomen en als ingelast dienen te worden beschouwd, blijkt dat verweerder verzoeker artikel 31, tweede lid, aanhef en onder c en f, van de Vw 2000 heeft tegengeworpen en dat verweerder zich op het standpunt stelt dat dit de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas op voorhand aantast. Verweerder heeft daarbij overwogen dat als een van de omstandigheden genoemd in artikel 31, tweede lid, onder a tot en met f, van de Vw 2000 zich voordoet, dit afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van de asielzoeker en dat dan van het asielrelaas een positieve overtuigingskracht dient uit te gaan. Verweerder komt vervolgens op basis van verschillende elementen tot de conclusie dat van de verklaringen van verzoeker geen positieve overtuigingskracht uitgaat, dat zijn verklaringen derhalve niet geloofwaardig worden bevonden waardoor verzoeker op grond van die verklaringen niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000.

4. Verzoeker voert aan dat zijn verklaringen ten onrechte ongeloofwaardig zijn bevonden. Verzoeker betoogt in dit verband onder meer dat er sinds 1 januari 2015 sprake is van nieuw beleid, waarbij verzoeker wijst op het Besluit van verweerder van 12 december 2015, nummer WBV 2014/36, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire (WBV 2014/36) en de openbare werkinstructie met nummer 2014/10 van 1 januari 2015 van het hoofd van de IND (werkinstructie 2014/10). Verzoeker betoogt dat de voorzieningenrechter ingevolge artikel 83, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 het nieuwe beleid in zijn beoordeling dient te betrekken. Verzoeker voert aan dat wanneer zijn asielrelaas wordt beoordeeld aan de hand van de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling zoals in het nieuwe beleid is neergelegd, zijn asielrelaas geloofwaardig zal worden bevonden.

5. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het WBV 2014/36 noch de werkinstructie 2014/10 kunnen worden aangemerkt als wijzigingen van beleid als bedoeld in artikel 83, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, maar dat slechts sprake is van een andere uitvoeringspraktijk inzake de wijze van motiveren van afwijzende besluiten waarin tot ongeloofwaardigheid wordt geconcludeerd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van een wijziging van het recht omdat: de toelatingsgronden niet zijn gewijzigd; de omstandigheden die een rol spelen bij de beoordeling van de verklaringen van de vreemdelingen evenmin zijn gewijzigd; slechts de wijze waarop het geloofwaardigheidsoordeel wordt gemotiveerd en toegelicht, verandert; zaken waarin artikel 31, tweede lid, van de Vw 2000 is tegengeworpen en waarin tot ongeloofwaardigheid is geconcludeerd onder WBV 2014/36 en de bijbehorende werkinstructie evenzeer ongeloofwaardig zullen worden geacht, zij het dat de motivering wellicht meer kenbaar en inzichtelijk zal zijn.

6. Nu verzoeker een beroep heeft gedaan op het WBV 2014/36 en de daarbij behorende werkinstructie 2014/10, zal de voorzieningenrechter eerst beoordelen of op grond van artikel 83, eerste lid, aanhef en onder b, in samenhang met het tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 bij de beoordeling van het beroep met het WBV 2014/36 en de werkinstructie 2014/10 rekening moet worden gehouden.

7. Op grond van artikel 83, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 houdt de rechtbank bij de beoordeling van het beroep rekening met wijzigingen van het beleid die na het bestreden besluit zijn bekendgemaakt.

Op grond van artikel 83, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 wordt met de in het eerste lid bedoelde gegevens slechts rekening gehouden indien deze relevant kunnen zijn voor de beschikking omtrent de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 28 en 33.

In artikel 83, derde lid, van de Vw 2000 is bepaald dat met de in het eerste lid bedoelde gegevens geen rekening wordt gehouden voor zover de goede procesorde zich daartegen verzet of de afdoening van de zaak daardoor ontoelaatbaar wordt vertraagd.

Op grond van artikel 83, vijfde lid, Vw 2000 laat verweerder de wederpartij en de rechtbank zo spoedig mogelijk schriftelijk weten of de gegevens, bedoeld in het eerste lid, aanleiding zijn voor handhaving, wijziging of intrekking van het bestreden besluit. De rechtbank kan daarvoor een termijn stellen.

8. Vast staat dat het WBV 2014/36 en de bijbehorende werkinstructie bekend zijn gemaakt na het bestreden besluit: het WBV 2014/36 is bekendgemaakt in de Staatscourant van 24 december 2014 (nummer 36910) en in werking getreden op 1 januari 2015; de werkinstructie 2014/10 is openbaar en bekend gemaakt op 1 januari 2015. De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat de beide regelingen beleidsregels zijn in de zin van artikel 1:3, vierde lid, van de Awb: beide regelingen zijn vastgesteld binnen de bevoegdheid van verweerder tot verlening van een verblijfsvergunning op grond van de artikelen 28 en 33 van de Vw 2000 en beide houden regels in over de wijze waarop de feiten en omstandigheden die ten grondslag worden gelegd aan een asielbeschikking worden vastgesteld en gewogen.

9. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat de beide regelingen wijzigingen inhouden van bestaand beleid als bedoeld in artikel 83, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Het WBV 2014/36 wijzigt bepaalde paragrafen in de Vreemdelingencirculaire 2000. De wijzigingen houden kort gezegd in dat met ingang van 1 januari 2015 bij de beoordeling van een asielrelaas wordt uitgegaan van een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling. Dit nieuwe beoordelingskader komt in de plaats van het beoordelingskader waarbij, wanneer zich een of meer omstandigheden voordoen als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder a tot en met f, van de Vw 2000, van het asielrelaas positieve overtuigingskracht dient uit te gaan. In tegenstelling tot het beoordelingskader van de positieve overtuigingskracht worden in het kader van de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling, nadat de relevante elementen van het asielrelaas zijn vastgesteld, de geloofwaardigheid van die elementen beoordeeld en worden vervolgens de relevante elementen die als geloofwaardig worden aangenomen en de elementen die als ongeloofwaardig worden aangemerkt, niet enkel los van elkaar, maar ook in onderlinge samenhang gewogen. De voorzieningenrechter wijst hierbij op paragraaf C1/3.3 van het WBV 2014/36. Ook de werkinstructie 2014/10 betreft naar het oordeel van de voorzieningenrechter een wijziging van beleid, nu in deze werkinstructie wordt uitgewerkt op welke wijze in de praktijk tot een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling wordt gekomen. Verweerders standpunt dat geen sprake is van een wijziging van beleid, omdat de toelatingsgronden (vluchtelingschap, subsidiaire bescherming) niet zijn gewijzigd, de omstandigheden die een rol spelen bij de beoordeling van de verklaringen van de vreemdelingen niet zijn gewijzigd en slechts de wijze waarop het geloofwaardigheidsoordeel wordt gemotiveerd en toegelicht, verandert, volgt de voorzieningenrechter niet. Nu de omstandigheden die een rol spelen bij de beoordeling van de verklaringen van de vreemdeling onderdeel zijn van de nieuwe integrale geloofwaardigheidsbeoordeling waarbij alle relevante elementen van het asielrelaas dienen te worden gewogen, al dan niet in onderlinge samenhang, gaat het naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet alleen om een gewijzigde motivering, maar ook en vooral om een nieuwe weging van alle relevante elementen uit het asielrelaas van de vreemdeling.

10. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat het WBV 2014/36 en de bijbehorende werkinstructie 2014/10 relevant kunnen zijn voor het onderhavige besluit, waarbij verzoekers aanvraag om aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 is afgewezen. In het bestreden besluit is aan verzoeker tegengeworpen dat sprake is van het toerekenbaar ontbreken van documenten en van niet-onverwijld melden. Volgens het nieuwe beleid leiden deze omstandigheden niet meer tot de conclusie dat van het relaas positieve overtuigingskracht dient uit te gaan, maar worden deze gewogen als onderdeel van de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling. Zo wordt in de werkinstructie 2014/10 uiteengezet dat voor de beoordeling van de geloofwaardigheid gebruik wordt gemaakt van interne en externe geloofwaardigheidsindicatoren, welke vervolgens nader worden beschreven. Daarbij worden ook indicatoren voor de weging gegeven. In de werkinstructie 2014/10 staat bijvoorbeeld vermeld dat vanzelfsprekend zwaar in het nadeel van de vreemdeling weegt, het verstrekken van valse informatie of documenten of het achterhouden van relevante informatie of documenten en dat dat in bepaalde gevallen er zelfs toe kan leiden dat een inhoudelijke beoordeling van de relevante elementen achterwege kan blijven. Ook blijkt uit de werkinstructie dat aan de hand van de geloofwaardigheidsindicatoren wordt beoordeeld hoezeer en door welke zware en lichte omstandigheden de geloofwaardigheid van het relevante element wordt aangetast of versterkt, dat in dat verband een balans dient te worden opgemaakt en dat het resultaat van die weging resulteert in de conclusie of een relevant element als geloofwaardig of als geloofwaardig wordt aangenomen. Vervolgens dient aan het eind van de weging een conclusie te worden getrokken welke relevante elementen als geloofwaardig en welke als niet geloofwaardig worden aangemerkt. Daarbij wordt uitdrukkelijk vermeld dat het daarbij van belang is dat de relevante elementen niet enkel los van elkaar, maar ook in onderlinge samenhang worden gewogen, zeker als relevante elementen die eerst ieder op zich zijn besproken, deel uitmaken van een en dezelfde verhaallijn van elkaar opvolgende gebeurtenissen. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook niet op voorhand uit te sluiten dat de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling niet tot een gunstiger resultaat zou kunnen leiden dan de beoordeling van de positieve overtuigingskracht onder het oude beleid. De voorzieningenrechter deelt daarom niet het standpunt van verweerder dat in zaken waarin artikel 31, tweede lid, van de Vw 2000 is tegengeworpen en waarin tot ongeloofwaardigheid is geconcludeerd, op grond van het WBV 2014/36 en de bijbehorende werkinstructie de relevante elementen ook zonder meer ongeloofwaardig worden geacht. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zal verweerder telkens in concrete zaken gemotiveerd dienen aan te geven op welke wijze in het kader van de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling de relevante elementen los dan wel in onderlinge samenhang zijn gewogen en tot welke uitkomst deze weging heeft geleid. Pas dan kan beoordeeld worden of in een concrete zaak sprake is van een andere uitkomst. Nu naar het oordeel van de voorzieningenrechter het WBV 2014/36 en de bijbehorende werkinstructie 2014/10 relevant kunnen zijn voor de beoordeling van het bestreden besluit, waardoor wordt voldaan aan het vereiste van artikel 83, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, en de in het derde lid van artikel 83 van de Vw 2000 genoemde situaties zich hier niet voordoen, dient bij de beoordeling van het beroep met de beide regelingen rekening te worden gehouden.

