Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:9388

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-08-2015
Datum publicatie
10-08-2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 13627
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

6:19 Awb bij opleggen nieuwe maatregel na asielverzoek

De rechtbank is van oordeel dat bij de beoordeling van het beroep tegen de voortduring van de bewaringsmaatregel ook de periode na het indienen van de asielaanvraag op 24 juli 2015, waarin eiser in bewaring is gesteld op grond van artikel 59b van de Vw 2000, moet worden betrokken. De rechtbank verwijst in dat kader naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 maart 2009 met kenmerk ECLI:NL:RVS:2009:BH6972.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummer: AWB 15/13627

V-nr: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 1976, van (gestelde) Pakistaanse nationaliteit, eiser,

(gemachtigde: mr. M. Spapens),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

(gemachtigde: mr. W. Steenstra).

Procesverloop

Op 5 juni 2015 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 in bewaring gesteld.

Deze rechtbank en zittingsplaats heeft een eerder beroep tegen de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel ongegrond verklaard.

Bij beroepschrift van 14 juli 2015 heeft eiser beroep ingesteld tegen het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel. Daarbij heeft hij opheffing van de maatregel tot bewaring gevorderd en toekenning van schadevergoeding.

Eiser heeft op 24 juli 2015 een asielverzoek gedaan. Verweerder heeft vervolgens de maatregel op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 opgeheven en eiser op grond van artikel 59b Vw 2000 in bewaring gesteld.

De rechtbank heeft het beroep behandeld ter openbare zitting van 28 juli 2015. Eiser is vertegenwoordigd door mr. J.M. Niemer, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde.

Overwegingen

1.
Het onderhavige beroep is een vervolgberoep tegen de toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel. De rechtbank dient te beoordelen of de voortgezette toepassing daarvan sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige beroepsprocedure gerechtvaardigd is te achten.

2.
Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld en dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. Verweerder heeft een Terugkeer en Overnameverzoek (T&O) naar de Pakistaanse autoriteiten verstuurd, maar daarop is tot op heden geen reactie gekomen. Ingevolge artikel 8, tweede lid, van de T&O-overeenkomst EU-Pakistan dient een overnameverzoek zonder uitstel en in ieder geval binnen dertig dagen te worden beantwoord. Als niet binnen de gestelde termijn wordt geantwoord, dan wordt aangenomen dat met de overdracht wordt ingestemd. Gelet daarop had verweerder direct na afloop van die termijn contact op moeten nemen met de Pakistaanse autoriteiten dan wel een vlucht moeten boeken naar Pakistan.

3.1.

Verweerder heeft ter zitting verklaard dat het T&O-verzoek op 22 juni 2015 naar de Pakistaanse autoriteiten is verzonden en dat tot op heden niet is gereageerd op dat verzoek. Verweerder betoogt dat enige voorzichtigheid is geboden in het diplomatieke verkeer met de Pakistaanse autoriteiten. Het zou, gelet op de diplomatieke verhoudingen, niet verstandig zijn om direct uit te gaan van een fictief akkoord als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van bovengenoemde overeenkomst of om direct na het verstrijken van de 30 dagen-termijn navraag te doen bij de Pakistaanse autoriteiten. De algemene ervaring met Pakistan is dat binnen een redelijke termijn antwoord wordt gegeven. Van de mogelijkheid tot een fictief akkoord wordt dan ook geen gebruik gemaakt. Daar komt bij dat eiser op 24 juli 2015 een asielaanvraag heeft ingediend, wat betekent dat verweerder gedurende die asielprocedure in eerste aanleg geen uitzettingshandelingen mag verrichten. Verweerder stelt zich dan ook op het standpunt dat voldoende voortvarend is gehandeld en dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn onder deze omstandigheden kan worden aangenomen.

3.2.

