Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:9214

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-06-2015
Datum publicatie
06-08-2015
Zaaknummer
C/09/481541 / FA RK 15-531
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

scheiding / zorgregeling / afwikkeling huwelijkse voorwaarden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer

Rekestnummers: (I) FA RK 14-3059 (scheiding) / FA RK 14-8439 (afwikkeling HV) (II) FA RK 15-531 (VV)

Zaaknummers: (I) C/09/464730 (scheiding) / C/09/476232 (afwikkeling HV)

(II) C/09/481541 (VV)

Datum beschikking: 16 juni 2015

Scheiding en voorlopige voorzieningen

Beschikking op de op 24 april 2014 (I) en 23 januari 2015 (II) ingekomen verzoeken van:

[de vrouw] ,

de vrouw,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. M.J.F.A. Mutsaers te Haarlem.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. M.G. Weitkamp te Gouda.

Procedure

Ten aanzien van de hoofdzaak (I) scheiding/afwikkeling huwelijkse voorwaarden

Bij beschikking d.d. 16 maart 2015 van deze rechtbank is – voor zover hier van belang –:

  • -

    de echtscheiding tussen partijen uitgesproken;

  • -

    de zaak verwezen naar de meervoudige kamer;

  • -

    iedere verdere beslissing ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen, de zorgregeling, de kinder- en partneralimentatie, het voortgezet gebruik van de echtelijke woning en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden aangehouden.

De rechtbank heeft vervolgens de volgende stukken ontvangen:

  • -

    het f-formulier met bijlagen d.d. 13 april 2015 van de zijde van de vrouw;

  • -

    de brief met bijlagen d.d. 8 mei 2015 van de zijde van de vrouw;

  • -

    de brief met bijlagen d.d. 11 mei 2015 van de zijde van de man;

  • -

    de brief met bijlagen d.d. 2 juni 2015 van de zijde van de man;

  • -

    de brief met bijlagen d.d. 3 juni 2015 van de zijde van de vrouw.

De echtscheidingsbeschikking is op 9 april 2015 ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.

Ten aanzien van zaak (II) wijziging voorlopige voorzieningen

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift;

  • -

    het verweerschrift;

  • -

    het verweerschrift op het zelfstandig verzoek.

Ten aanzien van beide zaken (I) en (II)

De minderjarige [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , heeft op 19 mei 2015 in raadkamer zijn mening kenbaar gemaakt.

Op 19 mei 2015 zijn de zaken ter terechtzitting van deze rechtbank gevoegd behandeld. Hierbij zijn verschenen: partijen en hun advocaten almede mevrouw [naam] en mevrouw [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad)

(Aanvullend) Verzoek en verweer

Ten aanzien van zaak (I) scheiding/afwikkeling huwelijkse voorwaarden

De man heeft aanvullend verzocht te bepalen dat de vrouw gehouden is de vast te stellen zorgregeling na te komen op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250 per dag dat zij hiermee in gebreke is.

Ten aanzien van zaak (II) wijziging voorlopige voorzieningen

Bij beschikking voorlopige voorzieningen van deze rechtbank d.d. 13 mei 2014 – voor zover hier van belang –:

  • -

    is bepaald dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning;

  • -

    zijn de minderjarigen aan de vrouw toevertrouwd;

  • -

    is een voorlopige zorgregeling vastgesteld waarbij de man gerechtigd is de minderjarigen bij zich te hebben:

  • -

    om het weekend van donderdag 18:00 uur tot maandagochtend naar school, inclusief de overnachtingen;

  • -

    de helft van de vakanties;

  • -

    een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige partneralimentatie van € 662 per maand vastgesteld;

  • -

    een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige kinderalimentatie van € 374 per maand per kind vastgesteld.

De vrouw verzoekt thans nog voormelde beschikking te wijzigen in die zin dat de rechtbank:

  • -

    een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige partneralimentatie van € 2.500 per maand vaststelt, met ingang van 15 januari 2015, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

  • -

    een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige kinderalimentatie van € 539 per maand per kind voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 3] en € 456 per maand voor [de minderjarige 2] vaststelt, met ingang van 1 januari 2015, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

een en ander met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De vrouw doet haar verzoek steunen op de stelling dat de omstandigheden na de dagtekening van de beschikking zijn gewijzigd.

De man heeft verweer gevoerd strekkende tot afwijzing van de verzoeken van de vrouw.

Beoordeling

Ten aanzien van de hoofdzaak (I)scheiding/afwikkeling huwelijkse voorwaarden

De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist, voor zover in de beschikking d.d. 16 maart 2015 niet anders wordt overwogen of beslist.

De hoofdverblijfplaats van de kinderen

Nu niet gebleken is dat het belang van de kinderen zich hiertegen verzet, kan het verzoek van de vrouw om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar te bepalen, als niet weersproken en op de wet gegrond worden toegewezen.

De zorgregeling

Ten aanzien van [de minderjarige 2]

Vaststaat dat voor [de minderjarige 2] thans een zorgregeling geldt waarbij hij een weekend per twee weken van vrijdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school bij de man verblijft. Daarnaast begeleidt de man op maandag en woensdag de voetbaltrainingen en op zaterdag de voetbalwedstrijden van [de minderjarige 2] .

