Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:9110

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-07-2015
Datum publicatie
05-08-2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 8522
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:88, geldigheid: 2015-08-05
Algemene wet bestuursrecht 8:88, geldigheid: 2015-08-05
Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten IV, geldigheid: 2015-08-05
Algemene wet bestuursrecht 8:90, geldigheid: 2015-08-05
Algemene wet bestuursrecht 8:75a, geldigheid: 2015-08-05
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/8522

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juli 2015 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [nummer]

(gemachtigde: mr. J.M.M. Verstrepen),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Söylemez).

Procesverloop

Bij brief van 30 september 2014 heeft verweerder het verzoek om vergoeding van schade afgewezen.

Eiser heeft de rechtbank verzocht verweerder te veroordelen tot vergoeding van schade.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juli 2015. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Op 2 november 2012 heeft eiser een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 12 november 2012 afgewezen. Op 9 juli 2014 heeft eiser nogmaals een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. In die procedure heeft eiser een rapport van het instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek (hierna: het iMMO-rapport) overgelegd. Verweerder heeft die aanvraag bij besluit van 19 september 2014 ingewilligd en aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend. Eiser heeft verzocht verweerder op grond van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) te veroordelen in vergoeding van de kosten van voormeld rapport.

2.1.

Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.

Ingevolge artikel IV, eerste lid, van de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (hierna: de Wns) blijft op schade, veroorzaakt door een besluit dat werd bekendgemaakt of een handeling die werd verricht voor het tijdstip waarop deze wet voor dat besluit of die handeling in werking is getreden, het recht zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing.

De Wns is, voor zover betrekking hebbend op schadevergoeding, op 1 juli 2013 in werking getreden.

2.2.

De brief van 30 september 2014 vermeldt dat dit geen appellabel besluit is maar een reactie als bedoeld in artikel 8:90, tweede lid, van de Awb, dat daartegen geen rechtsmiddel openstaat en dat eiser een verzoekschrift tot vergoeding van schade kan indienen bij de bestuursrechter.

De rechtbank stelt vast dat het gestelde onrechtmatige besluit dateert van 12 november 2012, derhalve vóór 1 juli 2013. Uit het in artikel IV, eerste lid, van de Wns neergelegde overgangsrecht volgt dat de verzoekschriftprocedure ingevolge de artikelen 8:88 tot en met 8:95 niet van toepassing is op schade veroorzaakt door een onrechtmatig besluit van voor
1 juli 2013.

Ingevolge de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 6 mei 1997 (ECLI:NL:RVS:1997:AA6762) merkt de rechtbank op grond van de leer van de materiële connexiteit de brief van 30 september 2014 aan als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid van de Awb en vat het verzoek om schadevergoeding op als een beroep tegen dat besluit.

3. Ingevolge artikel 6:13 van de Awb, voor zover thans van belang, kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende, aan wie redelijkerwijs kan worden verweten geen bezwaar te hebben gemaakt tegen het bestreden besluit.

Op grond van het standpunt van verweerder hiervoor weergegeven onder 2.2, eerste alinea, acht de rechtbank het verschoonbaar dat eiser geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 30 september 2014.

4. Eiser betoogt dat verweerder hem ten onrechte de kosten van het iMMO-rapport niet heeft vergoed. Hij voert hiertoe aan, voor zover thans van belang, dat verweerder heeft erkend dat het besluit van 12 november 2012 onrechtmatig is, aangezien hij ondanks dat het daartegen gerichte beroep en het hoger beroep bij uitspraken van de rechtbank van 4 december 2012 (ECLI:NL:RBSGR:2012:BY5413) en de Afdeling van 9 september 2013 (zaak nr. 201211465/1/V4) ongegrond zijn verklaard, het asielrelaas alsnog geloofwaardig acht. Voorts voert hij aan dat de correspondentie met verweerder over vergoeding van de schade in een vergevorderd stadium was, namelijk de praktische uitvoering daarvan. Verder verwijst hij in het beroepschrift en ter zitting naar elf uitspraken van de rechtbank, die zien op zaken waarin verweerder de kosten van iMMO-rapporten heeft vergoed. Onder verwijzing naar brieven van verweerder in de procedure van een andere vreemdeling, stelt hij dat verweerder de kosten van iMMO-rapporten in gevallen zoals het onderhavige, waarin hij is teruggekomen van een eerder afwijzend besluit, pleegt te vergoeden.

