Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:9182

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-08-2015
Datum publicatie
06-08-2015
Zaaknummer
AWB 15/13179, 15/13178
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft de homoseksuele geaardheid van verzoeker ongeloofwaardig geacht. Verweerder heeft ter zitting naar voren gebracht dat het beroep op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2170) niet kan slagen, omdat die uitspraak zag op oudere zaken, in samenhang met het feit dat verweerder thans gebruikt maakt van een interne gedragslijn, die voldoet aan de materiële eisen die de Afdeling in de uitspraak heeft gesteld. Er is bij het gehoor in de onderhavige zaak gebruik gemaakt van een interne gedragslijn die geldt sinds april 2014. Deze wordt gebruikt bij aanvragen waarbij homoseksualiteit als asielmotief wordt aangevoerd en vertoont gelijkenis met de gedragslijn die in het geval van een bekering wordt gebruikt. In deze gedragslijn staan relevante aspecten voor de geloofwaardigheid van een gestelde seksuele geaardheid. De thema’s zijn niet limitatief. Deze gedragslijn is niet openbaar, vanwege de omstandigheid dat asielzoekers hun gehoor zouden kunnen gaan inrichten aan de hand van deze gedragslijn. Verweerder verwijst naar een uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2014 (201306759/1) waaruit blijkt dat een goede motivering in het besluit kan ondervangen dat geen sprake is van een op voorgeschreven wijze bekendgemaakte gedragsregel.

Verweerder heeft uiteengezet, dat verzoeker is gehoord aan hand van de volgende negen thema’s:

1) Privéleven, familie en religie. Het gaat om de eigen ervaringen van betrokkene en het acceptatieproces.

2) Relaties, zowel de huidige als de vorige relaties.

3) Familie en vrienden. Het gaat om hoe de coming-out van betrokkene verlopen is.

4) Homoseksuele contacten in het land van herkomst.

5) Contact met en kennis van homoseksuele groepen in het land van herkomst.

6) Contact met homoseksuelen in Nederland.

7) Kennis van de Nederlandse situatie met betrekking tot homoseksuelen.

8) Discriminatie, repressie en vervolging in het land van herkomst.

9) Toekomst.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat, daargelaten het antwoord op de vraag of verweerder met de ter zitting gegeven uiteenzetting over de door hem gevolgde interne gedragslijn tegemoetkomt aan de bezwaren van de Afdeling zoals genoemd in rechtsoverweging 7.3 van de uitspraak van 8 juli 2015, verweerder niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe hij aan de hand van de uitkomsten van zijn onderzoek de beoordeling van de geloofwaardigheid van een gestelde homoseksuele gerichtheid in het algemeen pleegt te verrichten en hoe hij deze naar aanleiding van de verklaringen van verzoeker in de onderhavige zaak heeft verricht. Daarnaast heeft verweerder met name niet inzichtelijk gemaakt op welke vragen en antwoorden van verzoeker het zwaartepunt ligt en hoe hij de door verzoeker gegeven antwoorden heeft gewaardeerd en onderling gewogen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de beoordeling van het asielrelaas in dit geval niet voldoet aan de eisen zoals genoemd in rechtsoverwegingen 7.4 en 7.6 van de uitspraak van 8 juli 2015. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder onvoldoende deugdelijk gemotiveerd waarom de seksuele gerichtheid van verzoeker ongeloofwaardig is, zodat het bestreden besluit in strijd is met artikelen 3:2 en 3:46 Awb. De voorzieningenrechter heeft het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 15/13179 (voorlopige voorziening)

AWB 15/13178 (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 augustus 2015 in de zaak tussen

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum] , van Burundese nationaliteit,

verzoeker,

(gemachtigde: mr. M.M. Polman, advocaat te Rotterdam),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

(gemachtigde: mr. I. Boon, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 7 juli 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen en tegen hem een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten tot vier weken nadat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juli 2015. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

  2. Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Er bestaat in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