Verweerder heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de omvang van dit vervolgberoep zich beperkt tot de periode tot de datum van opheffing van de maatregel als bedoeld in artikel 59, eerste lid, onder a, Vw 2000 op 24 juli 2015. Op die datum is de grondslag van de bewaring in verband met eisers asielaanvraag gewijzigd in artikel 59b van de Vw 2000 en is een nieuwe maatregel tot bewaring opgelegd. Eiser dient tegen deze nieuwe maatregel apart een eerste beroep in te stellen. Dit kan volgens verweerder worden afgeleid uit de mogelijkheid tot het indienen van hoger beroep, die eiser zou worden ontnomen indien de nieuwe bewaringsmaatregel van 24 juli 2015 wordt betrokken bij de beoordeling van dit vervolgberoep. Artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan daarom niet worden toegepast in onderhavige zaak volgens verweerder.

4.1.

De rechtbank is anders dan verweerder van oordeel dat bij de beoordeling van het beroep tegen de voortduring van de bewaringsmaatregel ook de periode na het indienen van de asielaanvraag op 24 juli 2015 moet worden betrokken. De rechtbank verwijst in dat kader naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 maart 2009 met kenmerk ECLI:NL:RVS:2009:BH6972. In verband met de asielaanvraag van eiser op 24 juli 2015 was voor de inbewaringstelling op grond van artikel 59b van de Vw 2000 een nieuwe maatregel noodzakelijk. Dat neemt evenwel niet weg dat laatstgenoemde maatregel ertoe strekt de bewaring van eiser, zij het op een andere grondslag, te laten voortduren. Het standpunt van verweerder miskent dat tussen opgeheven eerdere maatregel en de daarop aansluitende hernieuwde inbewaringstelling een zodanige samenhang bestaat dat dit laatste besluit is aan te merken als een nieuw besluit dat in de plaats treedt van de voorgaande inbewaringstelling. Gelet daarop betrekt de rechtbank het besluit van 24 juli 2015 met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb bij de beoordeling van het bij haar aanhangige vervolgberoep. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat de bewaring feitelijk voorduurt en dat het zich niet met de vereiste rechtsbescherming van eiser zou verdragen om niet tegelijkertijd te oordelen over de op 24 juli 2015 opgelegde maatregel van artikel 59b Vw 2000. Gelet op bovenstaande deelt de rechtbank niet het standpunt van verweerder dat het al dan niet kunnen indienen van hoger beroep als onderscheidend criterium moet worden aangemerkt voor de vraag of toepassing van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb aan de orde is.

4.2.

Het betoog van eiser dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt, slaagt niet. De reactietermijn op het T&O-verzoek aan de Pakistaanse autoriteiten eindigde op 21 juli 2015. Verweerder moet enige tijd worden gegund om na afloop van die termijn contact op te nemen met de Pakistaanse autoriteiten, gelet op het belang van de goede diplomatieke verhoudingen. Nu eiser op 24 juli 2015 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend, kan verweerder bovendien geen uitzettingshandelingen verrichten. Daar komt bij dat verweerder op 24 juli 2015 nog een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd.

4.3.

De rechtbank overweegt verder dat de door eiser aangevoerde omstandigheden geen aanleiding geven tot het oordeel dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt.

4.4.

De rechtbank overweegt tot slot dat eiser verder geen gronden heeft aangevoerd tegen de inbewaringstelling op grond van artikel 59b van de Vw 2000. Voor zover de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel ambtshalve moet toetsen, ziet zij geen aanleiding om te oordelen dat de voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is.

5. Na beoordeling van de door of namens eiser naar voren gebrachte beroepsgronden, concludeert de rechtbank dat voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel of de wijze van tenuitvoerlegging niet in strijd is met de wet en dat deze bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd is te achten. De rechtbank verklaart het beroep dan ook ongegrond.

6. Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank geen gronden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 106 van de Vw 2000 of artikel 8:75 van de Awb.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep tegen de voortduring van de maatregel als bedoeld in artikel 59, eerste lid, onder a, van de Vw 2000 ongegrond;

- verklaart het beroep tegen de maatregel als bedoeld in artikel 59b van de Vw 2000 ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Langeveld, rechter, in aanwezigheid van
D.P. van Middelkoop, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2015.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: EvM

Coll:

D: C

VK

Tegen de uitspraak op het vervolgberoep staat géén hoger beroep open.

Tegen de uitspraak op het beroep tegen de maatregel van artikel 59b Vw 2000 kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

.