11. Verweerder heeft ter zitting als subsidiair standpunt naar voren gebracht dat het asielrelaas van verzoeker onder het WBV 2014/36 ook ongeloofwaardig wordt bevonden en dat de uitkomst van de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling daardoor hetzelfde zal zijn als in het voorliggende besluit. Verweerder heeft ter zitting echter niet inzichtelijk gemaakt op welke wijze de relevante elementen in het asielrelaas van verzoeker onder het nieuwe beleid zijn vastgesteld en gewogen. Hierdoor heeft de voorzieningenrechter geen inzicht gekregen in de wijze waarop verweerder op grond van het nieuwe beleid tot een ongeloofwaardig asielrelaas heeft kunnen komen. Ook heeft verweerder zijn standpunt ter zake niet schriftelijk kenbaar gemaakt. Verweerder heeft daarmee niet voldaan aan de vereisten van artikel 83, vijfde lid, van de Vw 2000. De voorzieningenrechter is in dit verband daarbij van oordeel dat in deze bepaling ligt besloten dat verweerder niet alleen de uitkomst van de beoordeling aan het nieuwe beleid schriftelijk laat weten, maar ook inzicht geeft in de wijze waarop tot die geloofwaardigheidsbeoordeling wordt gekomen. Nu verweerder ter zake geen deugdelijke motivering heeft gegeven, kan de voorzieningenrechter niet beoordelen of het bestreden besluit is genomen met inachtneming van het nieuwe beleid. De rechter mag deze beoordeling niet zelf verrichten en dient bovendien deze beoordeling door verweerder thans nog marginaal te toetsen.

12. Gelet op het wat hiervoor is overwogen zal de voorzieningenrechter het beroep gegrond verklaren wegens schending van artikel 83, vijfde lid, van de Vw 2000 in samenhang met schending van artikel 3:46 van de Awb en het bestreden besluit vernietigen.

13. De voorzieningenrechter ziet geen ruimte om het geschil finaal te beslechten. Het alsnog stellen van een termijn als bedoeld in artikel 83, vijfde lid, van de Vw 2000 dan wel het doen van een tussenuitspraak als bedoeld in artikel 8:51a van de Awb acht de voorzieningenrechter in dit geschil niet aangewezen. Het gaat immers om een principieel verschil van inzicht tussen de voorzieningenrechter en verweerder, zodat, gelet op het standpunt van verweerder ter zitting, een grote kans bestaat dat verweerder het gebrek niet zal herstellen en hoger beroep zal instellen. Het alsnog stellen van een termijn of het doen van een tussenuitspraak zou de afdoening van de zaak onnodig vertragen. De voorzieningenrechter ziet voorts geen mogelijkheden om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Het is aan verweerder om de geloofwaardigheid van verzoekers asielrelaas onder het nieuwe beleid te beoordelen en deze geloofwaardigheidsbeoordeling voldoende inzichtelijk te maken, hetgeen verweerder heeft nagelaten. Nu de rechter de geloofwaardigheidsbeoordeling niet zelf mag verrichten, kan de voorzieningenrechter niet van de bevoegdheden van artikel 8:72, derde lid, van de Awb gebruik maken. Verweerder zal naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook een nieuw besluit op verzoekers aanvraag moeten nemen, met inachtneming van deze uitspraak. Verweerder zal bij het nieuw te nemen besluit verzoekers asielrelaas moeten beoordelen aan de hand van de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling.

14. Vanwege de beslissing in de hoofdzaak, is er geen grond voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening, zodat het verzoek wordt afgewezen.

15. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1461,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 487,- met wegingsfactor 1). Voor vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding, omdat dit niet is verschuldigd.

Beslissing

De voorzieningenrechter,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 14/28430,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van

€ 1461,-

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 14/28431,

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van R.E. Toonen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken

op 30 januari 2015.

griffier

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: NvW

Coll.: GL

D: B

VK

Tegen de uitspraak in de bodemzaak (AWB 14/28430) kunnen partijen binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening (AWB 14/28431) staat geen rechtsmiddel open.