  3. Verzoeker heeft op 30 september 2005 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 9 november 2005 ingewilligd en heeft aan verzoeker voornoemde vergunning op grond van artikel 29, eerste lid, sub d van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) verleend, met ingang van 30 september 2005 geldig tot 30 september 2010. Bij besluit van 9 februari 2010 heeft verweerder de aan verzoeker verleende verblijfsvergunning ingetrokken met ingang van 19 juni 2006, waarbij verzoekers asielrelaas ongeloofwaardig is bevonden. Bij uitspraak van 12 januari 2011 (AWB 10/9088) heeft rechtbank ‘s-Gravenhage het door verzoeker hiertegen ingediende beroep van ongegrond verklaard. Deze uitspraak is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) bevestigd bij uitspraak van 19 juli 2011 (201101955/1/V2, www.raadvanstate.nl). Verzoeker heeft op 28 juni 2011 een aanvraag voor een asielvergunning voor onbepaalde tijd ingediend. Deze aanvraag is afgewezen. Deze rechtbank, zittingsplaats Dordrecht heeft op 20 april 2012 het beroep van verzoeker ongegrond verklaard. De Afdeling heeft die uitspraak in hoger beroep bevestigd. Verzoeker heeft op 16 juni 2012 een herhaalde aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ingediend, welke aanvraag bij besluit van 23 april 2014 is afgewezen. Deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg heeft op 28 augustus 2014 het beroep van verzoeker ongegrond verklaard. In 2012 heeft verzoeker een aanvraag ingediend om toepassing van artikel 64 Vw, welke aanvraag is afgewezen en het bezwaar hiertegen is ongegrond verklaard. Het ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 10 september 2013 ongegrond verklaard. De Afdeling heeft die uitspraak in hoger beroep bevestigd.
    Voorliggende aanvraag heeft verzoeker ingediend op 24 juni 2015.

  4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in het licht van de jurisprudentie van de Afdeling, waaronder de uitspraak van 17 januari 2011 in zaak nr. 200907394/1/V2 (www.raadvanstate.nl), in voorliggende zaak sprake is van een besluit dat materieel vergelijkbaar is met het besluit van 9 februari 2010. Weliswaar is verzoekers verblijfsvergunning bij het besluit van 9 februari 2010 ingetrokken en gaat het in de huidige procedure om een aanvraag voor een verblijfsvergunning, maar dat beide besluiten strekken tot het onthouden van dezelfde vergunning. Gelet hierop moet thans beoordeeld worden of aan de voorliggende aanvraag nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd.

  5. Uit het ne bis in idem beginsel vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit een materieel vergelijkbaar besluit wordt genomen, op voorhand moet worden aangenomen dat laatstgenoemd besluit door de bestuursrechter niet mag worden getoetst als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien door de vreemdeling in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst. Dat geldt ook indien uit hetgeen de vreemdeling heeft aangevoerd kan worden afgeleid dat zich een voor hem relevante wijziging van het recht voordoet.

5.1

De voorzieningenrechter beoordeelt ambtshalve of aan de aanvraag nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd. Daaronder moeten worden begrepen feiten en omstandigheden die zijn voorgevallen na het nemen van het eerdere besluit of die niet voor het nemen van dat besluit konden worden aangevoerd en bewijsstukken van reeds eerder aangevoerde feiten of omstandigheden die niet voor het nemen van het eerdere besluit konden worden overgelegd. Dergelijke nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden rechtvaardigen echter geen nieuwe rechterlijke beoordeling, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan het eerdere besluit.