De man wenst deze regeling uit te breiden met een extra doordeweekse dag en nacht. De vrouw kan niet instemmen met de door de man gewenste uitbreiding. Zij is van mening dat uitbreiding van de huidige regeling met een doordeweekse dag niet in het belang van [de minderjarige 2] is. Zij heeft erop gewezen dat [de minderjarige 2] chaotisch is en regelmaat juist erg belangrijk voor hem is, zeker nu hij na de zomervakantie naar de middelbare school gaat. Zij heeft er echter geen probleem mee als [de minderjarige 2] zo nu en dan op een doordeweekse avond bij de man gaat eten.

De rechtbank stelt vast dat de huidige zorgregeling tussen [de minderjarige 2] en de man op goede wijze verloopt. Mede gelet op de kwetsbare verhouding tussen de man en de andere twee kinderen en het gegeven dat met [de minderjarige 3] zal worden toegewerkt naar een zorgregeling waarbij zij een weekend per twee weken van vrijdag uit school tot maandag naar school bij de man zal zijn, acht de rechtbank de door de man gewenste uitbreiding van de zorgregeling met [de minderjarige 2] thans niet aan de orde. De rechtbank acht het namelijk in het belang van de kinderen dat er bij het vaststellen van een zorgregeling – voor zover mogelijk – zo min mogelijk onderscheid tussen hen wordt gemaakt. Daarom zal de rechtbank de regeling tussen [de minderjarige 2] en de man zoals die thans feitelijk wordt uitgevoerd in de beschikking vastleggen.

Ten aanzien van [de minderjarige 3]

Vaststaat dat [de minderjarige 3] sinds september 2014 geen contact meer met de man heeft. Zij heeft onlangs het begeleidingstraject ‘Eigenwijs’ van Stek Jeugdhulp doorlopen en zij heeft nadien aan de vrouw te kennen gegeven dat zij weer contact met de man wenst en dat zij wil toewerken naar een regeling waarbij zij een weekend per twee weken bij de man is.

Ter terechtzitting hebben partijen besproken dat de ouderbegeleidingspsychologe waarmee partijen thans reeds contact hebben (hierna ook: de ouderbegeleidingspsychologe) een begeleidende rol zal kunnen vervullen bij het opbouwen van de contacten tussen [de minderjarige 3] en de man. Volgens de vrouw dient daarbij door de ouderbegeleidingspsychologe te worden bepaald op welke wijze en in welk tempo de contacten zullen worden opgebouwd. De man wil daarentegen dat de rechtbank een concrete opbouwregeling vaststelt.

De rechtbank is van oordeel dat binnen een periode van vier maanden vanaf heden dient te worden toegewerkt naar een regeling waarbij [de minderjarige 3] een weekend per twee weken van vrijdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school bij de man is (dezelfde regeling als [de minderjarige 2] ). De rechtbank laat het hierbij aan de deskundigheid van de ouderbegeleidingspsychologe over om met partijen en [de minderjarige 3] te bespreken welke stappen in deze vier maanden dienen te worden genomen om tot een zo optimaal mogelijke opbouwregeling te komen. De rechtbank zal aldus beslissen.

Ten aanzien van [de minderjarige 1]

Vaststaat dat [de minderjarige 1] sinds Pasen 2014 geen contact meer met de man heeft. Tijdens het kindgesprek op 19 mei 2015 heeft [de minderjarige 1] te kennen gegeven dat hij de vrijheid wil hebben om contact met de man te zoeken op een moment dat hij daar klaar voor is. Hij heeft verder verklaard dat hij mogelijk wel openstaat voor een gesprek met de man indien de man hem hiervoor zou uitnodigen.

De man heeft ter terechtzitting verklaard dat hij [de minderjarige 1] graag zou willen uitnodigen voor een gesprek. Vervolgens hebben partijen afgesproken dat de ouderbegeleidingspsychologe gevraagd zal worden hierbij een begeleidende rol te vervullen in die zin dat de man met de ouderbegeleidingspsychologe zal bespreken op welke wijze hij [de minderjarige 1] zal uitnodigen voor een gesprek. Ook zal worden besproken of de aanwezigheid van de ouderbegeleidingspsychologe bij een eerste gesprek mogelijk en gewenst is, waarbij rekening wordt gehouden met de ideeën van [de minderjarige 1] hierover.

De rechtbank spreekt de hoop uit dat het gesprek tussen de man en [de minderjarige 1] daadwerkelijk zal plaatsvinden en dat dit gesprek ertoe zal leiden dat de man en [de minderjarige 1] weer mogelijkheden zien om hun onderlinge verstandhouding als vader en zoon te normaliseren en dat er op termijn weer een positief contact tussen hen tot stand komt. Gelet op de leeftijd van [de minderjarige 1] en zijn (tot op heden) negatieve houding ten opzichte van de man, acht de rechtbank het thans nog te vroeg om een vastomlijnde zorgregeling vast te stellen of om gereguleerd toe te werken naar een dergelijke regeling, zoals door de man verzocht.