5. Met betrekking tot het betoog van eiser dat sprake is van een onrechtmatig besluit, overweegt de rechtbank als volgt.

5.1.

Met voormelde uitspraken van de rechtbank en de Afdeling van 4 december 2012 en 9 september 2013 is het besluit van 12 november 2012 in rechte vast komen te staan. De rechtmatigheid van dat besluit ligt in deze procedure derhalve niet ter toetsing voor.

5.2.

Van erkenning van de onrechtmatigheid van het besluit van 12 november 2012 is evenmin sprake. Dat verweerder in het besluit van 19 september 2014 naar aanleiding van het eerst na het besluit van 12 november 2012 naar voren gebrachte iMMO-rapport alsnog een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft verleend omdat hij, zoals blijkt uit zijn brief van 11 november 2014, alsnog geloofwaardig heeft geacht dat eiser in de negatieve aandacht van de Oegandese autoriteiten is komen te staan wegens deelname aan een demonstratie, brengt niet mee dat verweerder de onrechtmatigheid van het besluit van 12 november 2012 heeft erkend.

Uit de door eiser overgelegde brieven van verweerder van 30 april 2014 en 31 juli 2014, waarin verweerder heeft aangegeven eiser later te informeren over zijn verzoek om vergoeding van de kosten van het iMMO-rapport, blijkt evenmin dat verweerder de onrechtmatigheid van voormeld besluit heeft erkend.

Eiser stelt, onder verwijzing naar zijn brief aan verweerder van 16 september 2014, dat verweerder telefonisch heeft aangegeven dat intern nog overleg zou plaatsvinden over wie de betaling op zich zou nemen. Hij betoogt dat hieruit blijkt dat verweerder de onrechtmatigheid van het besluit van 12 november 2012 heeft erkend, dan wel dat hij erop mocht vertrouwen dat verweerder de kosten van het iMMO-rapport zou vergoeden.

Nu verweerder ter zitting heeft ontkend dat enige toezegging is gedaan en heeft verklaard dat juist meermaals is aangegeven dat de kosten niet zouden worden vergoed, en nu eiser voormelde stelling niet nader heeft onderbouwd, is geen grond voor het oordeel dat hij redelijkerwijs mocht begrijpen dat het verweerder de gestelde onrechtmatigheid heeft erkend, dan wel dat hij erop mocht vertrouwen dat de kosten zouden worden vergoed.

6. Met betrekking tot het beroep op het gelijkheidsbeginsel overweegt de rechtbank als volgt.

6.1.

De verwijzing van eiser naar elf uitspraken van de rechtbank faalt. Anders dan in het onderhavige geval, ging het in die zaken om vergoeding van proceskosten naar aanleiding van vernietigde besluiten, dan wel vergoeding van proceskosten op grond van artikel 8:75a van de Awb (intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen). Zoals hiervoor is overwogen, staat het besluit van 12 november 2012 in rechte vast.

6.2.

Eiser heeft voorts verwezen naar de brieven van verweerder van 3 en 5 november 2014 aan een andere vreemdeling, waaruit blijkt dat verweerder een verzoek om vergoeding van de kosten van een iMMO-rapport heeft ingewilligd omdat hij naar aanleiding van dat rapport het asielrelaas alsnog geloofwaardig had geacht.

Verweerder heeft ter zitting verklaard dat dit een ambtelijke misslag betrof. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 9 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2545) strekt het gelijkheidsbeginsel niet zover dat verweerder in eerder gemaakte fouten zou moeten volharden. Het betoog van eiser faalt derhalve.

7. Gelet op vorengaande is er geen grond voor het oordeel dat verweerder was gehouden de kosten van het iMMO-rapport te vergoeden. Het beroep is derhalve ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.E. Stikvoort-Ydema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2015.

griffier rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.