6. Verzoeker heeft aan zijn huidige aanvraag ten grondslag gelegd dat hij homoseksueel is en dat hij hierdoor problemen heeft ondervonden. Verzoeker vreest ten gevolge van zijn homoseksualiteit voor vervolging bij terugkeer. Verzoeker is zich al in Burundi tijdens zijn adolescentie bewust geworden van zijn homoseksuele geaardheid. Verzoekers werkgever heeft aan de politie doorgegeven dat verzoeker homoseksueel is. Verzoeker is in 2005 opgepakt door de politie en drie dagen gevangen gehouden. De oom van verzoeker heeft geregeld dat verzoeker kon worden opgenomen in het ziekenhuis en met behulp van een vriend is verzoeker uit het ziekenhuis ontsnapt en heeft hij het land van herkomst verlaten. Verzoeker heeft voorts als reden voor zijn aanvraag naar voren gebracht dat hij tot de islam is bekeerd.

7. Verweerder heeft de aanvraag van verzoeker afgewezen op de volgende gronden. Het asielrelaas van verzoeker bevat de volgende elementen.
1. De stelling dat verzoeker homoseksueel is, dat hij hierdoor problemen heeft ondervonden en dat hij ten gevolge van zijn homoseksualiteit bij terugkeer naar zijn land van herkomst vreest voor vervolging;
2. De stelling dat hij tot de islam is bekeerd en ten gevolge hiervan bij terugkeer naar zijn land van herkomst problemen vreest.
Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de verklaringen van verzoeker over zijn homoseksuele geaardheid niet geloofwaardig zijn en heeft hieraan, onder meer het volgende, ten grondslag gelegd dat:
- verzoeker tijdens de voorgaande asielprocedures geen gewag heeft gemaakt van zijn gestelde homoseksualiteit, terwijl hij hiervan tijdens die procedure wel op de hoogte was en heeft verklaard dat zijn gestelde homoseksualiteit reden is geweest voor zijn vertrek;
- verzoeker veel eerder tijdens een opvolgende aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd zijn gestelde homoseksualiteit had kunnen aanvoeren en dit pas heeft aangevoerd toen uitzetting naar zijn land van herkomst op handen was;
- verzoeker over de wijze waarop hij heeft gesteld zijn homoseksuele gevoelens te hebben ontdekt, tegenstrijdige en ongerijmde verklaringen heeft afgelegd;
- verzoeker slechts in algemene en oppervlakkige termen en op summiere wijze kan verklaren over de wijze waarop hij op een bepaald moment homoseksuele gevoelens heeft ontwikkeld. Van verzoeker mag worden verwacht dat hij meer en uitgebreider kan verklaren over het proces, dat hij (al dan niet) heeft doorlopen en wat dit (al dan niet) met hem heeft gedaan, zeker gelet op het land waar hij vandaan komt en de intolerantie die daar heerst ten opzichte van homoseksualiteit;
- het ten zeerste bevreemdt dat hij, ondanks zijn verklaring dat hij toen hij erachter kwam dat hij op mannen viel dit “gewoon is geweest”, met een vrouw is getrouwd;
- verzoeker op 28 maart 2006 nog een schriftelijk verzoek heeft gedaan om afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf voor zijn vrouw;
- de door verzoeker gestelde onveilige situatie in Burundi voor homoseksuelen niet strookt met de door hem gestelde wijze waarop hij voor de eerste keer op een openbaar feest een man zou hebben benaderd;
- verzoeker niet nader heeft kunnen onderbouwen hoe hij een evenwicht heeft kunnen vinden tussen zijn gestelde homoseksualiteit en zijn bekering tot de islam;
- het bevreemdend is dat verzoeker, gezien de volgens hem onveilige situatie in Burundi voor homoseksuelen en hij geen homogelegenheden in Burundi heeft gekend, zo veel relaties met mannen heeft gehad en hij het aantal relaties in dit verband niet heeft kunnen tellen. Ongerijmd is dat hij hier zelfs geen schatting van heeft kunnen maken;
- verzoeker heeft verklaard dat homoseksualiteit in Burundi strafbaar is, maar niet naar voren heeft kunnen brengen waar dit in wet staat. Op het moment van vertrek van verzoeker uit zijn land van herkomst in 2005 was homoseksualiteit in zijn land van herkomst nog niet strafbaar gesteld;
- het bevreemdt dat verzoeker geen melding heeft gemaakt van de omstandigheid dat pas in 2009 homoseksualiteit in Burundi strafbaar is gesteld;
- verzoeker gevallen kent van strafrechtelijke gevolgen van LHBT’s in zijn land van herkomst, doch in dit verband geen namen van personen noch gegevens over strafzaken heeft kunnen noemen;
- verzoeker geen gelegenheden voor homoseksuelen in Burundi kent;
- verzoeker de homo-vlag niet kent, hetgeen ten zeerste bevreemdt, zeker na een verblijf van 10 jaar in Nederland;
- ongerijmd wordt geacht dat [naam 1] , die zelf homoseksueel is, aan de werkgever zou hebben doorgegeven dat verzoeker homoseksueel is;
- ongerijmd is dat een oom van verzoeker hem na drie dagen gevangenis heeft kunnen meenemen naar een ziekenhuis;
- opgemerkt wordt dat eerst op 3 juli 2009 de eerste homoseksueel is opgepakt conform de wet anti-homoseksualiteit naar aanleiding van zijn geaardheid;
- verzoeker over de relatie in Nederland onvoldoende informatie naar voren heeft kunnen brengen;
- verzoeker expliciet heeft verklaard dat hij niets over de LHBT-gemeenschappen in Nederland weet en, anders dan met [naam 2] , geen andere contacten met homoseksuelen in Nederland heeft en er niet van op de hoogte is dat er bars zijn waar homoseksuelen elkaar ontmoeten en daar nooit is geweest;
- ongerijmd is dat verzoeker geen verschil heeft gezien tussen het leven van homoseksuelen in Burundi en in Nederland;
- niet op de hoogte is van de viering van gay-pride in Nederland;
- niets weet over de rechten van homoseksuelen;
- ongerijmd wordt geacht dat verzoeker in Burundi zoveel relaties heeft gehad met mannen dat hij hier zelfs geen schatting van heeft kunnen maken, terwijl hij in Nederland op een enkele gestelde relatie met ene [naam 2] na, geen relaties heeft gehad.