De rechtbank gaat ervan uit dat partijen in onderling overleg afspraken zullen maken over het contact tussen de man en [de minderjarige 1] zodra dit mogelijk is. Hierbij dienen de wensen van [de minderjarige 1] een belangrijke rol te spelen. De rechtbank zal, gelet op het voorgaande, beslissen als na te melden.

Dwangsom

De rechtbank ziet in het door de man gestelde onvoldoende aanleiding om een dwangsom aan de zorgregelingen met [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] te verbinden. De man heeft – in het licht van de toezeggingen van de vrouw ter terechtzitting – onvoldoende concrete feiten gesteld waaruit volgt dat de vrouw deze regelingen niet dan wel niet naar behoren zal nakomen. Daar komt bij dat het opleggen van een dwangsom de verhoudingen tussen partijen wederom op scherp zal stellen. Gelet op het voorgaande, zal de rechtbank het verzoek van de man op dit punt afwijzen.

Tot slot

De rechtbank verwacht tot slot van beide ouders dat zij zich – in het belang van de kinderen en in het verlengde hiervan ter bevordering van een gezond contact tussen de man en de kinderen – ten volle zullen inzetten om hun onderlinge communicatie te verbeteren. Hierbij acht de rechtbank het van belang dat de ouders over en weer respect hebben voor elkaars (gezins)situatie, dat zij vertrouwen in elkaar stellen en dat zij steeds het belang van de kinderen voorop stellen. In dit verband merkt de rechtbank op dat partijen ter terechtzitting hebben afgesproken dat de man zal aanschuiven bij het volgende overleg van het traject

“1 Gezin, 1 Plan” op 2 juli 2015 en dat de ouders van de vrouw eerst in een later stadium hierbij zullen worden betrokken.

Het voortgezet gebruik van de echtelijke woning

Het verzoek van de vrouw kan als niet weersproken en op de wet gegrond worden toegewezen.

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden en verdeling eenvoudige gemeenschappen

Partijen hebben ter terechtzitting overeenstemming bereikt over de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en de verdeling van de eenvoudige gemeenschappen. Zij hebben een regeling getroffen die is vastgelegd in de door hen op 19 mei 2015 ondertekende vaststellingsovereenkomst. Partijen hebben eensluidend verzocht deze overeenkomst aan de beschikking te hechten. Zij hebben het meer of anders verzochte ten aanzien van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en de verdeling van de eenvoudige gemeenschappen ingetrokken.

De rechtbank zal de door partijen getroffen onderlinge regeling, zoals neergelegd in de vaststellingsovereenkomst d.d. 19 mei 2015, in de beschikking opnemen.

Kinder- en partneralimentatie

Ten aanzien van de hoofdzaak (I) scheiding/afwikkeling huwelijkse voorwaarden

ten aanzien van zaak (II) wijziging voorlopige voorzieningen

Zoals ter terechtzitting besproken is de kinder- en partneralimentatie behandeld ter zitting van 10 juni 2015. Iedere verdere beslissing ten aanzien van de kinder- en partneralimentatie zal worden aangehouden.

Beslissing

De rechtbank:

in de hoofdzaak (I)

bepaalt dat de minderjarigen:

  • -

    [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;

  • -

    [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;

  • -

    [de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw, en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad;

*

bepaalt dat de minderjarige [de minderjarige 2] bij de man zal zijn:

- een weekend per twee weken van vrijdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school,

waarbij de man binnen en buiten zijn zorgtijd zorgt voor begeleiding van [de minderjarige 2] bij de beoefening van zijn voetbalsport;

bepaalt dat de minderjarige [de minderjarige 3] met ingang van 1 november 2015 bij de man zal zijn:

- een weekend per twee weken van vrijdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school,

waarbij partijen met de ouderbegeleidingspsychologe en [de minderjarige 3] zullen bespreken op welke wijze de opbouw van de contacten tussen de man en [de minderjarige 3] zal plaatsvinden;

bepaalt dat de minderjarige [de minderjarige 1] bij de man zal zijn:

- op momenten, in onderling overleg tussen partijen en [de minderjarige 1] te bepalen, waarbij de wensen van [de minderjarige 1] worden gerespecteerd;

verklaart deze zorgregelingen uitvoerbaar bij voorraad;

*

bepaalt dat de vrouw jegens de man bevoegd is de bewoning van de woning te [adres] , en het gebruik van de zaken, die behoren bij deze woning en tot de inboedel daarvan, voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand (te weten 9 april 2015), en verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

*

neemt op de door partijen getroffen onderlinge regeling ter zake de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en de verdeling van de eenvoudige gemeenschappen, zoals neergelegd in de (in fotokopie) aan deze beschikking gehechte vaststellingsovereenkomst d.d. 19 mei 2015, en verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

*

houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de kinder- en partneralimentatie aan;

*

in de voorlopige voorzieningenprocedure (II)

houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de kinder- en partneralimentatie aan.

*

Deze beschikking is gegeven door mrs. W.G. de Boer, M. van Paridon en H. Dragtsma, tevens kinderrechters, bijgestaan door mr. A.W. Spee als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 juni 2015.