8. De voorzieningenrechter stelt vast dat de gronden van beroep zich enkel richten tegen het standpunt van verweerder in het bestreden besluit dat de gestelde homoseksuele geaardheid van verzoeker ongeloofwaardig wordt geacht.

9. De voorzieningenrechter ziet zich voor de vraag gesteld of verzoekers gestelde homoseksuele geaardheid als nieuw feit moet worden aangemerkt. De gestelde homoseksuele geaardheid is naar het oordeel van de voorzieningenrechter nieuw, nu verzoeker tijdens de eerdere asielprocedures hierover niet heeft verklaard. In dit verband acht de voorzieningenrechter de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2015, 201110141/1/V2, 201208550/1/V2 en 201210441/1/V2, ECLI:NL:RVS:2015:2170 (hierna: de uitspraak van 8 juli 2015) van belang, waarin de Afdeling heeft overwogen dat uit de aard van het asielmotief en de wijze waarop verweerder de geloofwaardigheid van de verklaringen daarover onderzoekt, voortvloeit dat ter beantwoording van de vraag of die seksuele gerichtheid een nieuw gebleken feit of omstandigheid is, aan de vreemdeling niet mag worden tegengeworpen dat hij niet eerder over zijn seksuele gerichtheid heeft verklaard en dat de bestuursrechter het besluit kan toetsen als ware het een eerste weigering. De voorzieningenrechter zal het bestreden besluit derhalve inhoudelijk toetsen.

10. Verzoeker betoogt, onder verwijzing naar bovengenoemde uitspraak van 8 juli 2015, dat het bestreden besluit niet op een zorgvuldige wijze is voorbereid. Niet is inzichtelijk gemaakt op grond waarvan verweerder de vragen stelt over de geaardheid en niet is gebleken dat die vragen voortkomen uit een vastgestelde op de aard van het asielrelaas toegespitste onderzoekssystematiek. Daarnaast heeft verzoeker het besluit op een aantal inhoudelijke punten betwist.

11. De voorzieningenrechter zal eerst ingaan op de beroepsgrond die het meest verstrekkend is, inhoudende dat reeds nu de besluitvorming niet inzichtelijk is, het besluit geen stand kan houden.

11.1

Verweerder heeft ter zitting naar voren gebracht dat het beroep op de uitspraak 8 juli 2015 niet kan slagen, omdat die uitspraak zag op oudere zaken, in samenhang met het feit dat verweerder thans gebruikt maakt van een interne gedragslijn, die voldoet aan de materiële eisen die de Afdeling in de uitspraak heeft gesteld. Er is bij het gehoor in de onderhavige zaak gebruik gemaakt van een interne gedragslijn die geldt sinds april 2014. Deze wordt gebruikt bij aanvragen waarbij homoseksualiteit als asielmotief wordt aangevoerd en vertoont gelijkenis met de gedragslijn die in het geval van een bekering wordt gebruikt. In deze gedragslijn staan relevante aspecten voor de geloofwaardigheid van een gestelde seksuele geaardheid. De thema’s zijn niet limitatief. Deze gedragslijn is niet openbaar, vanwege de omstandigheid dat asielzoekers hun gehoor zouden kunnen gaan inrichten aan de hand van deze gedragslijn. Verweerder verwijst naar een uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2014, 201306759/1, waaruit blijkt dat een goede motivering in het besluit kan ondervangen dat geen sprake is van een op voorgeschreven wijze bekendgemaakte gedragsregel.
Verweerder heeft uiteengezet, dat verzoeker is gehoord aan hand van de volgende negens thema’s:
1) Privéleven, familie en religie. Het gaat om de eigen ervaringen van betrokkene en het acceptatieproces.
2) Relaties, zowel de huidige als de vorige relaties.
3) Familie en vrienden. Het gaat om hoe de coming-out van betrokkene verlopen is.
4) Homoseksuele contacten in het land van herkomst.
5) Contact met en kennis van homoseksuele groepen in het land van herkomst.
6) Contact met homoseksuelen in Nederland.
7) Kennis van de Nederlandse situatie met betrekking tot homoseksuelen.
8) Discriminatie, repressie en vervolging in het land van herkomst.
9) Toekomst.
Verzoeker is aan de hand van deze thema’s gehoord, wat blijkt uit de kopjes in het verslag van het gehoor opvolgende aanvraag en het is toegespitst op de individuele situatie van verzoeker. Verweerder heeft ter zitting voorts herhaald de gronden zoals genoemd in rechtsoverweging 7 waarop de ongeloofwaardigheid van de seksuele geaardheid is gebaseerd en stelt dat daarmee sprake is van een, op de aard van het asielrelaas, vastgestelde onderzoekssystematiek, dat duidelijk is hoe hij vervolgens aan de hand van de uitkomsten van zijn onderzoek de beoordeling van de geloofwaardigheid van een gestelde seksuele gerichtheid pleegt te verrichten en hoe hij deze naar aanleiding van het asielrelaas van verzoeker heeft verricht. Voorts stelt verweerder dat hij inzichtelijk heeft gemaakt op welke vragen en antwoorden, in het concrete geval, in het licht van het asielrelaas van verzoeker het zwaartepunt ligt en hoe de door verzoeker gegeven antwoorden zijn gewaardeerd en onderling gewogen.

Daarbij geldt dat, anders dan in de zaken waarop de uitspraak van de Afdeling ziet, verweerder het asielrelaas van verzoeker heeft getoetst aan de hand van de integrale geloofwaardigheidstoets en uit het besluit blijkt hoe de verklaringen zijn getoetst en gewogen.

11.2

In de uitspraak van 8 juli 2015 heeft de Afdeling, – voor zover van belang – het volgende overwogen:

“Beoordeling van een seksuele gerichtheid

7. De door het Hof geformuleerde grenzen scheppen een algemeen kader waarbinnen de staatssecretaris de beoordeling van de geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid in een concreet geval mag verrichten. Teneinde de bestuursrechter in staat te stellen de zorgvuldigheid en motivering van besluiten, als bedoeld in de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht, te toetsen in het licht van deze grenzen, moet de staatssecretaris evenwel inzichtelijk maken op welke wijze hij die beoordeling daadwerkelijk in een concrete zaak heeft verricht. Hierbij is met name van belang het soort vragen dat de staatssecretaris heeft gesteld en de wijze waarop hij de antwoorden op die vragen onderling heeft gewogen. Het gaat er hierbij niet alleen om dat de staatssecretaris inzichtelijk maakt wat hij niet doet bij het onderzoek naar de geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid, maar ook hoe hij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid met inachtneming van artikel 4 van Richtlijn 2004/83 wél heeft ingericht.
(…)
7.2 Anders dan voor zaken waarin een geloofsovertuiging als asielmotief wordt aangevoerd, heeft de staatssecretaris voor het onderzoek naar een gestelde seksuele gerichtheid geen specifiek op die asielzoekers toegespitste vragenlijst ontwikkeld waarin hij categorieën van vragen heeft opgenomen, zoals vragen over de wijze en het moment waarop een vreemdeling tot besef van zijn seksuele gerichtheid is gekomen en wat dit voor hem en zijn omgeving heeft betekend, wat de situatie is voor personen met die gerichtheid in het land van herkomst van een vreemdeling en hoe diens ervaringen, ook volgens zijn asielrelaas, in dat algemene beeld passen. De door de staatssecretaris te verrichten onderzoeken naar beide asielmotieven vertonen echter, gelet op de aard van die asielmotieven en gezien de moeilijkheden die een vreemdeling kan ondervinden een dergelijk asielmotief te bewijzen, gelijkenissen. Zie voor de inrichting van het onderzoek naar een gestelde geloofsovertuiging de uitspraak van de Afdeling van 24 mei 2013 in zaak nr. 201109256/1/V2.

7.3

De staatssecretaris heeft ter zitting desgevraagd slechts kunnen toelichten welke vragen in de gehoren niet mogen worden gesteld. Hoewel daartoe door de Afdeling in de gelegenheid gesteld, heeft hij niet inzichtelijk gemaakt welke soort vragen hij wél stelt tijdens de gehoren en of die vragen al dan niet in samenwerking met een belangen-organisatie, zoals de Nederlandse Vereniging tot Integratie van Homoseksualiteit (COC), tot stand zijn gekomen. Hoewel de staatssecretaris blijkens de nadere gehoren in de voorliggende zaken wel vragen stelt aangaande de gestelde seksuele gerichtheid, is niet gebleken dat die vragen voortkomen uit een vastgelegde, op de aard van het asielrelaas toegespitste, onderzoekssystematiek.

7.4

De staatssecretaris heeft evenmin kunnen verduidelijken hoe hij vervolgens aan de hand van de uitkomsten van zijn onderzoek de beoordeling van de geloofwaardigheid van een gestelde seksuele gerichtheid, pleegt te verrichten en hoe hij deze naar aanleiding van de asielrelazen van de vreemdelingen in deze zaken heeft verricht.
(…)

7.6.

Uit het vorenstaande volgt dat de staatssecretaris niet inzichtelijk heeft gemaakt op welke vragen en antwoorden, in het concrete geval in het licht van het asielrelaas van de desbetreffende vreemdeling, het zwaartepunt ligt en hoe de staatssecretaris de door een vreemdeling gegeven antwoorden waardeert en onderling weegt (vergelijk het arrest van het Hof van 22 november 2012 in zaak C-277/11, M.M. tegen Ierland, ECLI:EU:C:2012:744, en de uitspraak van de Afdeling van 9 april 2015 in zaak nr. 201501145/1/V2, www.raadvanstate.nl, en zie in dat kader ook de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2014 in zaak nr. 201401627/1/V2).

7.7.

Wegens het ontbreken van een beleidsregel of een vaste gedragslijn van de staatssecretaris over de wijze waarop hij een gestelde seksuele gerichtheid onderzoekt en beoordeelt, terwijl dat onderzoek en die beoordeling binnen het Nederlandse bestuursrechte-lijke stelsel in eerste instantie aan hem is, is het voor de bestuursrechter thans niet mogelijk effectief te toetsen hoe de staatssecretaris in een concreet geval dat onderzoek en die beoordeling verricht en aldus een zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd besluit neemt over de geloofwaardigheid van een seksuele gerichtheid als asielmotief. Het is binnen dit stelsel niet aan de bestuursrechter, maar aan de staatssecretaris om hieraan in de vormgeving en uitvoering van het vreemdelingenbeleid nader invulling te geven.”

11.3

De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.
Daargelaten het antwoord op de vraag of verweerder met de ter zitting gegeven uiteenzetting over de door hem gevolgde interne gedragslijn tegemoetkomt aan de bezwaren van de Afdeling zoals genoemd in rechtsoverweging 7.3 van de uitspraak van 8 juli 2015, heeft verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet inzichtelijk gemaakt hoe hij aan de hand van de uitkomsten van zijn onderzoek de beoordeling van de geloofwaardigheid van een gestelde homoseksuele gerichtheid in het algemeen pleegt te verrichten en hoe hij deze naar aanleiding van de verklaringen van verzoeker in de onderhavige zaak heeft verricht. Daarnaast heeft verweerder met name niet inzichtelijk gemaakt op welke vragen en antwoorden van verzoeker het zwaartepunt ligt en hoe hij de door verzoeker gegeven antwoorden heeft gewaardeerd en onderling gewogen. Uit het bestreden besluit en het daarin ingelaste voornemen blijkt dat verweerder weliswaar uitgebreid is ingegaan op de door hem als tegenstrijdig, ongerijmd en summier beoordeelde verklaringen van verzoeker, maar uit de besluitvorming blijkt niet hoe deze zijn gewogen. Voorts blijkt niet hoe de antwoorden op de vragen onderling zijn gewogen.

11.4

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de beoordeling van het asielrelaas in dit geval niet voldoet aan de eisen zoals genoemd in rechtsoverwegingen 7.4 en 7.6 van de uitspraak van 8 juli 2015. Dat verweerder het asielrelaas van verzoeker heeft getoetst aan de hand van de integrale geloofwaardigheidstoets zoals neergelegd in het WBV 2014/36 en de Werkinstructie 2014/10, leidt op zichzelf niet tot een ander oordeel, omdat die werkwijze - die geldt voor alle aanvragen, ongeacht het asielmotief - in zijn algemeenheid geen inzicht biedt in de (specifieke) beoordeling van een seksuele gerichtheid. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder onvoldoende deugdelijk gemotiveerd waarom de seksuele gerichtheid van verzoeker ongeloofwaardig is, zodat het bestreden besluit in strijd is met artikelen 3:2 en 3:46 Awb.

12. Uit het voorgaande volgt dat de beroepsgrond slaagt. De voorzieningenrechter zal het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen. De voorzieningenrechter ziet, gelet op de aard van het motiveringsgebrek en gelet op de aard van de procedure (de Algemene Asielprocedure), geen aanleiding om de bestuurlijke lus toe te passen als bedoeld in artikel 8:51a Awb. Gelet op het voorgaande behoeven de overige gronden geen bespreking meer.

13. Nu in de hoofdzaak wordt beslist, zal de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

14. De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste, Awb verweerder veroordelen in de kosten die verzoeker heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 980,- in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1) en € 490,- in verband met het beroep (1 punt voor het beroepschrift, wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen een termijn van zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van verzoeker met inachtneming van deze uitspraak;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 980,- te betalen in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening en € 490,- in verband met het beroep.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P.W. van de Ven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H. Boomsma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2015.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover het de hoofdzaak betreft, kan binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.